Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1985

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
200.252.743/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:11298
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

wijziging hoofdverblijfplaats

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.252.743/ 01

Zaaknummer rechtbank: C/15/255020 / FA RK 17-801 en C/15/268664 / FA RK 17-7695

Beschikking van de meervoudige kamer van 28 mei 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [A] , Verenigd Koninkrijk,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.G. Hendriks te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [B] , [gemeente] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 12 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 14 januari 2019 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van voormelde beschikking van 12 december 2018.

2.2

De vrouw heeft op 21 februari 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 29 maart 2019 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 29 maart 2019 met bijlagen, ingekomen op 29 maart 2019;

- een brief van de zijde van de vrouw van 29 maart 2019 met bijlagen, ingekomen op 1 april 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 5 april 2019 met bijlagen, ingekomen op 8 april 2019.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 10 april 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mr. E.J.M. Dubach, advocaat te Rotterdam;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk.

Mr. Hendriks en mr. Van der Stroom-Willemsen hebben ieder pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Uit het ( [in] 2014 gesloten en op 9 november 2018 door echtscheiding ontbonden) huwelijk van de man en de vrouw is geboren [zoon] (hierna: [de minderjarige] ) [in] 2015.

De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Partijen woonden tijdens hun relatie in [A] (Verenigd Koninkrijk). De vrouw heeft de Nederlandse en de Britse nationaliteit en de man heeft de Italiaanse nationaliteit. [de minderjarige] is in [A] geboren. Hij heeft de Italiaanse, Nederlandse en Britse nationaliteit.

3.3

Op 29 mei 2016 is de vrouw, in verband met haar werkzaamheden en in overleg met de man, met [de minderjarige] naar Nederland gegaan, waar zij bij haar moeder zijn ingetrokken. Vanaf 30 mei 2016 ging [de minderjarige] naar een crèche in Nederland. Partijen brachten de weekends samen (met [de minderjarige] ) door, afwisselend in Nederland en [A] .

3.4

Op 16 januari 2017 is de vrouw met [de minderjarige] , zonder toestemming van de man, na een verblijf in [A] naar Nederland vertrokken waar zij op 13 februari 2017 een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. De man heeft op 23 februari 2017 een teruggeleidingsverzoek ingediend.

In het kader van de teruggeleidingsprocedure hebben partijen zich tot een mediator gewend. In overleg zijn zij op 4 april 2017 een co-ouderschapregeling overeengekomen, die er kort gezegd op neerkwam dat [de minderjarige] , tot aan zijn vierde verjaardag, twee keer in de maand gedurende een week bij de man in [A] was en aldaar naar de crèche ging. Deze overeenkomst is vastgelegd bij beschikking van 18 april 2017 van de rechtbank Den Haag.

3.5

Bij beschikking van 18 juli 2018, zoals hersteld bij beschikking van 23 juli 2018, heeft de rechtbank Noord-Holland de raad verzocht te onderzoeken welke hoofdverblijfplaats en zorgregeling het meest in het belang van [de minderjarige] zijn.

3.6

In zijn rapport van 9 november 2018 heeft de raad geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man te bepalen, met vaststelling van een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vrouw van drie weekends per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw met ingang van 16 januari 2019. Tevens is in het kader van een zorgregeling bepaald dat de man met ingang van 16 januari 2019 drie weekenden per vier weken de zorg voor [de minderjarige] heeft van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag, waarbij [de minderjarige] uiterlijk om 19.00 uur terug (in Nederland) bij de vrouw is. De vrouw reist met [de minderjarige] twee weekenden per vier weken naar Engeland en de man zorgt gedurende het andere weekend voor [de minderjarige] in Nederland. De man heeft daarnaast gedurende de helft van de schoolvakanties de zorg voor [de minderjarige] , tenzij partijen in onderling overleg anders overeenkomen.

