Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1970

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2019
Datum publicatie
20-06-2019
Zaaknummer
23-000924-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van (gewoonte)witwassen. Verdachte heeft samen met een ander een belastingfraudeconstructie opgezet waarbij verdachte van die ander contanten ontving om deze vervolgens als zwart loon uit te betalen aan zijn werknemers en verdachte als tegenprestatie daarvoor met zijn vennootschappen fictieve facturen (inclusief omzetbelasting) zou betalen. Die vennootschappen werden door die ander ook gebruikt om crimineel geld wit te wassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000924-17

datum uitspraak: 19 juni 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-731091-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

15, 16 en 17 april 2019, 20 en 21 mei 2019, 5 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 januari 2015 te Amsterdam en/of

Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of

zijn mededader(s) (van) een of meerdere voorwerp(en) en/of een of meerdere geldbedrag(en),

te weten (onder meer):

- in of omstreeks de periode van 25 juni 2014 tot en met 5 december 2014 een geldbedrag van

in totaal (ongeveer) 733.066,78 euro (overgemaakt van de rekeningen t.n.v. [bedrijf 1]

met rekeningnummer [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] naar de rekening t.n.v. [bedrijf 2] ,

p. 2846/3970),

- in of omstreeks de periode van 13 oktober 2014 tot en met 3 december 2014 een geldbedrag

van in totaal (ongeveer) 189.840,49 euro (overgemaakt van de rekening t.n.v. [bedrijf 3] met

rekeningnummer [rekeningnummer 3] naar de rekening t.n.v. [bedrijf 2] , p. 2843/3970).

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op

voornoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was/waren en/of wie voornoemde

voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had(den)

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dan wel redelijkerwijs hadden moeten vermoeden

dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of

middelljk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

[medeverdachte] en/of meerdere ander(en) in of omstreeks de periode van 1 juni 2014

tot en met 31 januari 2015 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans

in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen

van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan

witwassen, immers heeft/hebben [medeverdachte] en/of een of meerdere ander(en) (van) een

of meerdere voorwerp(en) en/of een of meerdere geldbedrag(en), te weten (onder meer):

- in of omstreeks de periode van 25 juni 2014 tot en met 5 december 2014 een geldbedrag van

in totaal (ongeveer) 733.066,78 euro (overgemaakt van de rekeningen t.n.v. [bedrijf 1]

met rekeningnummer [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] naar de rekening t.n.v. [bedrijf 2] ,

p. 2846/3970),

- in of omstreeks de periode van 13 oktober 2014 tot en met 3 december 2014 een geldbedrag

van in totaal (ongeveer) 189.840,49 euro (overgemaakt van de rekening t.n.v. [bedrijf 3] met

rekeningnummer [rekeningnummer 3] naar de rekening t.n.v. [bedrijf 2] , p. 2243/3970),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op

voornoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was/waren en/of wie voornoemde

voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had(den)

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt,

terwijl [medeverdachte] en/of een of een of meerdere ander(en) wist(en) dat dat/die

voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 juni

2014 tot en met 31 januari 2015 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- een of meerdere contanten geldbedrag(en) van [medeverdachte] in ontvangst te nemen en/of

- ( vervolgens) het ter beschikking stellen van een of meerdere rekeningen van zijn bedrijven

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 3] aan [medeverdachte] en/of een of meerdere ander(en) door

van bovengenoemde rekeningen t.n.v. [bedrijf 1] een geldbedrag van in totaal

(ongeveer) 733.066,78 euro en/of van bovengenoemde rekening t.n.v. [bedrijf 3] een

geldbedrag van in totaal (ongeveer) 189.840,49 euro onder vermelding van een valse

omschrijving over te (laten) maken naar de rekening t.n.v. [bedrijf 2] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Feiten en omstandigheden

In de periode van 27 juni 2014 tot en met 5 december 2014 is door middel van verschillende overboekingen een totaalbedrag van ruim negen ton euro overgemaakt van bankrekeningen op naam van [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1] ) en [bedrijf 3] (hierna [bedrijf 3] ), inactieve vennootschappen waar verdachte (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder van was (p.3862-3863), naar een bankrekening ten name van [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2] ), een lege vennootschap die door medeverdachte [medeverdachte] werd gebruikt voor het op grote schaal witwassen van misdaadgeld. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat [bedrijf 1] in zwaar weer terecht was gekomen door het wegvallen van een belangrijke klant (p. 3862). Via iemand anders kwam verdachte in contact met [medeverdachte] . Hij zou de bankrekeningen gaan gebruiken (p. 3863). Een van de oplossingen die [medeverdachte] voorstelde was belastingfraude (p. 3864). [bedrijf 1] werd op naam van [naam] gezet (p. 3650).

