Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:194

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
23-005312-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Celtic-zaak: vervolging voetbalsupporters voor openlijke geweldpleging na ongeregeldheden voorafgaand aan Ajax-Celtic op 6 november 2013. Openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in vervolging Celtic-supporter op de voet van artikel 359a Sv wegens ernstige schending verbaliseringsplicht, die vastgesteld kon worden aan de hand van in een zeer laat stadium aan het dossier toegevoegde camerabeelden. Politie treft verwijt onjuiste verslaglegging ten aanzien van de kern van waar het in deze strafzaak om gaat. De met vervolging belaste ambtenaren treft het verwijt er onvoldoende zorg voor te hebben gedragen dat de door politieambtenaren vervaardigde camerabeelden tijdig aan het dossier konden worden toegevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-005312-13

datum uitspraak: 25 januari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 november 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-703468-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1992,

adres: [adres] (Groot-Brittannië).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 en 11 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, na wijziging ter terechtzitting in hoger beroep, dat:

hij op of omstreeks 06 november 2013 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Damstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisant(en) (waaronder [verbalisant 1] (werkzaam als hoofdinspecteur van politie Amsterdam-Amstelland)), welk geweld bestond uit het

- eenmaal of meermalen (met kracht) gooien en/of werpen van een of meer (vol(le)) blikje(s) bier en/of een of meer fles(sen), in elk geval een of meer hard(e) voorwerp(en)) in de richting van een of meer verbalisant(en) en/of,

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met de vuist) (een) slaande beweging(en) tegen en/of in de richting van het lichaam van voornoemde [verbalisant 1] maken, en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) (vast)pakken en/of (vast)houden van de nek (een zogenaamde nekklem) van voornoemde [verbalisant 1] .

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Inleiding

Op 6 november 2013 vond de voetbalwedstrijd Ajax-Celtic plaats. In de loop van die middag verzamelden zich honderden Celtic-supporters op de Dam in Amsterdam. Aanvankelijk was de sfeer goed. Aan het einde van de middag, omstreeks half zes, sloeg deze plotseling om. Het wegnemen door Ajax-supporters van een vlag van Celtic-supporters lijkt daarvoor de directe aanleiding te zijn geweest. Toen de hierbij aangehouden Ajax-supporters in de Damstraat met leden van de Mobiele Eenheid (ME) wachtten op vervoer, begon een menigte Celtic-supporters agressief te schreeuwen richting de leden van de geüniformeerde politie en de ME. Het overgrote deel van deze supporters leek op dat moment behoorlijk onder invloed van alcohol te zijn. De sfeer werd zeer grimmig en er braken ernstige ongeregeldheden uit. Door de Celtic-supporters zijn in de richting van de ME en de geüniformeerde politie bierflessen, wijnflessen, volle bierblikjes en andere goederen gegooid. Om de situatie onder controle te krijgen, voerde de ME charges uit en verrichtten leden van de gespecialiseerde Aanhoudingseenheid (AE), die onderdeel vormt van de ME, in burgerkleding aanhoudingen. Zij hebben daarbij geweld toegepast. Acht politieambtenaren zijn gewond geraakt,1 ofwel als gevolg van in hun richting gegooide voorwerpen, zoals bierblikjes,2 ofwel door fysiek geweld zoals vuistslagen in het gezicht.3

Een aantal aangehouden Celtic-supporters is vervolgd op grond van het verwijt dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan openlijke geweldpleging, zoals strafbaar gesteld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is de enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, daarvoor niet zonder meer voldoende. Voor een veroordeling moet kort gezegd vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn (HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1093). Daarmee draait het in deze strafrechtelijke procedures om de vraag naar de precieze bijdrage aan het geweld van deze verdachten.