Deze beslissing is gegeven op het primaire verzoek van de vrouw om, kort samengevat, te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij haar in Nederland, al dan niet na advisering door de raad en/of eventueel na advisering door Ottoline Koppens. Verder heeft de vrouw verzocht een zorgregeling vast te stellen voor de periode tot 16 januari 2019, al dan niet in voorlopige vorm, zoals partijen eerder zijn overeengekomen, inhoudende dat [de minderjarige] drie weken in Nederland verblijft, en een week in Engeland. De vrouw heeft verzocht voor de periode vanaf 16 januari 2019 een zorgregeling vast te stellen die op hoofdlijnen inhoudt dat [de minderjarige] op doordeweekse dagen bij de vrouw in Nederland verblijft en om de week het weekend bij de man verblijft, het ene weekend in [A] en het andere weekend met de man in Nederland, en waarbij [de minderjarige] zeven vakantieweken per jaar bij de man verblijft, een en ander eveneens na onderzoek en advies van de raad.

De man had op zijn beurt verzocht, indien de rechtbank zich bevoegd zou verklaren, te bepalen dat [de minderjarige] met ingang van 16 januari 2019 zijn hoofdverblijfplaats zou hebben bij hem in Engeland, waarbij zou gelden dat [de minderjarige] bij de vrouw verblijft in ieder geval gedurende drie weekenden per maand, waarvan twee in Engeland en een in Nederland en gedurende negen weken schoolvakanties per jaar.

Verder is, overeenkomstig het verzoek van de vrouw, de wijze van verdeling van de voormalig echtelijke woning (aan het adres [adres] te [A] , Verenigd Koninkrijk gelast in die zin dat de woning wordt verkocht en is de man veroordeeld zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair zijn zelfstandig verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling met de vrouw toe te wijzen, althans een zodanige zorgregeling te bepalen als het hof juist zal achten en te bepalen dat de voormalig echtelijke woning te koop zal worden gezet met ingang van 1 mei 2019, althans een zodanige datum als het hof juist zal achten.

Subsidiair verzoekt de man,

I. met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat met ingang van 16 januari 2019, althans een zodanige datum als het hof juist zal achten, de man drie weekenden per vier weken de zorg voor [de minderjarige] heeft, één weekend in Nederland van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur en, zolang [de minderjarige] nog niet leerplichtig is, twee weekenden in Engeland, van donderdagavond tot zondag uiterlijk 19.00 uur terug (in Nederland) bij de vrouw, en vanaf het moment dat [de minderjarige] leerplichtig is, twee weekenden in Engeland van vrijdagmiddag uit school tot zondag uiterlijk 19.00 uur terug (in Nederland) bij de vrouw, waarbij geldt voor beide regelingen dat de vrouw op haar kosten met [de minderjarige] twee weekenden per vier weken naar Engeland reist en de man gedurende het andere weekend voor [de minderjarige] in Nederland zorgt, waarbij de reiskosten van de man naar Nederland en terug worden gedragen door de man, althans een zodanige zorgregeling te bepalen als het hof juist zal achten. De vrouw is gehouden om te zorgen voor geschikte woonruimte voor de man en [de minderjarige] voor het weekend dat de man in Nederland verblijft, van vrijdag uit school tot en met zondagavond 19.00 uur; de kosten hiervan worden gedragen door de vrouw. De man heeft gedurende negen weken van de jaarlijkse schoolvakanties de zorg voor [de minderjarige] , de planning van de weken in onderling overleg met de vrouw nader te bepalen;

II. te bepalen dat met ingang van 16 januari 2019, althans een zodanige datum als het hof juist zal achten, [de minderjarige] middels Skype of Facetime gedurende 10-15 minuten per dag contact heeft met de ouder bij wie hij op dat moment niet verblijft, waarbij de ouder bij wie [de minderjarige] op dat moment verblijft de verantwoordelijkheid heeft voor het ondersteunen van [de minderjarige] tijdens het Skype-contact;

III. te bepalen dat de man, wanneer hij daartoe gelegenheid heeft, het weekend dat hij in Nederland met [de minderjarige] verblijft, mag uitbreiden met de voorafgaande dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag. [de minderjarige] verblijft dan bij de man gedurende die dagen; de man is verantwoordelijk voor de zorg voor [de minderjarige] , inclusief het halen/brengen van/naar school en buitenschoolse activiteiten. De verblijfskosten van de extra dagen, buiten het weekend, worden gedragen door de man.