Later vroeg [medeverdachte] of de verdachte nog een bedrijf had. Aangezien er in [bedrijf 3] geen activiteiten meer zaten heeft hij dat bedrijf overgedragen aan [medeverdachte] . [medeverdachte] vroeg specifiek naar bedrijven waar bankpassen/bankrekeningen aan gekoppeld waren. De rest interesseerde [medeverdachte] eigenlijk niet (p.3863). [medeverdachte] was degene die aan verdachte vroeg of er een bankrekening aan het bedrijf was gekoppeld.

[medeverdachte] gaf verdachte contant geld waarmee verdachte zijn werknemers zwart kon uitbetalen (p. 3864). Als tegenprestatie maakte verdachte via zijn vennootschappen [bedrijf 3] en [bedrijf 1] geld over naar de bedrijfsrekening van Marokimpex. Het vanuit [bedrijf 3] en [bedrijf 1] door verdachte overgemaakte geld was afkomstig uit twee andere vennootschappen van verdachte [bedrijf 4] (verder [bedrijf 4] ) en [bedrijf 5] (verder [bedrijf 5] ) (p. 3864 en 3865 en overzicht overboekingen overgelegd door verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg). Er werden fictieve factuurnummers vermeld bij deze overboekingen om de betalingen een legitieme schijn te geven (p. 3865). Verdachte heeft [medeverdachte] gevraagd om een factuur, maar [medeverdachte] zei dat er geen factuur was, maar verdachte kreeg van hem wel een factuurnummer wat hij kon gebruiken bij de overboekingen. Naast de van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] afkomstige gelden werden op de rekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] ook door anderen dan verdachte geld gestort dat eveneens werd doorgeboekt naar [bedrijf 2] (p. 3864).

Bewijsoverwegingen

Opzet op criminele herkomst

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad dat het tenlastegelegde bedrag van enig misdrijf afkomstig was. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat, omdat verdachte er vanuit ging dat het geld dat hij van [medeverdachte] ontving afkomstig was van belastingfraude, slechts het belastingnadeel, door de raadsvrouw geschat op 50%, in aanmerking genomen kan worden als zijnde van misdrijf afkomstig, omdat – zo begrijpt het hof het verweer van de raadsvrouw – verdachte slechts voor dat gedeelte opzet op het van misdrijf afkomstig zijn heeft gehad. Voor het overige deel dient verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

[medeverdachte] ontving in 2009 tot en met 2013 een UWV uitkering van jaarlijks circa € 18.000 bruto. In 2014 ontving hij tot 28 mei 2014 een bedrag van circa € 4.000 (p.235-236)

De door [medeverdachte] aan verdachte overgedragen contante gelden en de overige stortingen op de rekening van [bedrijf 1] , die op zich een vermoeden van witwassen opleveren en die blijkens het dossier deel uitmaken van een stroom stortingen en overboekingen ruim 12 miljoen euro, kunnen niet verklaard worden uit [medeverdachte] ’s inkomsten uit zijn UWV-uitkering. [medeverdachte] heeft geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van deze geldbedragen. Het vermoeden van witwassen is hierdoor niet weerlegd.

De vraag is of verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld dat [medeverdachte] contant aan verdachte gaf en het geld dat [medeverdachte] zelf via [bedrijf 1] op de rekening van [bedrijf 2] overmaakte van misdrijf afkomstig was.

Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat [medeverdachte] zou sjoemelen met de boeken en belastingen. De bedoeling was, dat is verdachte ook verteld, dat de financiële problemen van verdachte konden worden opgelost. Dat was niet de nette oplossing (verklaring verdachte in eerste aanleg). Ten aanzien van het contante geld dat hij ontving heeft verdachte aan [medeverdachte] gevraagd waar het geld vandaan kwam, waarop [medeverdachte] heeft gezegd dat het geld van de markt kwam (p. 3865) en hij heeft het ook gehad over de im- en export van spullen (p. 3870).

