Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1957

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
200.239.360/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verwijdering BKR-registratie op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Het hof geeft, ook al is sprak van termijnoverschrijding, om proceseconomische redenen toch een inhoudelijk oordeel.

De registratie van de achterstand is gelet op alle omstandigheden in strijd is met het beginsel van proportionaliteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.239.360/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/635459 / HA RK 17-271

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 juni 2019

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. J.H.M. de Boer te Alkmaar,

tegen

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. T.J.P. Jager te Rotterdam.

1 Procesverloop

Partijen worden hierna [appellante] en ING genoemd.

[appellante] is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 18 mei 2018, in hoger beroep gekomen van de onder bovengenoemd zaaknummer gegeven beschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2018 gewezen tussen [appellante] als verzoekster en ING als verweerster. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof genoemde beschikking zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, het oorspronkelijke verzoek van [appellante] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van ING in de kosten van het geding in beide instanties.

Op 23 juli 2018 is ter griffie van het hof een verweerschrift, met producties, van ING ingekomen. ING heeft het hof verzocht, kort gezegd, de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep.

ING heeft nadere producties genummerd 9 tot en met 16 ingediend, ontvangen ter griffie van het hof op 19 oktober 2018. [appellante] heeft nadere producties genummerd 12 en 13 ingediend, ontvangen ter griffie van het hof op 24 oktober 2018.

De mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op 2 november 2018. Bij die gelegenheid is [appellante] verschenen, bijgestaan door mr. De Boer voornoemd die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Aan de zijde van ING is [A] , medewerker bijzonder beheer, verschenen, bijgestaan door mr. D.J. Posthuma, advocaat te Amsterdam, die het verweerschrift van ING heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen.

Vervolgens is uitspraak bepaald.

2 Feiten

De rechtbank heeft in de beschikking onder 2, 2.1 tot en met 2.14, de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellante] heeft in 2005 met haar toenmalige partner [X] (verder: [X] ) een doorlopend krediet van in hoofdsom € 8.500,- afgesloten bij (een rechtsvoorganger van) ING. [appellante] en [X] waren hoofdelijk aansprakelijk en dienden tezamen maandelijks een bedrag van € 127,50 af te lossen.

2.2

ING neemt krachtens artikel 4:32 Wet Financieel Toezicht verplicht deel aan de registratie van verstrekte kredieten in het Centraal Krediet Informatiesysteem (verder: CKI). De registratie wordt uitgevoerd door het Bureau Krediet Registratie (verder: BKR) conform het Algemeen Reglement (verder: het reglement). Artikel 30 van het reglement bepaalt dat de kredietverstrekker de kredietnemer tijdig schriftelijk dient te waarschuwen dat verder uitstel van betaling zal leiden tot een achterstandsmelding bij het BKR.

2.3

[appellante] is na beëindiging van de relatie met [X] in 2008 met laatstgenoemde overeengekomen dat [X] het doorlopend krediet zou aflossen. [appellante] heeft tot en met 2013 digitaal inzage gehad in het verloop van het krediet. Op 4 oktober 2013 is in het CKI de code A (achterstand) bij het krediet geregistreerd. De achterstand bedroeg op dat moment twee maandtermijnen, in totaal € 255,-. Volgens het jaaroverzicht 2013 stond er eind 2013 een schuld open van € 626,26. De vordering is vervolgens bij ING intern afgeboekt, waarna op 2 oktober 2014 code 3 (afboeking van meer dan € 250,-) in het CKI is opgenomen.

2.4

Bij email en brief van 25 januari 2016 is namens [appellante] aan ING verzocht de BKR-registratie ongedaan te maken. ING heeft dit verzoek bij email van 27 januari 2017 afgewezen. Het verzoek namens [appellante] is herhaald bij email van 13 januari 2017 op welk herhaald verzoek ING bij email van 27 januari 2017 wederom afwijzend heeft gereageerd.

2.5

[appellante] heeft op 12 januari 2018 het openstaande bedrag van ruim € 600,- aan ING betaald. Deze datum is vervolgens in het CKI geregistreerd als einddatum van de overeenkomst.

3 Beoordeling

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg op de voet van artikel 46 van de Wet bescherming persoonsgegevens (verder: Wbp) verzocht, zakelijk weergegeven, ING te bevelen om mee te werken aan verwijdering van de algehele registratie van haar persoonsgegevens uit het CKI , op straffe van verbeurte van een dwangsom bij het niet voldoen aan dit bevel, en met veroordeling van ING in de proceskosten. [appellante] stelde daartoe dat geen sprake is geweest van een achterstand in de aflossing van het krediet, dat ING haar niet tijdig en conform het reglement heeft gewaarschuwd voor opname in het register en dat zij onevenredig zwaar is getroffen door de registratie. ING voerde verweer.