4.3

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep de primaire verzoeken en de subsidiaire verzoeken onder I. en II. van de man af te wijzen en het subsidiaire verzoek onder III. toe te wijzen, met dien verstande dat de huisvestingskosten van de man tot een maximum van € 130,- per maand door de vrouw zullen worden vergoed.

In incidenteel hoger beroep verzoekt zij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen

I. dat de man, vanaf de leerplichtige leeftijd van [de minderjarige] van vijf jaar, drie weekenden per vier weken de zorg voor [de minderjarige] draagt, van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag, waarbij [de minderjarige] uiterlijk 19.00 uur (in Nederland) bij de vrouw is; de vrouw reist met [de minderjarige] één weekend per vier weken naar Engeland en de man zorgt gedurende twee andere weekenden voor [de minderjarige] in Nederland;

II. dat de volgende Skype-regeling tussen partijen wordt vastgelegd, zoals omschreven onder randnummer 86 van het verweerschrift tevens houdend incidenteel hoger beroep, in afwijking van hetgeen door partijen is overeengekomen op 4 april 2017 en is bekrachtigd bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 april 2017:

• een vast Skype-moment op de woensdag- en vrijdagavonden tussen het avondeten en de bedtijd van [de minderjarige] ;

• een Skype-moment op de maandag-, dinsdag- en donderdagavonden tussen het avondeten en de bedtijd van [de minderjarige] uitsluitend wanneer [de minderjarige] hierom verzoekt;

• een vast Skype-moment in het weekend in overleg te bepalen.

4.4

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel hoger beroep, althans haar verzoek af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

In principaal en incidenteel hoger beroep

5.1

Partijen twisten primair over de vraag bij wie van hen [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats dient te hebben. De man betoogt dat het in het belang van [de minderjarige] is om zijn hoofdverblijfplaats bij hem te hebben en verwijst naar het dienovereenkomstige advies van de raad, waarbij de raad van doorslaggevend belang heeft geacht dat de man meer dan de vrouw het contact met de andere ouder stimuleert en faciliteert. Onderdeel van dat contact is het Skype-contact. De man stelt dat Skypen gezien de fysieke afstand van groot belang is, maar dat de vrouw daar minder van doordrongen lijkt; sinds de bestreden beschikking gaat het Skypen soms niet door, omdat [de minderjarige] al slaapt of de vrouw hem niet begeleidt waardoor de verbinding wordt verbroken. De man betoogt dat hij meer doordrongen is van het belang en de noodzaak van contact tussen [de minderjarige] en zijn niet-verzorgende ouder zodat dat contact beter zal worden onderhouden als [de minderjarige] bij de man woont dan als [de minderjarige] bij de vrouw woont. De man vreest dat het contact tussen hem en [de minderjarige] in dat laatste geval zal verminderen, waarbij hij ook naar het taalaspect verwijst. Het beheersen van de Engelse taal door [de minderjarige] is van belang voor zijn communicatie met de man. Als [de minderjarige] in Nederland woont en naar school gaat, zal zijn Engelse taalvaardigheid verwateren en komt de man meer op afstand te staan, ook omdat het vanwege de taalbarrière moeilijker voor de man zal zijn om betrokken te zijn bij de schoolgang van [de minderjarige] indien hij naar een Nederlandse school gaat, bijvoorbeeld bij het helpen met huiswerk. Indien [de minderjarige] bij de man in [A] woont, doet dat probleem zich niet voor omdat de vrouw de Engelse taal goed beheerst.

