Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:198

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
23-005309-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Celtic-zaak: vervolging voetbalsupporters voor openlijke geweldpleging na ongeregeldheden voorafgaand aan Ajax-Celtic op 6 november 2013. Veroordeling ter zake van openlijke geweldpleging tot, rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn van berechting, één maand gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-005309-13

datum uitspraak: 25 januari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 november 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-703470-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1983,

adres: [adres 1] (Groot-Brittannië).

Postadres: [adres 2].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 en 11 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 november 2013 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Dam, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisant(en) (waaronder [verbalisant] (in burger gekleed en werkzaam als inspecteur van politie Amsterdam-Amstelland)), welk geweld bestond uit het

- eenmaal of meermalen (met kracht) gooien en/of werpen van een of meer (vol(le)) blikje(s) bier en/of een of meer fles(sen), in elk geval een of meer hard(e) voorwerp(en)) in de richting van een of meer verbalisant(en) en/of,

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist(en)) slaan en/of stompen tegen het lichaam van een of meer verbalisant(en).

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 november 2013 te Amsterdam met anderen op de openbare weg, de Dam, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen verbalisanten, waaronder [verbalisant] (in burger gekleed en werkzaam als inspecteur van politie Amsterdam-Amstelland), welk geweld bestond uit het gooien van blikjes bier en/of flessen in de richting van verbalisanten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,00, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Op 6 november 2013 vonden op de Dam in Amsterdam, voorafgaand aan de voetbalwedstrijd Ajax-Celtic, ernstige ongeregeldheden plaats. Door de Celtic-supporters zijn in de richting van de ME en de geüniformeerde politie bierflessen, wijnflessen, volle bierblikjes en andere goederen gegooid. Om de situatie onder controle te krijgen, voerde de ME charges uit en verrichtten leden van de gespecialiseerde Aanhoudingseenheid, die onderdeel vormt van de ME, in burgerkleding aanhoudingen. Uiteindelijk zijn acht politieambtenaren gewond geraakt, ofwel als gevolg van in hun richting gegooide voorwerpen, zoals bierblikjes, ofwel door fysiek geweld zoals vuistslagen in het gezicht. De verdachte heeft aan deze ernstige ongeregeldheden een belangrijke bijdrage geleverd door het gooien van een blikje bier tegen het hoofd van de in burgerkleding opererende inspecteur van politie [verbalisant]. Het moge zo zijn dat de verdachte niet wist dat [verbalisant] bij de politie werkzaam was en in de uitoefening van zijn dienst was, maar dat laat onverlet dat dergelijk gedrag volstrekt onacceptabel is. Bovendien heeft de verdachte door zijn handelen aan [verbalisant] letsel toegebracht en hem pijn berokkend. Een en ander rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Feit is evenwel dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte dateert van ruim vijf jaar geleden en dat de verdachte, althans voor zover het hof bekend, sindsdien niet met justitie in aanraking is gekomen. Gelet hierop acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de in eerste aanleg opgelegde duur thans niet langer passend. Een geldboete zoals door de advocaat-generaal geëist, doet evenwel onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Tussen het instellen van hoger beroep en dit arrest is voorts sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Gelet daarop zal het hof in plaats van een gevangenisstraf van een maand waarvan twee weken voorwaardelijk een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, ter hoogte van € 275,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de bevoegdheid van [naam], Casemanager Geweld tegen Politieambtenaren, om namens de benadeelde partij de vordering in hoger beroep te handhaven.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gehele vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 275,00 (tweehonderdvijfenzeventig euro) ter zake van immateriële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 275,00 (tweehonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 januari 2019.

[......]