[medeverdachte] heeft samen met verdachte een belastingfraudeconstructie opgezet (p. 3864) waarbij verdachte van [medeverdachte] contanten ontving om deze vervolgens als zwart loon uit te betalen aan zijn werknemers en verdachte als tegenprestatie daarvoor met zijn vennootschappen fictieve facturen (inclusief omzetbelasting) zou betalen. Verdachte kende [medeverdachte] maar kort en heeft geen onderzoek gedaan naar [medeverdachte] of [bedrijf 2] . Zo’n onderzoek zou meer vragen hebben opgeroepen dan beantwoorden; het ging immers om een vennootschap waarin geen onderneming werd gedreven, die op naam stond van een katvanger, die was gevestigd op het adres van een garagebox in Badhoevedorp en die uitsluitend is gebruikt om geld wit te wassen. Verdachte spreekt telefonisch in versluierd taalgebruik met [medeverdachte] over de bankbiljetten die hij wilde ontvangen. Hij wilde ‘grote jongens’ en doelde daarmee op biljetten van 50 en 100 euro. Via zijn privérekening heeft verdachte inzage gehad in de rekening van [bedrijf 1] en heeft hij gezien dat [medeverdachte] druk bezig was met het via [bedrijf 1] verrichten van overboekingen naar [bedrijf 2] (p. 3864 en proces-verbaal rechtbank Amsterdam 17 en 20 februari 2017, pagina 6). Verdachte moet op dat moment ook geweten en gezien hebben dat er ook stortingen vanuit andere bedrijven binnenkwamen die de betalingen door [medeverdachte] aan [bedrijf 2] mogelijk maakten, terwijl verdachte wist dat er binnen [bedrijf 1] geen sprake (meer) was van reguliere bedrijfsactiviteiten die ontvangsten of het betalen van facturen zouden kunnen rechtvaardigen.

Bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd brengen het hof tot het oordeel dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de contante gelden en de door [medeverdachte] overgeboekte gelden geheel uit enig misdrijf afkomstig waren. Het hof verwerpt daarmee ook het meer subsidiaire verweer van de raadsvrouw.

Verdachte ontving contant geld van [medeverdachte] en betaalde hem terug door het overmaken van geld uit de omzet van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] op de rekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . Dat dat geld kennelijk afkomstig is uit omzet van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] maakt de conclusie dat het geld van misdrijf afkomstig is niet anders. Het overboeken van de girale bedragen was immers de tegenprestatie voor de ontvangst van uit misdrijf verkregen contanten. Crimineel contant geld werd omgezet in giraal geld.

Overboekingen

In totaal zijn de volgende bedragen via [bedrijf 1] en [bedrijf 3] op de rekening van [bedrijf 2] overgeboekt (p. 4434 t/m 4439).

Periode

Naam

Bankrekening

Totaal bedrag

27-06-2014 t/m 28-11-2014

[bedrijf 1]

608027782

€ 415.700,00

18-07-2014 t/m 05-12-2014

[bedrijf 1]

547946406

€ 16.598,78

19-09-2014 t/m 05-12-2014

[bedrijf 1]

103751807

€ 300.768,00

Totaal ontvangen

€ 733.066,78

17-10-2014 t/m 5-12-2014

[bedrijf 3]

596934068

€ 189.840,49

Medeplegen overboekingen via [bedrijf 3]

Verdachte heeft over het bedrag van € 189.840,49 dat van [bedrijf 3] naar [bedrijf 2] is overgeboekt in eerste aanleg (en p. 3870) verklaard dat hij dat bedrag zelf heeft overgeboekt. Het hof zal de verdachte dan ook, mede in het licht van het hiervoor over de opzet op de criminele herkomst overwogene, veroordelen voor het medeplegen van het witwassen (verhullen de werkelijke aard en de herkomst en de bedragen voorhanden gehad, overgedragen en omgezet) van deze geldbedragen.

Overboekingen via [bedrijf 1] – eigen overboekingen

Aan verdachte is ten aanzien van drie [bedrijf 1] -bankrekeningen tenlastegelegd het medeplegen van witwassen en/of de medeplichtigheid aan witwassen. Al voor de overdacht van [bedrijf 1] gaf verdachte [medeverdachte] toegang tot de bedrijfsbankrekeningen van [bedrijf 1] (p. 3863 en 3864). Op 12 september 2014 is [bedrijf 1] overgedragen aan Ihsan [naam] . Verdachte had via zijn privé-rekening nog enige tijd inzage in een bedrijfsrekening van [bedrijf 1] en heeft gezien dat [medeverdachte] druk bezig was met overboekingen. Van [medeverdachte] kreeg verdachte te horen welke bedragen hij zelf moest overmaken van [bedrijf 1] naar [bedrijf 2] (verklaring verdachte eerste aanleg, proces-verbaal rechtbank Amsterdam 17 en 20 februari 2017, pagina 6).