De man stelt verder dat de voorgeschiedenis moet worden meegewogen, waarbij hij in de eerste plaats doelt op de intentie van partijen om [de minderjarige] in [A] te laten opgroeien (en niet in Nederland). Een tweede belangrijk onderdeel van de voorgeschiedenis is de ontvoering van [de minderjarige] door de vrouw uit [A] . Door [de minderjarige] zonder toestemming van de man mee te nemen naar Nederland, heeft de vrouw getoond zich weinig rekenschap te geven van het belang van de man in [de minderjarige] ’s leven.

Voor het overige zijn de verschillen tussen de man en de vrouw volgens de man niet groot: partijen werken beiden ongeveer voltijds, kunnen deels thuiswerken, maken gebruik van opvang en krijgen steun van hun moeders. In praktische zin kan de man [de minderjarige] evenveel bieden als de vrouw, hetgeen gebleken is in de afgelopen periode van co-ouderschap. Gelet op de hiervoor genoemde punten met betrekking tot het contact en de voorgeschiedenis dient de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man te worden bepaald, zo stelt hij.

5.2

De vrouw betoogt dat zij de meest geschikte ouder is om de hoofdzorg voor [de minderjarige] te dragen. Al sinds [de minderjarige] ’s geboorte draagt zij meer zorg voor [de minderjarige] dan de man. Ook tijdens het co-ouderschap, als zij met [de minderjarige] meereisde naar de man in [A] , droeg zij bepaalde zorgtaken wanneer de man werkte. De vrouw heeft voorts twijfels over de geschiktheid van de man als hoofdverzorger: hij heeft moeite om zijn boosheid onder controle te houden, als gevolg waarvan hij minder sensitief op [de minderjarige] kan reageren en minder in staat is om met de vrouw op ouderniveau te communiceren. De man toont niet aan dat hij hiervoor behandeld is en heeft het verleden nog niet verwerkt.

De vrouw heeft een flexibele tijdsindeling bij haar werkgever [bedrijf] waardoor zij [de minderjarige] vier à vijf keer per week kan ophalen en iedere dag zelf kan wegbrengen. Vanwege deze flexibiliteit en haar kortere reistijd naar en van werk is zij meer beschikbaar voor [de minderjarige] en is zij niet aangewezen op voorschoolse opvang. Zij heeft voorts - anders dan de man - een vangnet van familie en vrienden om zich heen. Niet alleen in praktisch opzicht, maar ook in financieel opzicht heeft zij [de minderjarige] meer te bieden; na verkoop van de voormalig echtelijke woning in [A] kan de vrouw een eengezinswoning kopen in de wijk van haar moeder, waar [de minderjarige] naar school gaat. De man zal gezien zijn financiële omstandigheden echter moeten verhuizen naar een minder goede wijk in [A] .

De vrouw gunt de man net zoveel tijd met [de minderjarige] als andersom; zij heeft een spiegelbeeldig voorstel gedaan wat betreft de zorgregeling. Zij wenst de Skype-contacten echter af te stemmen op de leeftijd en wensen van [de minderjarige] en er niet zo rigide mee om te gaan als de man voorstaat.

Wat betreft de taalvaardigheid van [de minderjarige] stelt de vrouw dat zij en haar moeder mede Engels met [de minderjarige] spreken en dat hij vanaf groep 1 Engelse les op school krijgt. Daarnaast krijgt hij Engelse privéles en volgt hij het Engelse programma van Squla.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw aan het voorgaande toegevoegd dat [de minderjarige] sinds 31 januari 2019 naar school gaat en dat het goed met hem gaat. Hij doet echter zorgelijke uitspraken over de man. Daarom is Veilig Thuis ingeschakeld.

