Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:196

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
23-005313-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Celtic-zaak: vervolging voetbalsupporters voor openlijke geweldpleging na ongeregeldheden voorafgaand aan Ajax-Celtic op 6 november 2013. Openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in vervolging Celtic-supporter op de voet van artikel 359a Sv wegens ernstige schending verbaliseringsplicht, die vastgesteld kon worden aan de hand van in een zeer laat stadium aan het dossier toegevoegde camerabeelden. Politie treft verwijt onjuiste verslaglegging ten aanzien van de kern van waar het in deze strafzaak om gaat. De met vervolging belaste ambtenaren treft het verwijt er onvoldoende zorg voor te hebben gedragen dat de door politieambtenaren vervaardigde camerabeelden tijdig aan het dossier konden worden toegevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-005313-13

datum uitspraak: 25 januari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 november 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-703467-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedag] 1984,

adres: [adres] (Verenigd Koninkrijk).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 en 11 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 november 2013 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Dam, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisant(en) (waaronder [verbalisant] (werkzaam als brigadier van politie Amsterdam-Amstelland)), welk geweld bestond uit het

- eenmaal of meermalen (met kracht) gooien en/of werpen van een of meer (vol(le)) blikje(s) bier en/of een of meer fles(sen), in elk geval een of meer hard(e) voorwerp(en)) in de richting van een of meer verbalisant(en) en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist(en)) slaan en/of stompen tegen het lichaam van een of meer verbalisant(en).

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing dan de politierechter komt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Inleiding

Op 6 november 2013 vond de voetbalwedstrijd Ajax-Celtic plaats. In de loop van die middag verzamelden zich honderden Celtic-supporters op de Dam in Amsterdam. Aanvankelijk was de sfeer goed. Aan het einde van de middag, omstreeks half zes, sloeg deze plotseling om. Het wegnemen door Ajax-supporters van een vlag van Celtic-supporters lijkt daarvoor de directe aanleiding te zijn geweest. Toen de hierbij aangehouden Ajax-supporters in de Damstraat met leden van de Mobiele Eenheid (ME) wachtten op vervoer, begon een menigte Celtic-supporters agressief te schreeuwen richting de leden van de geüniformeerde politie en de ME. Het overgrote deel van deze supporters leek op dat moment behoorlijk onder invloed van alcohol te zijn. De sfeer werd zeer grimmig en er braken ernstige ongeregeldheden uit. Door de Celtic-supporters zijn in de richting van de ME en de geüniformeerde politie bierflessen, wijnflessen, volle bierblikjes en andere goederen gegooid. Om de situatie onder controle te krijgen, voerde de ME charges uit en verrichtten leden van de gespecialiseerde Aanhoudingseenheid (AE), die onderdeel vormt van de ME, in burgerkleding aanhoudingen. Zij hebben daarbij geweld toegepast. Acht politieambtenaren zijn gewond geraakt,1 ofwel als gevolg van in hun richting gegooide voorwerpen, zoals bierblikjes,2 ofwel door fysiek geweld zoals vuistslagen in het gezicht.3

Een aantal aangehouden Celtic-supporters is vervolgd op grond van het verwijt dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan openlijke geweldpleging, zoals strafbaar gesteld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is de enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, daarvoor niet zonder meer voldoende. Voor een veroordeling moet kort gezegd vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn (HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1093). Daarmee draait het in deze strafrechtelijke procedures om de vraag naar de precieze bijdrage aan het geweld van deze verdachten.

