Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1914

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
200.246.132/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Arbitragerecht. Verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van in Zweden gewezen arbitraal vonnis. Oproeping van de - op het tijdstip van de mondelinge behandeling niet in de procedure verschenen - partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt verlangd. Ontbreken bericht van de centrale autoriteit van de aangezochte staat. Oproeping per aangetekende brief volstaat niet gelet op door die staat gemaakt voorbehoud bij Haags Betekeningsverdrag. Hof beveelt nadere oproeping en bepaalt nadere mondelinge behandeling. Artt. 987 leden 3 en 4 en 1075 lid 2 Rv; artt. 10, 15 en 21 Haags Betekeningsverdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.246.132/01

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 mei 2019

inzake

NATIONAL JOINT STOCK COMPANY NAFTOGAZ OF UKRAINE,

gevestigd te Kiev, Oekraïne,

verzoeker,

advocaat: mr. R.M. Avezaat te Rotterdam,

tegen

PUBLIC JOINT STOCK COMPANY GAZPROM,

gevestigd te Moskou, Rusland,

gerekwestreerde,

advocaat: mr. M.E. Coenraads te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Naftogaz en Gazprom genoemd.

Naftogaz heeft bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van het hof op 17 september 2018, verzocht een tussen partijen in Zweden gewezen, hieronder onder 2.1 nader te noemen arbitraal vonnis te erkennen en Naftogaz – uitvoerbaar bij voorraad – verlof te verlenen, zonder verplichting tot zekerheidstelling, om dat arbitraal vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen. Bij het verzoekschrift zijn producties overgelegd.

Gazprom heeft geen verweerschrift ingediend of mondeling verweer gevoerd. Zij is eerst in dit geding verschenen na de hieronder te noemen mondelinge behandeling, namelijk op 8 februari 2019, op welke datum haar in de aanhef van deze beschikking genoemde advocaat mr. Coenraads zich voor haar heeft gesteld.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Daaraan voorafgaand heeft Naftogaz – bij brief van 28 december 2018 aan het hof – twee nadere producties overgelegd, waarop zij zich tijdens de mondelinge behandeling heeft beroepen.

Bij de mondelinge behandeling is namens Naftogaz het woord gevoerd door haar in de aanhef van deze beschikking genoemde advocaat mr. Avezaat alsmede door mrs. S.A.H.J. Warringa en D. Becht, beiden advocaat te Rotterdam, aan de hand van gezamenlijke pleitnotities die zijn overgelegd. De genoemde advocaten hebben op een vraag van het hof afschriften getoond van het arbitraal vonnis waarop het verzoek betrekking heeft, van welk vonnis een fotokopie is overgelegd, en van het arbitraal beding op grond waarvan de arbitrageprocedure is gevoerd waarin dat vonnis is gewezen, van welk beding een vertaling is overgelegd.

De mondelinge behandeling is aan de zijde van Naftogaz mede bijgewoond door [X] , volgens zijn verklaring managing director van Naftogaz, S.J.W. van der Putten, gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, vijf in het buitenland kantoorhoudende advocaten en door een tolk in de Engelse taal. De genoemde gerechtsdeurwaarder heeft vragen van het hof beantwoord met betrekking tot de betekening van het verzoekschrift aan en de oproeping van Gazprom voor de mondelinge behandeling van het verzoek. Voorts is namens Naftogaz antwoord gegeven op enige andere vragen van het hof, in het bijzonder over de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis buiten Nederland en de stand van gerechtelijke procedures in Zweden strekkend tot schorsing en vernietiging van dat vonnis.

Gazprom is bij de mondelinge behandeling niet tegenwoordig geweest.

Na de mondelinge behandeling heeft Naftogaz op 10 januari 2019 een akte getiteld ‘akte uitlating producties’ ingediend, waarbij zij zich nader heeft uitgelaten over de oproeping van Gazprom voor de mondelinge behandeling en waarbij zij, onder meer, een memorandum van de hierboven genoemde gerechtsdeurwaarder heeft overgelegd waarin deze zijn ambtsverrichtingen met betrekking tot de betekening van het verzoekschrift aan en de oproeping van Gazprom voor de mondelinge behandeling heeft beschreven, met bijvoeging van stukken waaruit die verrichtingen blijken. Het hof had tijdens de mondelinge behandeling om een dergelijke uiteenzetting met stukken verzocht, zodat de ‘akte uitlating producties’ en het memorandum van de deurwaarder met bijlagen tot de gedingstukken worden gerekend.