Op de ABN AMRO bankrekening [rekeningnummer 4] van [bedrijf 2] is in totaal € 733.066,78 ontvangen van diverse rekeningen van [bedrijf 1] . Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg een overzicht overgelegd van de bedragen die hij via [bedrijf 5] (€105.973,90 -/- € 47.924,65 naar [bedrijf 3] =

€ 58.049,25 naar [bedrijf 1] ) en [bedrijf 4] (€ 250.741,70 -/- € 24.480,12 naar [bedrijf 3] = € 226.261,58) heeft overgeboekt naar [bedrijf 1] en heeft daarbij verklaard dat hij deze bedragen ook zelf heeft doorgeboekt naar [bedrijf 2] . Het hof zal de verdachte veroordelen voor het medeplegen van het witwassen van deze geldbedragen.

Dan resteert nog een bedrag van € 733.066,78 -/- €58.049,25 -/- € 226.261,58 = € 448.755,95 dat door anderen dan verdachte via de rekeningen van [bedrijf 1] is geboekt en vervolgens is overgemaakt naar [bedrijf 2] . Deze overboekingen vonden plaats zowel voor als na de overdracht van [bedrijf 1] op 12 september 2014.

Overboekingen door anderen voor de overdracht van [bedrijf 1]

Verdachte gaf [medeverdachte] nog voor de werkelijke overdracht van [bedrijf 1] op 12 september 2014 toegang tot de bankrekeningen van [bedrijf 1] door het overhandigen van zijn bankpassen en de bijbehorende pincodes, zonder dat [medeverdachte] formeel aan de BV verbonden was of zou worden. Verdachte had via zijn privérekening nog inzage in de rekeningen van [bedrijf 1] en heeft gezien dat [medeverdachte] druk bezig was met het via [bedrijf 1] verrichten van overboekingen naar [bedrijf 2] , overboekingen waarvan de werkelijke aard en herkomst, werden verhuld. Het hof zal verdachte vrijspreken van het witwassen door het medeplegen van het verwerven en/of overgedragen en/of omzetten en/of gebruik maken van deze geldbedragen omdat verdachte noch bij het maken van de plannen, noch bij de uitvoering van deze overboekingen betrokken is geweest.

Dat is anders ten aanzien van het voorhanden hebben van deze van misdrijf afkomstige geldbedragen. Verdachte bleef tot de overdracht op 12 september 2014 bestuurder van de BV en handelingsbevoegde ten aanzien van de bankrekeningen en had daarmee nog steeds een zodanige (formele en) feitelijke zeggenschap over de bankrekeningen, en daarmee over het geld op die rekening, dat hij dit geld naar ’s hofs oordeel voorhanden heeft gehad in de zin van art. 420bis Sr. Vanuit die hoedanigheden zou hij immers, zo acht het hof een feit van algemene bekendheid, de eerder afgegeven bankpassen kunnen blokkeren, nieuwe bankpassen kunnen aanvragen of de bankrekeningen kunnen blokkeren, dan wel op andere wijze, bijvoorbeeld door opname bij een bankfiliaal over het tegoed op de bankrekeningen kunnen beschikken. Het hof veroordeelt verdachte dan ook voor het medeplegen van witwassen door het voorhanden hebben van geldbedragen en het verhullen van de herkomst daarvan voor zover het om geldbedragen gaat die op die rekeningen voorhanden waren voor 12 september 2014.

Overboekingen door anderen na de overdracht van [bedrijf 1]

Ook ten aanzien van de door anderen verrichte overboekingen na de overdracht van [bedrijf 1] zal het hof de verdachte vrijspreken van medeplegen van het verwerven en/of overgedragen en/of omzetten en/of gebruik maken van deze geldbedragen. Ook voor deze overboekingen geldt dat verdachte noch bij het maken van de plannen, noch bij de uitvoering betrokken is geweest. Het hof zal de verdachte voor deze overboekingen echter ook vrijspreken voor het medeplegen van het voorhanden hebben van deze geldbedragen omdat de verdachte na de datum van overdracht geen (formele en) feitelijke zeggenschap meer over (de bankrekeningen van) [bedrijf 1] had.
Het hof veroordeelt verdachte wel voor medeplichtigheid ten aanzien van deze overboekingen door [bedrijf 1] nu hij zijn bedrijfsrekeningen aan [medeverdachte] ter beschikking heeft gesteld. Het hof merkt daarbij op dat verdachte al voor de overdracht van [bedrijf 1] wist dat [medeverdachte] overboekingen deed naar [bedrijf 2] vanaf de rekeningen van [bedrijf 1] en verdachte met die wetenschap toch is overgegaan tot de overdracht van de aandelen van [bedrijf 1] met de daarbij behorende bankrekeningen.