5.3

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geconstateerd dat de situatie is verslechterd sinds de bestreden beschikking en dat [de minderjarige] signalen van een loyaliteitsconflict begint te vertonen. De raad heeft benadrukt dat partijen niet de inmenging van Veilig Thuis dienen af te wachten, maar zo snel mogelijk zelf hulp moeten zoeken, bijvoorbeeld van een mediator met een orthopedagogische achtergrond.

Bij zijn advies zoals neergelegd in het rapport van 9 november 2018 om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man te bepalen, heeft de doorslag gegeven dat de man meer ruimte lijkt te bieden voor contact tussen [de minderjarige] en de vrouw dan andersom. Niet gezegd kan worden dat de bestreden beschikking op terechte gronden is afgegeven, maar inmiddels is continuïteit ook een mee te wegen factor, te meer nu [de minderjarige] een kwetsbaar kind is. Sinds 12 december 2018 woont hij bij de vrouw, gaat hij in Nederland naar school en heeft hij aldaar vriendjes gemaakt. Stabiliteit en rust zijn van belang. Handhaving van deze situatie zou betekenen dat de bereikte stabiliteit kan worden bestendigd.

5.4

Het hof stelt vast dat partijen hun leven tijdens hun huwelijk vorm hebben gegeven in [A] : beiden werkten daar, woonden daar samen, [de minderjarige] is er geboren en partijen hebben er samen een woning gekocht. Het is hun kennelijke bedoeling geweest daar voor langere tijd te blijven leven en [de minderjarige] aldaar te laten opgroeien. In het [A] gezinsleven is abrupt verandering gekomen op het moment dat de vrouw met [de minderjarige] naar Nederland vertrok. Die verandering dwingt partijen ertoe opnieuw vorm te geven aan hun respectieve gezinslevens met [de minderjarige] . Zij kunnen het echter niet eens worden over de wijze waarop dat moet gebeuren en welke vorm voor [de minderjarige] het meest wenselijk is.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de meest wenselijke oplossing voor [de minderjarige] is dat zijn ouders in hetzelfde land wonen. Die situatie doet zich echter helaas niet voor en als gevolg daarvan reist [de minderjarige] momenteel veel om frequent contact met beide ouders te kunnen blijven houden. Daargelaten de praktische problemen en de kosten die de huidige zorgregeling oplevert, zal het in toenemende mate belastend worden voor [de minderjarige] om zoveel te moeten reizen. Daarnaast zien partijen onder ogen dat [de minderjarige] in de nabije toekomst in de weekends zal willen spelen met vriendjes, verjaardagspartijtjes zal willen bijwonen en een sport of hobby zal willen uitoefenen. Dergelijke ontwikkelingen scheppen een aanmerkelijk risico dat de huidige zorgregeling op termijn in duur zal worden beperkt of in het geheel niet houdbaar zal blijken te zijn. Dat zou ten koste gaan van het contact tussen [de minderjarige] en zijn vader.

Gezien het belang van [de minderjarige] bij goed en frequent contact met beide ouders, welk belang in lijn is met de wens van de ouders, komt het hof tot het oordeel dat bepaling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man het meest in het belang van [de minderjarige] is.

Indien het vele reizen te belastend, te kostbaar of anderszins niet wenselijk of houdbaar blijkt te zijn, zijn de mogelijkheden van de vrouw om zich in hetzelfde land als [de minderjarige] te vestigen en daar (weer) een leven op te bouwen, veel groter dan de mogelijkheden van de man om in Nederland een leven op te bouwen. De vrouw heeft immers reeds zeventien jaar in [A] gewoond en gewerkt, zij heeft de Britse nationaliteit en is de Engelse taal goed machtig, terwijl de man geen binding heeft met Nederland en geen Nederlands spreekt, hetgeen zijn kansen op het vinden van een baan in Nederland aanmerkelijk verkleint.