Het bewijs tegen de verdachte

De kern van het tegen de verdachte bestaande belastende bewijsmateriaal aangaande zijn bijdrage aan het geweld bestaat uit:

a. het proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2013 van [verbalisant], lid van AE Romeo 40, dat inhoudt, kort samengevat, dat tegen hem, terwijl hij een aanhouding wilde verrichten, geweld is gebruikt door een nadien aangehouden man die [verdachte] bleek te zijn, de verdachte in deze zaak. Over dat geweld houdt dit proces-verbaal in:

“Op het moment dat ik deze aanhouding wilde doen zag en voelde ik dat ik opzettelijk en met kracht meerdere vuistslagen op mijn hoofd kreeg waarvan tenminste één vuistslag in mijn gezicht werd geslagen. Ik voelde dat ik een diepe wond had aan mijn onderlip. Doordat de verdachte schuin achter mij stond, heb ik deze vuistslagen niet zien aankomen en heb ik de persoon ook niet gezien. Gedurende het slaan van deze verdachte naar mij vonden er zeer veel vernielingen en openlijke geweldplegingen plaats. Het was te gevaarlijk om te blijven staan en ik heb een veilige plek opgezocht bij een dienstvoertuig. Op dat moment zag ik dat collega [naam 2] met een verdachte aan kwam lopen en mij meedeelde: “deze persoon heeft (naar het hof begrijpt: jou zojuist geslagen)”. De verdachte bleek later te zijn genaamd [verdachte], geboren op [geboortedag] 1984 te Belfast.”, en

b. het proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2013 van [naam 1] en [naam 2], leden van de AE Romeo 10, dat voor zover van belang inhoudt:

“Wij konden van dichtbij goede waarnemingen doen. Plotseling zagen wij dat de later aangehouden verdachte openlijk in vereniging geweld pleegde. Wij zagen dat het geweld gericht was tegen collega [verbalisant]. De verdachte bevond zich op dat moment op een afstand van 3 meter bij ons vandaan. De verdachte bleek later te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [.....]1984 te Belfast. Wij zagen namelijk dat de collega [verbalisant], samen met de collega’s van de Romeo 40, bezig was met het aanhouden van een verdachte. Vervolgens zagen wij dat de verdachte [verdachte] met gebalde vuisten meerdere malen in het gelaat van collega [verbalisant] stompte. Wij zagen dat de verdachte [verdachte] dit meerdere malen met kracht deed. Wij zagen dat de verdachte [verdachte] schuin achter de collega [verbalisant] stond op nog geen 1 meter afstand.

Direct hierop hebben wij de verdachte [verdachte] aangehouden, omstreeks 17.55 uur. Tijdens de aanhouding van de verdachte [verdachte] verzette deze zich hevig. Wij probeerden verdachte [verdachte] onder controle te krijgen middels de aangeleerde aanhoudingstechnieken. Wij voelden dat [verdachte] met kracht zijn armen los probeerde te trekken. Hierop hebben wij meerdere malen de verdachte een klap gegeven om zijn verzet te doen stoppen.”

Volgens daarvan opgemaakte meldingsformulieren geweldsaanwending is de verdachte door [naam 1] met een vuist geslagen, heeft hij van [naam 2] met kracht een knietje in zijn gelaat gekregen en heeft [naam 3] hem eerst stompen en daarna knietjes tegen zijn lichaam gegeven.4

De procedurele gang van zaken

De verdachte is op 6 november 2013 in verzekering gesteld. In zijn verhoor door de politie heeft de verdachte verklaard dat hij heeft geprobeerd een man van een andere man te trekken en dat hij niemand heeft kunnen slaan of schoppen omdat hij tegen de grond werd gedrukt door vier of vijf mannen.

De rechter-commissaris heeft ernstige bezwaren tegen de verdachte aanwezig geacht op basis van de toenmalige inhoud van het dossier en heeft de vordering tot inbewaringstelling op 8 november 2013 toegewezen.