Gevolgen voor de bewezenverklaring van de [bedrijf 1] bankrekeningen

Ten aanzien van de overboekingen op bankrekening [rekeningnummer 6] (totaal overboekingen € 300.768,00) zal het hof de verdachte veroordelen voor medeplichtigheid aan witwassen, nu alle transacties op deze rekening na de datum van overdracht zijn uitgevoerd door anderen dan verdachte.

Ten aanzien van de bankrekening [rekeningnummer 7] (€ 415.700,00) zal het hof een onderscheid maken tussen de door verdachte volgens zijn opgaaf zelf verrichte overboekingen van totaal € 284.310,83 (€ 58.049,25 via [bedrijf 5] en € 226.261,58 via [bedrijf 4] ) en de door anderen verrichte overboekingen. Voor de door de verdachte verrichte overboekingen veroordeelt het hof verdachte voor het medeplegen van witwassen door het verwerven en/of overgedragen en/of omzetten en/of voorhanden hebben van deze geldbedragen.

De door anderen verrichte overboekingen van bankrekening [rekeningnummer 7] betreffen een bedrag van € 415.700,00 -/- € 284.310,83 = € 131.389,17. Nu op basis van het dossier niet duidelijk is welk deel van dit bedrag voor dan wel na de overdracht van [bedrijf 1] is overgemaakt zal het hof verdachte vrijspreken voor het medeplegen van witwassen door het voorhanden hebben van deze geldbedragen voor de overdracht, maar verdachte voor dit geldbedrag veroordelen voor medeplichtigheid aan het witwassen door het ter beschikking stellen van [bedrijf 1] en zijn bankrekeningen.

Ten aanzien van de bankrekening [rekeningnummer 5] (€ 16.598,78) zal het hof een onderscheid maken tussen de door anderen verrichte overboekingen voor de overdracht van [bedrijf 1] , een bedrag van in totaal € 14.798,30 (p. 4438) en de overboekingen na de overdracht van [bedrijf 1] , een bedrag van € 1.800,48. Het hof veroordeelt de verdachte voor het medeplegen van witwassen door het voorhanden hebben van € 14.798,30. Voor de door anderen verrichte overboekingen na de overdracht van [bedrijf 1] , een bedrag van € 1.800,48 (p. 4438), veroordeelt het hof de verdachte voor de medeplichtigheid ten aanzien van het witwassen van dit geldbedrag.

Resumerend levert dat het volgende op:

Bankreknr.

Totaal overgeboekt

Medeplegen overboeken

Medeplegen voorhanden

Medeplichtigheid

[bedrijf 1] [rekeningnummer 6]

€ 300.768,00

€ 300.768,00

[bedrijf 1] [rekeningnummer 7]

€ 415.700,00

€ 284.310,83

€ 131.389,17

[bedrijf 1] [rekeningnummer 5]

€ 16.598,78

€ 14.798,30

€ 1.800,48

subtotaal

€ 733.066,78

€ 284.310,83

€ 14.798,30

€ 433.957,65

[bedrijf 3]

€ 189.840,49

€ 189.840,49

totaal

€ 922.907,27

€ 474.151,32

€ 14.798,30

€ 433.957,65

Gewoontewitwassen

Gelet op het structurele karakter van het witwassen, in het bijzonder de lange periode en het grote aantal transacties, oordeelt het hof dat sprake is van gewoontewitwassen ten aanzien van het medeplegen van het overboeken en de medeplichtigheid.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

in de periode van 1 juni 2014 tot en met 5 december 2014 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader (van) meerdere geldbedragen, te weten:

- in de periode van 25 juni 2014 tot en met 5 december 2014 een geldbedrag van in totaal 284.310,83 euro, overgemaakt van de rekeningen t.n.v. [bedrijf 1] naar de rekening t.n.v. [bedrijf 2] (p. 2846/3970),