3.2

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking het volgende overwogen. Het verzoek van [appellante] van 25 januari 2016 (zie overweging 2.4) is aan te merken als een verzoek als bedoeld in artikel 36 lid 1 Wbp. De weigering van ING van 6 februari 2016 is aan te merken als een antwoord als bedoeld in artikel 46 lid 2 Wbp. Hetzelfde geldt voor het herhaalde verzoek van de zijde van [appellante] van 13 januari 2017 en het antwoord daarop van ING van 27 januari 2017. [appellante] had in elk geval binnen zes weken na laatstgenoemde datum een verzoekschrift bij de rechtbank moeten indienen. Nu het inleidende processtuk dateert van 23 mei 2017, is het verzoek niet tijdig ingediend zodat [appellante] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek. Dat zou anders kunnen zijn indien de verwerking van persoonsgegevens onrechtmatig handelen jegens [appellante] zou opleveren, zo overwoog de rechtbank verder. Daarvan was echter geen sprake. De rechtbank volgt [appellante] niet in haar stelling dat er geen achterstand was in de termijnbetalingen. ING heeft voorts aannemelijk gemaakt dat zij [appellante] bij brief van 21 augustus 2013 heeft gewaarschuwd zoals in artikel 30 van het reglement is voorgeschreven. Ook is niet gebleken dat de gegevensverwerking niet voldeed aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank heeft op grond van een en ander [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek en haar in de proceskosten veroordeeld.

3.3

[appellante] komt met vier grieven op tegen deze overwegingen en beslissingen. Bij grief 1 voert zij aan dat zij ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar verzoek en bij grief 2 dat wel sprake is geweest van een onrechtmatige gegevensverwerking, met name omdat ING haar niet heeft gewaarschuwd voor de opname van de achterstandscodering in het BKR-register. Met grief 3 betoogt [appellante] dat de BKR-registratie gelet op alle omstandigheden in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Grief 4 heeft geen zelfstandige betekenis ING heeft de grieven bestreden. Het hof zal de grieven hierna in samenhang behandelen.

3.4

Het hof gaat evenals de rechtbank ervan uit dat de verzoeken van [appellante] van 25 januari 2016 en van 13 januari 2017 zijn aan te merken als verzoeken in de zin van artikel 36 lid 1 Wbp en dat ING die verzoeken heeft beantwoord op 6 februari 2016 respectievelijk 27 januari 2017. [appellante] had ingevolge artikel 46 lid 2 Wbp binnen zes weken na ontvangst van die antwoorden een verzoek als het onderhavige moeten indienen. Dat heeft zij niet gedaan, Het inleidende processtuk dateert immers van 23 mei 2017. De termijnoverschrijding betekent in beginsel dat [appellante] in haar verzoek niet ontvankelijk moet worden verklaard.

3.5

[appellante] doet dit verzoek zowel in eerste aanleg als in hoger beroep evenwel mede steunen op een feit dat zich heeft voorgedaan nádat zij haar genoemde verzoeken aan ING had gericht, namelijk het feit dat zij de openstaande vordering inmiddels op 12 januari 2018 aan ING heeft voldaan. [appellante] had vanwege dit nieuwe feit een nieuw verzoek aan ING kunnen richten. Dit had te meer voor de hand gelegen omdat ING blijkens haar antwoorden van 2 februari 2016 en 27 januari 2017 bij het weigeren van de verzoeken uitdrukkelijk heeft meegewogen dat haar vordering uit de kredietovereenkomst nog niet was voldaan. Uit de proceshouding van ING in deze procedure volgt echter dat zij een desbetreffend verzoek opnieuw zou hebben afgewezen. Het voert daarom te ver om van [appellante] te verlangen alsnog een nieuw verzoek in te dienen uitsluitend om een weigering uit te lokken en daarmee een nieuwe termijn voor het indienen van een verzoek bij de rechtbank te verkrijgen. Het hof zal gelet daarop het onderhavige verzoek van [appellante] om proceseconomische redenen wel inhoudelijk behandelen.

3.6

[appellante] klaagt in de eerste plaats erover dat ING in strijd met artikel 30 van het reglement haar niet tijdig en schriftelijk heeft gewaarschuwd dat een betalingsachterstand zou worden geregistreerd bij het BKR. ING heeft aangevoerd dat zij [appellante] wel schriftelijk heeft gewaarschuwd en heeft ter onderbouwing daarvan een uitdraai overgelegd van een brief van 21 augustus 2013 die zij zou hebben verzonden aan het haar bekende adres van [appellante] . Het hof is van oordeel dat ING met deze productie voldoende heeft onderbouwd dat zij een brief inhoudende een waarschuwing als bedoeld in artikel 30 van het reglement aan [appellante] heeft verzonden. [appellante] heeft daar geen gemotiveerde betwisting tegenover gesteld. Zij heeft evenmin aangevoerd dat het adres op de brief onjuist is. Het hof gaat dan ook voorbij aan haar klacht. Het hof merkt daarbij nog op dat artikel 30 van het reglement geen nadere eisen stelt aan de schriftelijke mededeling zoals, bijvoorbeeld, een aangetekende verzending.

3.7

[appellante] stelt voorts dat handhaving van de registratie van de achterstand gelet op alle omstandigheden disproportioneel is. Het hof gaat bij de beoordeling van de proportionaliteit van de registratie uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten en omstandigheden.