De politierechter heeft na een snelrechtzitting kort gezegd bewezen verklaard dat de verdachte meermalen met kracht heeft gestompt tegen het lichaam van [verbalisant] en hem wegens openlijke geweldpleging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Als bewijsmiddelen heeft de politierechter alleen de onder a. en b. genoemde processen-verbaal gebruikt. De vordering van de benadeelde partij [verbalisant] is door de politierechter gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte is een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr opgelegd. De politierechter heeft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

In hoger beroep heeft de verdediging bij de regie-zitting van 1 december 2015 verzocht getuigen te horen en na te gaan of er, naast de door de verdediging in het geding gebrachte door de particulier [naam 4] vervaardigde camerabeelden, andere camerabeelden bestaan van de ongeregeldheden. Het hof heeft een aantal getuigenverzoeken toegewezen en de advocaat-generaal heeft toegezegd na te gaan bij de in eerste aanleg betrokken officier van justitie of relevante camerabeelden beschikbaar waren. Die toezegging heeft geleid tot een proces-verbaal van bevindingen van brigadier [naam 5] van 6 september 2016 dat inhoudt dat door [naam 6], werkzaam bij de districtsrecherche Centrum/Noord onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van camerabeelden, met een negatief resultaat.

Door de raadsheer-commissaris is een aantal leden van de AE gehoord. Daaruit kwam naar voren dat er tijdens de ongeregeldheden beeldmateriaal is vervaardigd door een of meer video-eenheden van de AE, waaronder de ploeg met de naam Lima 20, bestaande uit twee cameramensen, twee afschermers en een commandant.5 Het doel van de video-eenheden is opnames te maken van risicosituaties, incidenten en van het eigen optreden van de AE.6

Op een tweede regie-zitting van 28 juni 2017 heeft het hof naar aanleiding van bovenstaande nieuwe informatie onder meer de advocaat-generaal verzocht nader onderzoek te laten doen naar eventueel nog beschikbare camerabeelden. Dit heeft geleid tot een proces-verbaal van bevindingen van inspecteur van politie [naam 7] van 8 augustus 2017, waarin hij meedeelt dat in het archief van het team dat destijds is geformeerd om de aangiften in deze zaak af te handelen geen beeldmateriaal is aangetroffen, maar dat hij zich herinnerde dat destijds beeldmateriaal werd bewaard bij het voetbal- en evenemententeam aan de Flierbosdreef te Amsterdam. Op een harde schijf van een computer van dit team is vervolgens beeldmateriaal teruggevonden. Dit beeldmateriaal is aan de advocaat-generaal, de verdediging en het hof ter beschikking gesteld als bestanden met de namen video1 en video2.

Ter terechtzitting van 10 januari 2019 zijn alle voormelde camerabeelden bekeken. De door [naam 4] vervaardigde camerabeelden zijn bekeken in een door de verdediging beschikbaar gestelde vorm, waarbij deze met behulp van software beeld voor beeld konden worden bekeken. De bij het voetbal- en evenemententeam teruggevonden beelden zijn mede bestudeerd aan de hand van door de advocaat-generaal daarvan vervaardigde screenshots van video2 die aan het dossier zijn toegevoegd.

Nu het dossier geen aanknopingspunt biedt voor een ander oordeel en de situatie op de beelden van [naam 4] aansluit bij de beschrijving van [naam 1] en [naam 2] in hun hiervoor geciteerde proces-verbaal, stelt het hof vast dat deze op camerabeelden het moment is vastgelegd waarop [naam 1] en [naam 2] tot aanhouding van de verdachte [verdachte] overgaan, zodat direct daaraan voorafgaand het geweld tegen [verbalisant] moet zijn toegepast. Een nauwgezette bestudering van deze camerabeelden (in samenhang met de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van [naam 8] van 9 januari 2019, betreffende de herkenning van [verbalisant], [naam 1] en [naam 2] op deze beelden) brengt het hof tot de vaststelling dat de verdachte niet degene kan zijn geweest die [verbalisant] op het hier bedoelde moment heeft geslagen. Uit die beelden volgt namelijk dat [verbalisant] zich niet in de buurt van [verdachte], [naam 1] en [naam 2] bevond op het moment van aanhouding van [verdachte]. Ook is op de beelden te zien dat [verbalisant] is geslagen door iemand met een lichte broek, terwijl de verdachte niet een dergelijke broek droeg. Aldus is vast komen te staan dat het onder b. geciteerde proces-verbaal van [naam 2] en [naam 1] feitelijke onjuistheden bevat ten aanzien van de daarin beschreven geweldshandelingen van de verdachte.