Het bewijs tegen de verdachte

De kern van het tegen de verdachte bestaande belastende bewijsmateriaal aangaande zijn bijdrage aan het geweld bestaat uit:

a. het proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2013 van [verbalisant 1] , sectiecommandant van de B sectie van AE, dat inhoudt, kort samengevat, dat tegen hem, terwijl hij meeliep met de afschermers van de AE die een aangehouden persoon richting de linie van de ME bracht, geweld is gebruikt door een nadien aangehouden man die [verdachte] bleek te zijn, de verdachte in deze zaak. Over dat geweld houdt dit proces-verbaal in:

“Tijdens het transport van de verdachte van de Romeo 30 zag ik dat [verdachte] op mij af kwam lopen en slaande bewegingen met zijn arm maakte in de richting van mijn hoofd. Ik zag dat hij op dat moment op ongeveer een meter afstand stond. Ik zag dat hij verder in mijn richting liep en voelde dat hij mij om mijn nek pakte. Ik kon hierdoor niet vrij bewegen, waardoor ik werd afgezonderd van de Romeo 30 die op dat moment bezig was met het transport van hun aangehouden verdachte. Ik voelde dat [verdachte] , die inmiddels een armklem om mijn nek had aangelegd, met kracht naar de grond probeerde te bewegen. Ik voelde dit omdat ik rechtop probeerde te blijven staan, maar door zijn gebruikte kracht mij dit niet lukte. Ik zag ook dat [verdachte] nog slaande bewegingen met zijn andere hand maakte naar mijn hoofd, maar het lukte hem niet mij hierbij te raken. Ik voelde dat [verdachte] met kracht mij nog steeds probeerde naar de grond te werken. Ik kon namelijk niet meer rechtop staan. Door met zijn gebruikte kracht mee richting de grond te bewegen met mijn bovenlichaam, lukte het mij om uit de nekklem te komen. Nadat ik mij heb los kunnen maken van [verdachte] voelde ik ook een korte heftige pijn in mijn nek. Twee collega’s van een andere Romeo Eenheid hebben dit allemaal zien gebeuren en hebben [verdachte] later alsnog kunnen aanhouden ter zake openlijke geweldpleging.”, en

b. het proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2013 van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , leden van de AE Romeo 20, dat voor zover van belang inhoudt:

“Wij konden van dichtbij goede waarnemingen doen. Plotseling zagen wij dat de later aangehouden verdachte openlijk in vereniging geweld pleegde. Wij zagen dat het geweld gericht was tegen de pelotonscommandant van de aanhoudingseenheid, hoofdinspecteur van politie [verbalisant 1] . Wij zagen namelijk dat de verdachte [verbalisant 1] om zijn nek vastpakte en trachtte hem naar de grond te brengen. Tevens zagen wij dat de verdachte slaande bewegingen maakte richting [verbalisant 1] . Vervolgens zagen wij dat [verbalisant 1] zich los kon trekken van de verdachte en zich bij de overige leden van de aanhoudingseenheid kon voegen. Direct hierop is in overleg met de groepscommandant besloten de verdachte aan te houden. Vervolgens hebben wij de verdachte, die later opgaf te zijn genaamd [verdachte] , aangehouden. Op het moment dat wij de verdachte aanhielden begon hij zich tegen de aanhouding te verzetten. Tijdens de aanhouding is door ons geweld gebruikt.”

De verdachte is omstreeks 17.55 uur door leden van de AE aangehouden, waarbij zij geweld hebben gebruikt.4 Volgens daarvan opgemaakte meldingsformulieren geweldsaanwending is de verdachte tegen zijn hoofd geslagen en heeft hij een aantal knietjes in de maagstreek gekregen waarna zijn verzet afnam.5

De procedurele gang van zaken

De verdachte is op 6 november 2013 in verzekering gesteld. In zijn verhoor door de politie heeft de verdachte verklaard dat hij probeerde weg te komen bij alles wat gaande was, niemand bij zijn nek heeft gepakt en ook niks anders heeft gedaan. De rechter-commissaris heeft ernstige bezwaren tegen de verdachte aanwezig geacht op basis van de toenmalige inhoud van het dossier ten aanzien van “het vastpakken en vasthouden van de nek van verbalisant [verbalisant 1] ” en heeft de vordering tot inbewaringstelling op 8 november 2013 toegewezen. De voorlopige hechtenis van de verdachte is op dezelfde datum onder voorwaarden geschorst.