Daar komt bij dat het opgroeien van [de minderjarige] in Engeland met Engels als voertaal de meeste waarborgen biedt voor een goede communicatie, met voldoende diepgang, met beide ouders en voldoende betrokkenheid van beide ouders bij het onderwijs van [de minderjarige] . Dit is anders indien [de minderjarige] in Nederland opgroeit, met Nederlands als voertaal en onderwijs in het Nederlands, nu de vader geen Nederlands spreekt.

Daarnaast laat het hof bij zijn beslissing om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man te bepalen meewegen dat de man meer ruimte lijkt te laten voor contact tussen de vrouw en [de minderjarige] dan dat de vrouw die ruimte geeft aan de man en [de minderjarige] . Weliswaar verzoekt de vrouw in hoger beroep een even zo ruime zorgregeling te bepalen, maar uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat de vrouw meer moeite heeft om de vastgestelde zorgregeling volledig na te leven. Zij stelt zich daarbij te laten leiden door het belang en de wensen van [de minderjarige] , bijvoorbeeld wanneer hij te moe is om te Skypen met de man, maar zij heeft niet weersproken dat de man de regeling op zijn beurt wel naleeft. Voorts stelt zij flexibel om te gaan met incidentele uitbreiding van de zorgregeling, maar zij heeft verzocht om de door de man voorgestelde vakantieregeling af te wijzen. Al met al wekt de vrouw de indruk meer oog te hebben voor belemmeringen bij de zorgregeling dan voor mogelijkheden tot uitbreiding.

5.5

Het hof heeft bij zijn beoordeling de continuïteit en stabiliteit voor [de minderjarige] betrokken, waarvan het belang is onderstreept door de raad ter zitting in hoger beroep. Het hof ziet in dat [de minderjarige] sinds 12 december 2018 gewend is de vrouw als hoofdverzorger te hebben en dat hij voorts sinds 31 januari 2019 in Nederland naar school gaat, waar het goed met hem gaat. Wijziging van de hoofdverblijfplaats zal meebrengen dat [de minderjarige] (in september 2019) naar een school in [A] zal gaan en dat hij van zijn huidige school af moet. Deze verandering zal, evenals de verschuiving van het zwaartepunt van de zorg van de vrouw naar de man, ten koste gaan van de continuïteit en stabiliteit op de korte termijn en de nodige flexibiliteit van [de minderjarige] vragen. De wijziging van de hoofdverblijfplaats biedt naar het oordeel van het hof echter, gezien hetgeen onder 5.4 is overwogen, de meeste kans op continuïteit en stabiliteit voor de langere termijn voor [de minderjarige] . Het hof is daarbij van oordeel dat de vereiste flexibiliteit van [de minderjarige] kan worden gevergd gezien zijn jeugdige leeftijd en gelet op het feit dat hij pas enkele maanden naar school gaat en de man tot voor kort ongeveer de helft van de zorg droeg. Tot 12 december 2018 gold immers nog de co-ouderschapregeling die partijen in april 2017 zijn overeengekomen.

De vrouw heeft er in het kader van continuïteit voor [de minderjarige] nog op gewezen dat de man niet in de voormalig echtelijke woning kan blijven wonen zodat [de minderjarige] ook in Engeland aan een nieuwe woning (en mogelijk een nieuwe wijk) zal moeten wennen. Ook de vrouw zal in Nederland echter naar een andere woning moeten verhuizen, aangezien zij tijdelijk (met [de minderjarige] ) bij haar moeder inwoont. In beide gevallen zal er dus sprake zijn van andere huisvesting zodat die omstandigheid geen factor van betekenis is en zeker niet doorslaggevend is, ook niet als daarbij moet worden betrokken dat de man in [A] mogelijk naar een minder goede buurt zal moeten verhuizen.