- in de periode van 13 oktober 2014 tot en met 3 december 2014 een geldbedrag van in totaal 189.840,49 euro, overgemaakt van de rekening t.n.v. [bedrijf 3] naar de rekening t.n.v. [bedrijf 2] (p. 2843/3970),

de werkelijke aard en de herkomst, verhuld en

voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij en zijn mededader wisten dat die geldbedragen - - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

en

in de periode van 1 juni 2014 tot en met 12 september 2014 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader (van) meerdere geldbedragen, te weten:

- in de periode van 25 juni 2014 tot en met 11 september 2014 een geldbedrag van in totaal 14.798,30 euro de werkelijke aard en de herkomst, verhuld en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

en

[medeverdachte] in de periode van 1 juni 2014 tot en met 5 december 2014 te Amsterdam althans

in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt immers heeft [medeverdachte] van meerdere geldbedrag(en), te weten:

- in of omstreeks de periode van 25 juni 2014 tot en met 5 december 2014 een geldbedrag van

in totaal 433.957,65 euro overgemaakt van de rekeningen t.n.v. [bedrijf 1] naar de rekening t.n.v. [bedrijf 2] , (p. 2846/3970),

de werkelijke aard, de herkomst, verborgen en verhuld en voornoemde geldbedragen verworven en voorhanden gehad en overgedragen, terwijl [medeverdachte] wist dat die geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 juni

2014 tot en met 5 december 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk, middelen heeft verschaft door:

- het ter beschikking stellen van meerdere rekeningen van zijn bedrijven [bedrijf 1] aan [medeverdachte]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen

en

medeplegen van witwassen

en

medeplichtigheid aan gewoontewitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

De verdediging heeft verzocht om bij enige bewezenverklaring af te wijken van de oriëntatiepunten bij fraudezaken. De raadsvrouw ziet daartoe reden in de – indien bewezen – beperkte rol van verdachte, zijn proceshouding en zijn persoonlijke omstandigheden. Ook de beweegredenen van verdachte om met [medeverdachte] in zee te gaan, namelijk de nadelige positie waarin hij met zijn bedrijf verkeerde door toedoen van PostNL, moeten worden meegewogen, aldus de raadsvrouw.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van en medeplichtigheid aan gewoontewitwassen en aan witwassen. Gedurende een periode van ruim een half jaar heeft hij zijn bedrijf(srekeningen) ter beschikking gesteld aan [medeverdachte] en bijgedragen aan een witwasconstructie waarmee ruim negen ton euro is witgewassen.

Witwassen, in het bijzonder gewoontewitwassen, is een zeer ernstig feit omdat daarmee het (vertrouwen in het) economisch verkeer wordt geschaad en omdat het bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Het witwassen van geld is bedoeld om de schijn te wekken dat geld uit strafbare feiten een legale herkomst heeft. Het overdragen en besteden van dit criminele geld wordt hierdoor gemakkelijk gemaakt.

Er is geen specifiek LOVS-oriëntatiepunt met betrekking tot witwassen. Het oriëntatiepunt Fraude is van toepassing verklaard op witwassen, indien dit in een frauduleuze context heeft plaatsgevonden. Deze frauduleuze context is naar het oordeel van het hof aanwezig nu het witwassen voor een belangrijk deel gepaard ging met valse facturen en belastingfraude. In het geval van verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het gewoontewitwassen van bijna 500.000 euro en medeplichtigheid aan het gewoontewitwassen van ruim 400.000 euro is op basis van het LOVS-oriëntatiepunt Fraude als uitgangspunt voor alleen het medeplegen van gewoontewitwassen een straf in de orde van grootte van 16 maanden geïndiceerd.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij fouten heeft gemaakt onder druk van het wegvallen van een grote klant bij een van zijn bedrijven. De verdediging en het Openbaar Ministerie hebben beide de nadruk gelegd op het feit dat verdachte met zijn bedrijven uit nood met [medeverdachte] in zee is gegaan.

Het hof weegt ten voordele van verdachte mee dat hij vanaf het begin volledige openheid van zaken heeft gegeven en blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 april 2019 niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld.

Het hof ziet echter gezien de ernst van de feiten geen aanleiding om een andere dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Overschrijding van de redelijke termijn

De redelijke termijn van berechting vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Gelet op de gang van zaken is dat in dit deze zaak 17 februari 2015, de datum van het eerste verhoor van verdachte. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 6 maart 2017 en het hof wijst arrest op 19 juni 2019 ofwel vier jaren en 4 maanden na aanvang van de termijn. Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn daarmee met vier maanden is overschreden en zal het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf om die reden verminderen met één maand.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 48, 57, 63, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P. Greve en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juni 2019.

[…]