Niet tot de gedingstukken worden gerekend twee bij de hierboven genoemde akte van Naftogaz gevoegde andere producties – producties 17 en 18 – die het bestek van een uiteenzetting van de gedane verrichtingen met betrekking tot de betekening aan en de oproeping van Gazprom te buiten gaan. Het hof heeft niet om die producties verzocht en voor overlegging daarvan na afloop van de mondelinge behandeling is geen plaats. Op de bedoelde producties zal hierna dus geen acht worden geslagen.

Evenmin tot de gedingstukken behoren brieven aan het hof afkomstig van advocaten van Naftogaz en Gazprom van 8, 11, 12 en 14 februari 2019 en 21 maart 2019, laatstgenoemde brief met bijlagen, zodat ook daarop geen acht zal worden geslagen. Hetzelfde geldt voor een brief van 10 januari 2019 van mr. J.Ph. de Korte, advocaat te Amsterdam, namens zes hieronder onder 2.4 te noemen rechtspersonen en voor het schriftelijke antwoord daarop bij brief van dezelfde datum van mr. S.A.H.J. Warringa namens Naftogaz. Al deze brieven zijn ontvangen na afloop van de mondelinge behandeling, aan het slot waarvan het hof heeft bepaald dat uitspraak zal worden gedaan en het hiertoe een dag heeft meegedeeld. De zaak is daarmee in staat van wijzen geraakt. In dit stadium van het geding is voor het aanvoeren van nadere stellingen, verweren en toelichtingen zoals vervat in de hiervoor genoemde brieven, waarom het hof niet heeft verzocht, in beginsel geen plaats.

Bij brief van 15 februari 2019 aan de in de aanhef van deze beschikking genoemde advocaten van Naftogaz en Gazprom heeft het hof partijen in bovengenoemde zin bericht. Het hof heeft partijen daarbij meegedeeld dat het thans aan het hof is om op het verzoek van Naftogaz te beslissen en dat daartoe een beschikking zal worden gegeven, waarbij zal worden overwogen en beoordeeld hetgeen voor de beslissing op het verzoek van belang is, ook voor zover het hof daarover ambtshalve zal dienen te oordelen. Noch voor, noch na de genoemde brief van 15 februari 2019 heeft het hof een gezamenlijk verzoek van partijen bereikt om de uitspraak uit te stellen.

Thans wordt daarom uitspraak gedaan als volgt.

2 Feiten

Bij de beoordeling van het verzoek zal het hof uitgaan van de volgende, uit het verzoekschrift en de tot de gedingstukken behorende producties blijkende feiten.

2.1.

Partijen hebben twee arbitrale gedingen gevoerd in Zweden. Op 28 februari 2018 heeft het scheidsgerecht in een van deze gedingen – bekend als SCC Arbitration no. V2014/129 – een arbitraal vonnis gewezen, hierna ‘het arbitraal vonnis’, waarbij het Gazprom op de daarin vermelde gronden heeft veroordeeld aan Naftogaz een bedrag van USD 2.560.332.662,77 te betalen. Het arbitraal vonnis is een eindvonnis.

2.2.

Gazprom heeft het Svea gerechtshof te Stockholm (de ‘Svea Hovrätt’) verzocht de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis te schorsen. Dat verzoek is aanvankelijk toegewezen, bij beslissing van 13 juni 2018. Bij nadere beslissingen van achtereenvolgens 28 juni 2018 en 13 september 2018 heeft het Svea gerechtshof de schorsing van de tenuitvoerlegging eerst gedeeltelijk en daarna geheel opgeheven.

2.3.

In maart 2018 heeft Gazprom een geding aanhangig gemaakt bij het Svea gerechtshof waarin zij de gehele of gedeeltelijke vernietiging van het arbitraal vonnis heeft gevorderd. Op het tijdstip van de onder 1 genoemde mondelinge behandeling van het thans voorliggende verzoek was dat geding nog aanhangig en was over de vordering van Gazprom tot vernietiging nog niet beslist.

2.4.

Ter verzekering van het verhaal van haar bij het arbitraal vonnis toegewezen vordering heeft Naftogaz ten laste van Gazprom conservatoir beslag gelegd of getracht te leggen op aandelen en lidmaatschapsrechten van Gazprom in en op vorderingen van Gazprom op Gazprom Achim B.V., Gazprom EP International B.V., Gazprom Finance B.V., Gazprom Holding Coöperatie U.A., Gazprom Sakhalin Holdings B.V. en South Stream Transport B.V. Deze rechtspersonen zijn gevestigd in Amsterdam en zijn met Gazprom verbonden in een groep als bedoeld in artikel 2:24b BW.