De politierechter heeft na een snelrechtzitting kort gezegd bewezen verklaard dat de verdachte [verbalisant 1] heeft vastgepakt en vastgehouden bij de nek in een nekklem en hem wegens openlijke geweldpleging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Als bewijsmiddelen heeft de politierechter alleen de onder a. en b. genoemde processen-verbaal gebruikt.

In hoger beroep heeft de verdediging bij de regie-zitting van 1 december 2015 verzocht getuigen te horen en na te gaan of er camerabeelden bestaan van de ongeregeldheden. Het hof heeft een aantal getuigenverzoeken toegewezen en de advocaat-generaal heeft toegezegd na te gaan bij de in eerste aanleg betrokken officier van justitie of relevante camerabeelden beschikbaar waren. Die toezegging heeft geleid tot een proces-verbaal van bevindingen van brigadier [naam 1] van 6 september 2016 dat inhoudt dat door [naam 2] , werkzaam bij de districtsrecherche Centrum/Noord onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van camerabeelden, met een negatief resultaat.

Door de raadsheer-commissaris is een aantal leden van de AE gehoord. Daaruit kwam naar voren dat er tijdens de ongeregeldheden beeldmateriaal is vervaardigd door een of meer video-eenheden van de AE, waaronder de ploeg met de naam Lima 20, bestaande uit twee cameramensen, twee afschermers en een commandant.6 Het doel van de video-eenheden is opnames te maken van risicosituaties, incidenten en het eigen optreden van de AE.7

Op een tweede regie-zitting van 28 juni 2017 heeft het hof naar aanleiding van bovenstaande nieuwe informatie onder meer de advocaat-generaal verzocht nader onderzoek te laten doen naar eventueel nog beschikbare camerabeelden. Dit heeft geleid tot een proces-verbaal van bevindingen van inspecteur van politie [naam 3] van 8 augustus 2017, waarin hij meedeelt dat in het archief van het team dat destijds is geformeerd om de aangiften in deze zaak af te handelen geen beeldmateriaal is aangetroffen, maar dat hij zich herinnerde dat destijds beeldmateriaal werd bewaard bij het voetbal- en evenemententeam aan de Flierbosdreef te Amsterdam. Op een harde schijf van een computer van dit team is vervolgens beeldmateriaal teruggevonden. Dit beeldmateriaal is aan de advocaat-generaal, de verdediging en het hof ter beschikking gesteld als bestanden met de namen video1 en video2. [verbalisant 1] heeft op 8 januari 2019 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt inhoudende dat hij op verzoek van de advocaat-generaal deze camerabeelden heeft bekeken, hij zichzelf op de beelden herkent en de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op de hem getoonde beelden niet in beeld zijn.

Ter terechtzitting van 10 januari 2019 zijn de voormelde camerabeelden bekeken. Nu het dossier geen aanknopingspunt biedt voor een ander oordeel en de situatie op de beelden nauw aansluit bij de beschrijving van [verbalisant 1] in zijn hiervoor geciteerde proces-verbaal, stelt het hof vast dat op deze camerabeelden vanuit twee verschillende camerastandpunten het moment is vastgelegd van de fysieke confrontatie tussen [verbalisant 1] en de verdachte [verdachte] , bedoeld in de voormelde processen-verbaal van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Een nauwgezette bestudering van deze camerabeelden brengt het hof tot de vaststelling dat de verdachte [verbalisant 1] niet om zijn nek heeft vastgepakt, laat staan dat hij [verbalisant 1] met een armklem om de nek heeft vastgehouden. Voor het overige sluiten de beelden niet de lezing van de verdachte uit, inhoudend dat hij niet wist dat [verbalisant 1] (in burgerkleding) deel uitmaakte van de AE, dat hij en [verbalisant 1] tegen elkaar botsten, waarna [verbalisant 1] zich omdraaide en de verdachte vastgreep, waarna de verdachte zich aan die greep probeerde te onttrekken, waarbij door [verbalisant 1] en de verdachte over en weer zwaaiende bewegingen met de armen zijn gemaakt, waarna zij elkaar loslieten en ieder zijns weegs ging. Dat de verdachte slaande bewegingen heeft gemaakt waarmee hij [verbalisant 1] heeft willen raken, kan aan de hand van de beelden niet worden vastgesteld.