5.6

Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat zij als verzorgster en opvoedster meer beschikbaar is dan de man. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de vrouw aanmerkelijk meer beschikbaar is voor [de minderjarige] dan de man. Partijen werken vrijwel evenveel uren per week. Het verschil is volgens de vrouw gelegen in haar kortere reistijd en in de door haar werkgever geboden flexibiliteit die maakt dat zij ook ’s avonds kan werken. De man heeft onbetwist gesteld dat ook zijn werkgever flexibel omgaat met het indelen van zijn werkweek. Het hof acht een eventueel verschil in beschikbaarheid dan ook te klein om het een doorslaggevende factor te laten zijn in dit geschil.

5.7

Ook de stellingen van de vrouw met betrekking tot boosheid van de man, een daaruit volgend onvermogen om voldoende sensitief op [de minderjarige] te reageren en een gebrek aan opvoedkundige kwaliteiten, brengen het hof niet tot een andere conclusie. Het hof volgt de vrouw niet in haar stellingen op dat punt. Op grond van de stukken, daaronder begrepen het raadsrapport, kan niet worden geoordeeld dat de man minder geschikt is dan de vrouw om [de minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Volgens de raad is de man een liefhebbende vader aan wie [de minderjarige] goed gehecht is en die pedagogisch beschikbaar en in staat is om [de minderjarige] dagelijkse routine en structuur te bieden. De uitspraken van [de minderjarige] over de man, zoals die zijn gemeld door de crèche en de school van [de minderjarige] , zijn voor het hof bij deze stand van de informatie en in dit stadium, geen contra-indicatie voor bepaling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man.

Het hof stelt vast dat de verstandhouding van partijen te wensen overlaat en dat zij moeite hebben om met elkaar te communiceren. [de minderjarige] heeft daar last van. Partijen geven elkaar daarvan over en weer de schuld. Die situatie is zeer ongelukkig en het hof spreekt daarom de hoop uit dat partijen het advies van de raad opvolgen om samen hulp te zoeken bij het verbeteren van hun verstandhouding en communicatie, in het belang van [de minderjarige] .

5.8

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw is bepaald en het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen toewijzen. Het hof zal dat bepalen met ingang van 1 augustus 2019 om zowel [de minderjarige] als de ouders enige tijd te gunnen om deze wijziging voor te bereiden, vooral waar het aankomt op de inschrijving van [de minderjarige] op een andere school.

5.9

Vervolgens dient een zorgregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] te worden bepaald.

De vrouw heeft in incidenteel hoger beroep verzocht om wijziging van de zorgregeling (in geval [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij haar houdt). De man heeft betoogd dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar incidenteel hoger beroep, omdat zij geen grieven heeft geformuleerd dan wel anderszins haar incidenteel appel heeft toegelicht of onderbouwd.

5.10

Met de man constateert het hof dat het verweerschrift tevens houdend incidenteel hoger beroep van de vrouw geen uitdrukkelijk als zodanig aangeduide grief bevat. Gezien haar verweer in het principaal hoger beroep van de man, alsmede de overige stukken in het dossier, acht het hof echter – ook voor de man – voldoende kenbaar op welke gronden de vrouw wijziging verzoekt van de huidige zorgregeling. Zij is derhalve ontvankelijk in haar incidenteel hoger beroep. Nu haar hoger beroep echter ziet op de situatie waarin [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij haar houdt, komt het hof niet aan een inhoudelijke beoordeling toe.

5.11

De man heeft verzocht een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] bij de vrouw verblijft in ieder geval gedurende drie weekends per maand, waarvan twee in Nederland en een in Engeland en gedurende negen weken schoolvakantie per jaar. De vrouw heeft geen verzoek geformuleerd voor het geval dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man zou worden bepaald.

Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat de huidige zorgregeling, waarbij [de minderjarige] tweemaal per vier weken op en neer reist, in toenemende mate belastend voor hem zal worden en dat het de vraag is, ook gezien de door partijen en de raad opgeworpen twijfels, hoelang een dergelijke regeling houdbaar zal blijven. Het hof zal het verzoek van de man - dat overeenstemt met het advies van de raad in zijn rapport van 9 november 2018 - toewijzen, maar gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg afspraken kunnen maken over een zorgregeling waarbij de vrouw twee keer per vier weken naar [A] reist en [de minderjarige] - los van vakanties - eens per vier weken bij haar in Nederland is, mede gezien het standpunt van de vrouw zoals dat naar voren komt uit haar verzoek in incidenteel hoger beroep. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard met een dergelijke regeling akkoord te kunnen gaan.