Standpunten van advocaat-generaal en verdediging

De advocaat-generaal in zijn requisitoir en de raadsman in zijn pleidooi hebben beiden het standpunt ingenomen dat het openbaar ministerie op de voet van artikel 359a Sv niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat een zorgvuldige verslaglegging van de feiten het cement vormt van elke strafzaak en dat in beginsel uitgegaan moet kunnen worden van de juistheid van processen-verbaal van politieambtenaren. Hij heeft daarbij opgemerkt dat voor afwijkingen op detailpunten begrip zou kunnen worden opgebracht in het licht van de omstandigheden waaronder in deze zaak de waarnemingen zijn gedaan. Van afwijkingen op detailpunten is echter naar de opvatting van de advocaat-generaal geen sprake. De ernst van de geconstateerde gebreken in het proces-verbaal van [naam 2] en [naam 1] alsook in enkele andere processen-verbaal die deel uitmaken van het dossier, brengt de advocaat-generaal tot zijn vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. De raadsman heeft zich daarbij aangesloten en ter adstructie naar voren gebracht dat zijns inziens tevens sprake is van disproportioneel geweld tegen de verdachte, terwijl niet van alle geweldshandelingen geweldrapportages zijn opgemaakt, en geen onafhankelijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

.

Beoordeling door het hof

Het hof heeft oog voor de moeilijke omstandigheden waaronder in de onderhavige zaak de ME, de AE en de geüniformeerde politie hun werk hebben moeten doen. Buiten twijfel staat dat vanuit een grote, agressieve en onder invloed van alcohol verkerende groep voetbalsupporters, met flessen en blikjes in de richting van deze overheidsdienaren is gegooid. Daardoor ontstond een chaotische en gevaarlijke situatie waarin een aantal politieambtenaren ook daadwerkelijk gewond is geraakt. Die situatie noodzaakte tot daadkrachtig optreden. Daar komt bij dat, naar het zich laat aanzien, de verdachte is aangehouden in het brandpunt van de ongeregeldheden in een stadium waarin deze al enige tijd aan de gang waren. In zoverre heeft hij de schijn tegen.

Deze chaotische en gevaarlijke werkomstandigheden doen evenwel niet af aan de hoge eisen die op grond van artikel 152 Sv moeten worden gesteld aan de schriftelijke verslaglegging door politieambtenaren van door hen waargenomen gedragingen van een concrete verdachte. Dat geldt temeer omdat van de juistheid van hetgeen een politieambtenaar in een op ambtseed/belofte opgemaakt proces-verbaal als zijn bevindingen neerlegt, in beginsel moet kunnen worden uitgegaan. ‘In beginsel’, want vergissingen of interpretatieverschillen zijn mogelijk en menselijk, zodat reeds om die reden de bevindingen van politieambtenaren in een strafrechtelijke procedure ter discussie moeten kunnen worden gesteld. Echter, zonder serieus te nemen aanwijzingen dat sprake is van gebreken in de verslaglegging door een politieambtenaar, moet de strafrechter zich daarop kunnen verlaten. Als dat niet meer kan, stort de strafrechtspleging als een kaartenhuis in elkaar.

Mede aan de hand van in een zeer laat stadium beschikbaar gekomen, door politieambtenaren op 6 november 2013 vervaardigde camerabeelden, is vast komen te staan dat de verdachte [verbalisant] niet heeft geslagen zoals door [naam 1] en [naam 2] is geverbaliseerd. Gezien het aan de verdachte in deze strafzaak gemaakte verwijt en de aan het bewijs van openlijke geweldpleging gestelde eisen, betreft deze onjuistheid in dit proces-verbaal de kern van deze strafzaak. Dat maakt dat naar het oordeel van het hof sprake is van een zeer ernstige schending van artikel 152 Sv. Deze onjuistheid heeft voor de verdachte ingrijpende, zeer nadelige gevolgen gehad. Betwijfeld kan worden of tot vervolging van de verdachte zou zijn overgegaan indien dit proces-verbaal niet de voormelde onjuistheid zou hebben bevat. Zij heeft er in ieder geval, naar nu blijkt: ten onrechte, toe geleid dat de verdachte in bewaring is gesteld door de rechter-commissaris en door de politierechter is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.