Aldus is vast komen te staan dat de onder a. en b. geciteerde processen-verbaal van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , feitelijke onjuistheden bevatten ten aanzien van de daarin beschreven geweldshandelingen van de verdachte.

Standpunten van advocaat-generaal en verdediging

De advocaat-generaal in zijn requisitoir en de raadsvrouw in haar pleidooi hebben beiden het standpunt ingenomen dat het openbaar ministerie op de voet van artikel 359a Sv niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat een zorgvuldige verslaglegging van de feiten het cement vormt van elke strafzaak en dat in beginsel uitgegaan moet kunnen worden van de juistheid van processen-verbaal van politieambtenaren. Hij heeft daarbij opgemerkt dat voor afwijkingen op detailpunten begrip zou kunnen worden opgebracht in het licht van de omstandigheden waaronder in deze zaak de waarnemingen zijn gedaan. Van afwijkingen op detailpunten is echter naar de opvatting van de advocaat-generaal geen sprake. De ernst van de in deze zaak geconstateerde gebreken in de processen-verbaal van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , die op essentiële punten onjuistheden bevatten, brengt de advocaat-generaal tot zijn vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. De verdediging heeft zich daarbij aangesloten.

Beoordeling door het hof

Het hof heeft oog voor de moeilijke omstandigheden waaronder in de onderhavige zaak de ME, de AE en de geüniformeerde politie hun werk hebben moeten doen. Buiten twijfel staat dat vanuit een grote, agressieve en onder invloed van alcohol verkerende groep voetbalsupporters met flessen en blikjes in de richting van deze overheidsdienaren is gegooid. Daardoor ontstond een chaotische en gevaarlijke situatie waarin een aantal politieambtenaren ook daadwerkelijk gewond is geraakt. Die situatie noodzaakte tot daadkrachtig optreden. Daar komt bij dat, naar het zich laat aanzien, de verdachte is aangehouden in het brandpunt van de ongeregeldheden in een stadium waarin deze al enige tijd aan de gang waren. In zoverre heeft hij de schijn tegen.

Deze chaotische en gevaarlijke werkomstandigheden doen evenwel niet af aan de hoge eisen die op grond van artikel 152 Sv moeten worden gesteld aan de schriftelijke verslaglegging door politieambtenaren van door hen waargenomen gedragingen van een concrete verdachte. Dat geldt temeer omdat van de juistheid van hetgeen een politieambtenaar in een op ambtseed/belofte opgemaakt proces-verbaal als zijn bevindingen neerlegt, in beginsel moet kunnen worden uitgegaan. ‘In beginsel’, want vergissingen of interpretatieverschillen zijn mogelijk en menselijk, zodat reeds om die reden de bevindingen van politieambtenaren in een strafrechtelijke procedure ter discussie moeten kunnen worden gesteld. Echter, zonder serieus te nemen aanwijzingen dat sprake is van gebreken in de verslaglegging door een politieambtenaar, moet de strafrechter zich daarop kunnen verlaten. Als dat niet meer kan, stort de strafrechtspleging als een kaartenhuis in elkaar.

Aan de hand van in een zeer laat stadium beschikbaar gekomen, door politieambtenaren op 6 november 2013 vervaardigde camerabeelden, is vast komen te staan dat de verdachte [verbalisant 1] niet om zijn nek heeft vastgepakt en vastgehouden. Gezien het aan de verdachte in deze strafzaak gemaakte verwijt en de aan het bewijs van openlijke geweldpleging gestelde eisen, betreffen de onjuistheden in de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] de kern van deze strafzaak. Dat maakt dat naar het oordeel van het hof sprake is van een zeer ernstige schending van artikel 152 Sv. Deze onjuistheden hebben voor de verdachte ingrijpende, zeer nadelige gevolgen gehad. Betwijfeld kan worden of tot vervolging van de verdachte zou zijn overgegaan indien de processen-verbaal niet de voormelde onjuistheden zouden hebben bevat. Zij hebben er in ieder geval, naar nu blijkt: ten onrechte, toe geleid dat de verdachte in bewaring is gesteld door de rechter-commissaris en door de politierechter is veroordeeld tot een maand gevangenisstraf.