2.5.

Bij vonnis van 13 juli 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam vorderingen van Naftogaz tegen de eerste vijf hierboven genoemde rechtspersonen afgewezen. De vorderingen strekten primair tot de veroordeling van die rechtspersonen tot betaling aan Naftogaz van een voorschot van € 150.000.000,- op het bij het arbitraal vonnis toegewezen bedrag en subsidiair tot hun veroordeling om hun aandeelhouders- dan wel lidmaatschapsregister ter beschikking te stellen aan de deurwaarder door wie bovengenoemde beslagen zijn gelegd.

2.6.

Voor het onder 2.4 omschreven doel heeft Naftogaz voorts conservatoir beslag doen leggen op aandelen van Gazprom in en vorderingen van Gazprom op Blue Stream Pipeline Company B.V. Ook deze rechtspersoon is gevestigd te Amsterdam.

3 Beoordeling

3.1.

In hoofdstuk 4 van het verzoekschrift heeft Naftogaz het verzoek om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis gegrond op het bepaalde in artikel 1075 Rv in samenhang met het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken van 10 juni 1958 (Trb. 1959, 58), hierna ‘het Verdrag van New York’. Naftogaz heeft in het verzoekschrift (onder 6.2) verder verklaard dat zij het arbitraal vonnis verlangt ten uitvoer te leggen in het ressort Amsterdam. De onder 2.4, 2.5 en 2.6 weergegeven feiten stemmen met dat verlangen overeen. Op grond van het bepaalde in artikel 985 Rv in verbinding met artikel 1075, tweede lid, Rv is het hof daarom bevoegd kennis te nemen van het ingediende verzoek om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging.

3.2.

Gazprom is bij de onder 1 genoemde mondelinge behandeling van het genoemde verzoek niet verschenen. Allereerst ligt daarom ter beantwoording voor de vraag of Gazprom, als de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt verlangd, voor die behandeling behoorlijk is opgeroepen. Uit het bepaalde in artikel 987, derde lid, Rv in verbinding met artikel 1075, tweede lid, Rv volgt dat bij de beantwoording van deze vraag uitgangspunt is dat het op de weg van Naftogaz heeft gelegen Gazprom bij deurwaardersexploot op te roepen voor de mondelinge behandeling. Bij de oproeping heeft Naftogaz het bepaalde in artikel 55, eerste lid, Rv in verbinding met het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken van 15 november 1965 (Trb. 1969, 55), hierna ‘het Haags Betekeningsverdrag’, in acht moeten nemen.

3.3.

Teneinde aan te tonen dat zij heeft gehandeld als bovenvermeld heeft Naftogaz voorafgaand aan de mondelinge behandeling een kopie van een deurwaardersexploot van 30 oktober 2018 overgelegd, inhoudend de oproeping van Gazprom voor de mondelinge behandeling door betekening van het genoemde exploot aan de ambtenaar van het ressortsparket bij het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 55, eerste lid, Rv, met uitdrukkelijke verwijzing in het exploot naar de toepasselijke bepalingen van het Haags Betekeningsverdrag. Zoals onder 1 reeds vermeld heeft Naftogaz, daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, verder een memorandum van 10 januari 2019 van de door haar in de arm genomen deurwaarder in het geding gebracht, waarin diens ambtsverrichtingen in verband met de oproeping van Gazprom zijn beschreven, met bijlagen en met een begeleidende akte. Volgens het memorandum van de deurwaarder heeft deze, naast de betekening aan de ambtenaar van het ressortsparket, op 30 oktober 2018 een afschrift van het oproepingsexploot aan Gazprom toegezonden per aangetekende brief, gericht aan het kantooradres van Gazprom in Moskou, Rusland.

3.4.