In de zaken onder de parketnummers 23-005311-13 en 23-005312-13 tegen twee andere vervolgde Celtic-supporters, waarin het hof vandaag eveneens uitspraak doet en waarvan de processen-verbaal onderdeel uitmaken van onderhavig dossier, is na bestudering van de camerabeelden gebleken van vergelijkbare – aan de kern van het die verdachten gemaakte strafrechtelijke verwijt rakende – onjuistheden in de verbalisering, met vergelijkbare gevolgen.

Welk rechtsgevolg moet aan het vormverzuim in de zaak tegen de verdachte worden verbonden? Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt, afgezien van de in de wet geregelde gevallen, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking. Als het gaat om een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv - dus een onherstelbaar vormverzuim dat is begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit - is voor dat rechtsgevolg volgens de rechtspraak van de Hoge Raad alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533).

Dat aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, staat naar het oordeel van het hof op grond van het vorenstaande vast. Dat uiteindelijk in hoger beroep aan de hand van camerabeelden en een nader proces-verbaal van bevindingen van [naam 8] van 9 januari 2019 vast is komen te staan dat het proces-verbaal dat aan de basis lag van de vervolging van de verdachte en aan zijn veroordeling in eerste aanleg onjuist is, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat dit vormverzuim is hersteld. In zoverre wijkt deze zaak af van gevallen waarin een onjuistheid in een proces-verbaal aan het licht komt, waarna voldoende bewijsmateriaal resteert om tot een veroordeling te komen. In die gevallen is immers niet evident dat het vormverzuim de voor de verdachte nadelige gevolgen heeft gehad, zoals die in de onderhavige zaak vaststaan.

De in de beoordeling op de voet van art. 359a, tweede lid, Sv te betrekken wegingsfactoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, zijn hiervoor al belicht en leiden tot de slotsom dat het onderhavige verzuim zeer ernstig is.

Niet kan worden vastgesteld dat doelbewust tekort is gedaan aan het belang van de verdachte bij een eerlijke behandeling van zijn zaak. Wel staat vast dat aanvankelijk niet met de geboden intensiteit en voortvarendheid is geprobeerd de door de video-eenheden vastgelegde camerabeelden te achterhalen. Het is te danken aan vasthoudendheid van de verdediging en aan het geheugen van politieambtenaar [naam 7], dat de beelden in een zeer laat stadium van deze strafrechtelijke procedure alsnog aan het dossier zijn toegevoegd. Ook staat vast dat het geconstateerde vormverzuim voorkomen, of in elk geval in een vroeg stadium hersteld hadden kunnen worden, indien de betrokken politieambtenaren zo spoedig mogelijk hun bevindingen naast de bestaande camerabeelden zouden hebben gelegd, teneinde de juistheid te controleren van hetgeen zij in de hectiek van de aanhoudingen meenden te hebben waargenomen.

In het licht van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat in deze zaak door met de opsporing en de vervolging ambtenaren met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De met opsporing belaste ambtenaar treft daarbij het verwijt van deels onjuiste verslaglegging ten aanzien van de kern van waar het in deze strafzaak om gaat. De met vervolging belaste ambtenaren treft het verwijt er onvoldoende zorg voor te hebben gedragen dat de door politieambtenaren vervaardigde camerabeelden tijdig aan het dossier konden worden toegevoegd.

Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte. Die beslissing brengt mee dat de verdediging geen belang heeft bij bespreking van hetgeen door haar overigens is aangevoerd.

Gelet op deze beslissing dient de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart de benadeelde partij [verbalisant] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij elk hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 januari 2019.

[.......]

1 [.......]

2 [.......]

3 [.......]

4 [.......]

5 [.......]

6 [.......]