In de zaken onder de parketnummers 23-005311-13 en 23-005313-13 tegen twee andere vervolgde Celtic-supporters, waarin het hof vandaag eveneens uitspraak doet en waarvan de processen-verbaal onderdeel uitmaken van onderhavig dossier, is na bestudering van de camerabeelden gebleken van vergelijkbare – aan de kern van het die verdachten gemaakte strafrechtelijke verwijt rakende – onjuistheden in de verbalisering, met vergelijkbare gevolgen.

Welk rechtsgevolg moet aan het vormverzuim in de zaak tegen de verdachte worden verbonden? Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt, afgezien van de in de wet geregelde gevallen, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking. Als het gaat om een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv - dus een onherstelbaar vormverzuim dat is begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit - is voor dat rechtsgevolg volgens de rechtspraak van de Hoge Raad alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533).

Dat aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, staat naar het oordeel van het hof op grond van het vorenstaande vast. Dat uiteindelijk in hoger beroep aan de hand van camerabeelden vast is komen te staan dat de processen-verbaal die aan de basis lagen van de vervolging van de verdachte en aan zijn veroordeling in eerste aanleg onjuist zijn, en dat het hof heeft kunnen waarnemen dat de verdachte niet het hem verweten geweld heeft toegepast, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat deze vormverzuimen zijn hersteld. In zoverre wijkt deze zaak af van gevallen waarin een onjuistheid in een proces-verbaal aan het licht komt, waarna voldoende bewijsmateriaal resteert om tot een veroordeling te komen. In die gevallen is immers niet evident dat het vormverzuim de voor de verdachte nadelige gevolgen heeft gehad, zoals die in de onderhavige zaak vast staan.

De in de beoordeling op de voet van art. 359a, tweede lid, Sv te betrekken wegingsfactoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, zijn hiervoor al belicht en leiden tot de slotsom dat het onderhavige verzuim zeer ernstig is.

Niet kan worden vastgesteld dat doelbewust tekort is gedaan aan het belang van de verdachte bij een eerlijke behandeling van zijn zaak. Wel staat vast dat aanvankelijk niet met de geboden intensiteit en voortvarendheid is geprobeerd de door de video-eenheden vastgelegde camerabeelden te achterhalen. Het is te danken aan vasthoudendheid van de verdediging en aan het geheugen van politieambtenaar [naam 3] dat de beelden in een zeer laat stadium van deze strafrechtelijke procedure alsnog aan het dossier zijn toegevoegd. Ook staat vast dat de geconstateerde vormverzuimen voorkomen, of in elk geval in een vroeg stadium hersteld hadden kunnen worden, indien de betrokken politieambtenaren zo spoedig mogelijk hun bevindingen naast de bestaande camerabeelden zouden hebben gelegd, teneinde de juistheid te controleren van hetgeen zij in de hectiek van de aanhoudingen meenden te hebben waargenomen.

In het licht van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat in deze zaak door met de opsporing en de vervolging ambtenaren met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De met opsporing belaste ambtenaren treft daarbij het verwijt van onjuiste verslaglegging ten aanzien van de kern van waar het in deze strafzaak om gaat. De met vervolging belaste ambtenaren treft het verwijt er onvoldoende zorg voor te hebben gedragen dat de door politieambtenaren vervaardigde camerabeelden tijdig aan het dossier konden worden toegevoegd.

Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte. Die beslissing brengt mee dat de verdediging geen belang heeft bij bespreking van hetgeen door haar overigens is aangevoerd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 januari 2019.

[.......]

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte]

[.......]

1 [.......]

2 [.......]

3 [.......]

4 [.......]

5 [.......]

6 [.......]

7 [.......]