Het hof gaat er voorts van uit dat de vrouw instemt met het verzoek van de man om omgang gedurende meer dan de helft van de vakanties vast te leggen, te weten gedurende negen weken, nu de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man wordt bepaald. Haar bezwaren tegen het verzoek van de man zagen immers vooral op de (pedagogische) beschikbaarheid van de man, om welke reden zij bezwaar maakte tegen meer vakantieweken van [de minderjarige] bij de man.

5.12

De man wil dat er duidelijkheid komt over de (reis)kosten van de zorgregeling. In geval [de minderjarige] bij hem woont, heeft de man zijn aanbod dat de vrouw met [de minderjarige] in zijn woning kan verblijven tijdens het zorgweekend gehandhaafd.

Ten aanzien van de reiskosten stelt hij voor dat hij die draagt voor de weekends waarin hij met [de minderjarige] naar Nederland reist en de vrouw de kosten draagt voor het weekend waarin zij naar [A] reist. Nu de vrouw daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, zal het hof dienovereenkomstig beslissen.

5.13

Partijen hebben allebei het Skype- respectievelijk Facetime-contact aan de orde gesteld, met dien verstande dat beiden daarbij de situatie voor ogen hadden waarin [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw zou houden. De man wil dat een duidelijke regeling met vaste tijdstippen wordt vastgesteld. Hij stelt voor om iedere dag tien à vijftien minuten contact via Skype te hebben, omdat hij frequent kort contact van belang acht. De verzorgende ouder moet [de minderjarige] daarbij begeleiden aangezien [de minderjarige] te jong is om dit geheel zelfstandig te doen.

Nu de door de man voorgestelde regeling overeenstemt met de Skype-regeling zoals door partijen overeengekomen op 4 april 2017, zal het hof dienovereenkomstig beslissen.

5.14

Aangezien de overige verzoeken van de man aangaande de zorgregeling zien op de situatie dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw zou zijn, behoeft daarop niet meer te worden beslist. Het hof gaat ervan uit dat de man welwillend reageert op voorstellen van de vrouw, bijvoorbeeld indien zij een soortgelijk verzoek doet om uitbreiding van de zorgregeling op de vrijdag (indien haar werk het toelaat).

5.15

Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn grief met betrekking tot uitstel van de verkoop van de voormalig echtelijke woning ingetrokken, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

5.16

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] met ingang van 1 augustus 2019 bij de man;

bepaalt dat de vrouw [de minderjarige] in het kader van een zorgregeling drie weekends per vier weken bij zich heeft van vrijdagmiddag tot zondag om 19.00 uur, waarbij de man met [de minderjarige] twee weekends per vier weken naar de vrouw reist en de vrouw gedurende het andere weekend voor [de minderjarige] zorgt in [A] , waarbij de man de reiskosten draagt voor de weekends waarin hij met [de minderjarige] naar Nederland reist en de vrouw de reiskosten draagt voor het weekend waarin zij naar [A] reist;

bepaalt dat de vrouw [de minderjarige] bij zich zal mogen hebben gedurende negen vakantieweken per jaar;

bepaalt dat [de minderjarige] middels Skype of Facetime gedurende 10-15 minuten per dag contact heeft met de ouder bij wie hij op dat moment niet verblijft, waarbij de ouder bij wie [de minderjarige] op dat moment verblijft de verantwoordelijkheid heeft voor het ondersteunen van [de minderjarige] tijdens het Skype-contact;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A.V.T. de Bie en mr. L. van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 28 mei 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.