De vraag of Gazprom behoorlijk is opgeroepen voor de mondelinge behandeling, moet worden beantwoord aan de hand van het Haags Betekeningsverdrag, in het bijzonder aan de hand van het bepaalde in artikel 15 daarvan. Hierbij is van belang dat de hierboven bedoelde deurwaarder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op vragen van het hof heeft verklaard, samengevat, dat hem geen bericht heeft bereikt van de door Rusland aangewezen centrale autoriteit als bedoeld in artikel 2 van het Haags Betekeningsverdrag met betrekking tot de betekening of kennisgeving van de oproeping aan Gazprom door die autoriteit. Volgens de verklaring van de deurwaarder is hem van de zijde van het ressortsparket meegedeeld dat de voor Gazprom bestemde stukken zijn doorgeleid naar de centrale autoriteit van Rusland, maar is van deze voorafgaand aan de mondelinge behandeling geen bericht ontvangen waaruit blijkt dat het exploot met de oproeping daadwerkelijk aan Gazprom is betekend of daarvan aan Gazprom is kennisgegeven. De deurwaarder heeft verder verklaard wel te beschikken over bewijs van ontvangst door Gazprom van de door hem aan haar toegezonden aangetekende brief met het oproepingsexploot. In het overgelegde memorandum van 10 januari 2019 zijn deze verklaringen herhaald en toegelicht.

3.5.

Uit het bovenstaande volgt dat een bericht van de centrale autoriteit van Rusland waaruit blijkt dat deze voor het tijdstip van de mondelinge behandeling het exploot van oproeping heeft betekend of heeft doen betekenen aan Gazprom of haar daarvan heeft kennisgegeven, ontbreekt. De in artikel 6 van het Haags Betekeningsverdrag bedoelde verklaring van de centrale autoriteit van de aangezochte staat ontbreekt dus, althans was op het tijdstip van de mondelinge behandeling niet beschikbaar. Aldus is niet komen vast te staan dat Gazprom is opgeroepen voor de mondelinge behandeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, eerste lid onder a, van het Haags Betekeningsverdrag. Artikel 10 van het Haags Betekeningsverdrag laat, behalve betekening of kennisgeving van een stuk door de centrale autoriteit van de aangezochte staat, toe dat het betrokken stuk rechtstreeks per post wordt toegezonden aan degene voor wie het is bestemd, tenzij de staat van bestemming een voorbehoud op dit punt heeft gemaakt, waarbij die staat door middel van een daartoe gemaakt bezwaar heeft verklaard zich tegen deze wijze van kennisgeving te verzetten. Rusland heeft op de voet van het bepaalde in artikel 21, tweede lid onder a, een zodanig voorbehoud bij het Haags Betekeningsverdrag gemaakt. De toezending per aangetekende brief waarover de deurwaarder heeft verklaard, kan daarom niet worden aangemerkt als een door het Haags Betekeningsverdrag toegestane vorm van kennisgeving, zodat daaraan niet het rechtsgevolg toekomt dat Gazprom moet worden geacht behoorlijk te zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, eerste lid onder b, van het Haags Betekeningsverdrag.

3.6.

Bij ontbreken van een bericht van de centrale autoriteit van Rusland waaruit blijkt dat het oproepingsexploot aan Gazprom is betekend of haar daarvan is kennisgegeven voor het tijdstip van de mondelinge behandeling, moet het hof ervan uitgaan dat Gazprom niet behoorlijk is opgeroepen voor die behandeling. Nu Gazprom niet is verschenen bij de mondelinge behandeling, brengt het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Haags Betekeningsverdrag daarom dwingend mee dat de beslissing over het verzoek van Naftogaz thans moet worden aangehouden. Het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van het Haags Betekeningsverdrag laat niet toe dat ondanks het ontbreken van een bericht van de centrale autoriteit van Rusland en ondanks het niet verschijnen van Gazprom bij de mondelinge behandeling een beslissing over het verzoek zal worden gegeven, aangezien niet aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan, alleen al omdat tussen de toezending van het oproepingsexploot en het tijdstip van de mondelinge behandeling minder dan de in artikel 15, tweede lid onder b, genoemde termijn van zes maanden is verstreken.

3.7.