-De voormalig partner van [appellante] , [X] , heeft tot medio 2013 de aflossingen van het krediet voor zijn rekening genomen. Dit is door [appellante] en [X] bij hun uiteengaan afgesproken en was kenbaar voor ING;

- [appellante] hield rekeningen aan bij ING, waaronder een spaarrekening. Uit door haar overgelegde en door ING niet bestreden stukken blijkt een spaarsaldo van omstreeks € 4.000,- eind 2014 en dat dit bedrag is opgelopen tot ruim € 7.000,- eind 2015 en tot ruim € 36.000,- eind 2016.

-De openstaande schuld bedroeg ten tijde van het opzeggen van het doorlopend krediet door ING op15 september 2014 € 671,29.

- [appellante] heeft de schuld op 12 januari 2018 geheel voldaan.

- [appellante] en haar huidige partner hebben wegens recente gezinsuitbreiding de wens om een grotere woning te kopen dan hun huidige huurwoning en in januari 2018 is [appellante] door een hypotheekverstrekker meegedeeld dat zij wegens haar ‘A3’- registratie niet in aanmerking komt voor financiering van een koopwoning.

3.8

ING heeft gewezen op het belang van de BKR-registratie. Dat belang is gelegen in, zoals de inleiding van het reglement het uitdrukt, het voorkomen van overkreditering en het voorkomen en bestrijden van misbruik en fraude in het financiële verkeer. Het voorkomen van overkreditering is niet meer aan de orde omdat [appellante] de schuld inmiddels heeft ingelost. Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat voor [appellante] sprake is geweest van een problematische schuld. [appellante] beschikte immers over een spaarsaldo dat het openstaande kredietbedrag ruimschoots overtrof, hetgeen voor ING kenbaar was. Dat [appellante] de schuld niet onmiddellijk heeft betaald nadat zij daarmee bekend was geraakt, roept objectief gezien weliswaar vragen op, maar [appellante] heeft daartoe een aantal persoonlijke motieven gegeven, namelijk dat het kredietbedrag is aangewend voor een auto voor [X] en dat hij ook nadat zij uit elkaar waren gegaan voor betaling van het krediet zou instaan. Zij heeft naar haar zeggen bovendien gedurende langere tijd via ING gepoogd inzicht te verkrijgen in de opbouw van het openstaande saldo en vervolgens gepoogd een en ander bij [X] te verifiëren, die dit weigerde. Hoewel een en ander onvoldoende is om haar uit de hoofdelijke aansprakelijkheid betreffende de restschuld te ontslaan, maken deze omstandigheden en de geringe omvang van de restschuld, dat het belang bij registratie gering is. Van misbruik in het financiële verkeer kan immers nauwelijks worden gesproken, terwijl er geen enkele aanwijzing is van fraude.

3.9

Daar staat tegenover dat, zo is algemeen bekend, met een achterstandsregistratie het verkrijgen van financiering voor een woning tegen gebruikelijke tarieven en voorwaarden moeilijk zo niet onmogelijk is. Uit de door [appellante] overgelegde stukken blijkt dat zij dit ook heeft ondervonden. Het opheffen van een dergelijke belemmering kan worden aangemerkt als een aanmerkelijk belang. [appellante] hoeft daarom geen nadere uitleg te geven van haar specifieke persoonlijke belangen bij verwijdering van de registratie. Een en ander leidt tot het oordeel dat, mede gelet op het tijdsverloop, het belang van ING bij handhaving van de achterstandsregistratie in dit geval dermate gering is dat dit thans dient te wijken voor het aanmerkelijke belang dat [appellante] heeft bij verwijdering van die registratie.

3.10

ING heeft in eerste aanleg nog erop gewezen dat verwijdering van alle persoonsgegevens, zoals door [appellante] verzocht, te ver gaat omdat het reglement terecht voorschrijft dat alle kredieten worden geregistreerd. [appellante] heeft, zo valt uit het slot van haar spreekaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling in dit hoger beroep af te leiden, ook slechts willen aanvoeren dat registratie van de bijzonderheidscodes A en 3 in strijd is met het beginsel van proportionaliteit. Het hof zal het verzoek van [appellante] dan ook slechts in zoverre toewijzen.

3.11

De grieven slagen. De bestreden beschikking zal worden vernietigd en het verzoek zal alsnog worden toegewezen als volgt. Het hof zal ING om praktische redenen een langere termijn voor medewerking aan het verwijderen van de registratie verlenen dan verzocht en het opleggen van een dwangsom achterwege laten. Het hof neemt aan dat ING vrijwillig uitvoering zal geven aan de beschikking. ING zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de beide instanties worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking,

en opnieuw rechtdoende:

beveelt ING binnen twee weken na heden mee te werken aan de verwijdering uit het CKI van het BKR van de codes A en 3 in de BKR-registratie van [appellante] ;

veroordeelt ING in de proceskosten en begroot die kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellante] gevallen, in eerste aanleg op € 384,31 aan verschotten en € 904,- aan salaris gemachtigde en in hoger beroep op € 726,- aan verschotten en € 2.148,- voor salaris advocaat;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, A.M.A. Verscheure en D. Kingma en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.