Aantekening verdient nog dat de omstandigheid dat de mondelinge behandeling is bijgewoond door de advocaat van de onder 2.4 genoemde rechtspersonen die met Gazprom in een groep zijn verbonden, mr. De Korte, niet de gevolgtrekking wettigt dat Gazprom behoorlijk voor de mondelinge behandeling is opgeroepen. De genoemde advocaat heeft zich niet voor Gazprom gesteld en uit zijn tegenwoordigheid bij de mondelinge behandeling volgt niet noodzakelijk dat Gazprom ervoor heeft gekozen die behandeling niet bij te wonen ofschoon zij daarmee bekend was. Bovendien doet de tegenwoordigheid van mr. De Korte bij de mondelinge behandeling niet af aan het ontbreken van een bericht van de centrale autoriteit van Rusland waaruit blijkt dat het exploot van oproeping voor het tijdstip van die behandeling aan Gazprom is betekend of haar daarvan is kennisgegeven en, dus, evenmin aan de verplichting volgend uit artikel 15, eerste lid, van het Haags Betekeningsverdrag tot aanhouding van de beslissing over het verzoek van Naftogaz. Hetzelfde geldt voor de correspondentie tussen de in de aanhef van deze beschikking genoemde advocaat van Naftogaz en de advocaat die zich enige tijd na de mondelinge behandeling voor Gazprom heeft gesteld, waarop Naftogaz zich in haar ‘akte uitlating producties’ van 10 januari 2019 beroept, nog daargelaten dat die correspondentie dateert van ruim voor de betekening van het oproepingsexploot aan het ressortsparket.

3.8.

Het bovenstaande leidt ertoe dat het hof op grond van het bepaalde in artikel 987, vierde lid, Rv in verbinding met artikel 1075, tweede lid, Rv en artikel 15, eerste lid, van het Haags Betekeningsverdrag de nadere oproeping van Gazprom zal bevelen voor de mondelinge behandeling van het verzoek. Daartoe zullen tevens een nieuwe dag en tijd voor die behandeling worden bepaald. De mondelinge behandeling zal aldus onder 4 nader worden bepaald op een termijn van ten minste zes maanden, welke tijdspanne tegelijk een termijn inhoudt als bedoeld in artikel 15, tweede lid onder b, van het Haags Betekeningsverdrag en artikel 10, eerste lid onder b, van de wet tot uitvoering van dat verdrag, zodat na het verstrijken van die termijn ook zonder bericht van de centrale autoriteit van Rusland over het verzoek zal kunnen worden beslist, mits aan de voorwaarden van laatstgenoemde bepalingen is voldaan. De nadere mondelinge behandeling zal op gezamenlijk verlangen van partijen kunnen worden vervroegd indien en voor zover de beschikbare zittingsruimte van het hof dat toelaat.

3.9.

Uitsluitend ter voorlichting van partijen wordt opgemerkt dat de toewijsbaarheid van het verzoek, met in aanmerkingneming van het bepaalde in het Verdrag van New York voor zover van belang, bij de nadere mondelinge behandeling geheel opnieuw aan de orde zal moeten komen, zodat Naftogaz het verzoek dan wederom zal mogen toelichten en Gazprom zich daartegen zal mogen verweren. Stukken waarvan onder 1 is vermeld dat zij niet tot de gedingstukken behoren, zullen tijdig voor de behandeling moeten worden ingediend indien een partij zich daarop wil beroepen. Aan Gazprom zal verder gelegenheid worden gegeven een verweerschrift in te dienen tot uiterlijk drie weken voor de nadere mondelinge behandeling. Het hof hecht eraan bij gelegenheid van die behandeling op de hoogte te worden gesteld van de stand van zaken met betrekking tot het onder 2.3 genoemde geding waarin Gazprom de vernietiging van het arbitraal vonnis heeft gevorderd. Aan mr. De Korte zal, in zijn hoedanigheid van advocaat van de onder 2.4 genoemde rechtspersonen, een afschrift van deze beschikking worden gezonden, gelet op zijn verzoek hiertoe en het daarbij beschreven belang van die rechtspersonen. Ten slotte wordt vermeld dat partijen ervan moeten uitgaan dat het hof bij de hieronder te bepalen nadere mondelinge behandeling in andere samenstelling zitting zal hebben dan bij de eerdere, onder 1 genoemde mondelinge behandeling.

3.10.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

beveelt Naftogaz Gazprom op te roepen voor de hieronder te noemen nadere mondelinge behandeling;

bepaalt dat een nadere mondelinge behandeling van het ingediende verzoek zal worden gehouden in een van de zalen van het Paleis van Justitie, IJdok 20 te 1013 MM Amsterdam, op woensdag 4 december 2019 te 9:30 uur behoudens vervroeging als onder 3.8 vermeld;

bepaalt dat Gazprom een verweerschrift zal mogen indienen tot uiterlijk drie weken voor de datum van de nadere mondelinge behandeling;

bepaalt dat de griffier van het hof een afschrift van deze beschikking zal toezenden aan mr. J.Ph. de Korte, advocaat te Amsterdam;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, R.J.F. Thiessen en E.W. de Groot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019.