Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1907

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
200.236.064/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg begrip ‘diensttijd’ in de cao voor het voortgezet onderwijs 2016-2017. Meetellen dienstjaren bij Europese School Bergen bij berekening jubileumgratificatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0670
Onderwijs Totaal 2019/1009
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.236.064/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 5842272 CV EXPL 17-7561

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 mei 2019

inzake

de stichting STICHTING ONDERWIJSSTICHTING ESPRIT,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. M.F. Hilberdink te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.S. Roelofsen te Zeist.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Esprit en [geïntimeerde] genoemd.

Esprit is bij dagvaarding van 22 januari 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 23 oktober 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en Esprit als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie;

- akte van de zijde van Esprit;

- antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde] .

Ten slotte is arrest gevraagd.

Esprit heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van de krachtens het vonnis in eerste aanleg door Esprit aan [geïntimeerde] betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door Esprit tot aan de dag van voldoening door [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, met nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis in eerste aanleg en veroordeling van Esprit in de proceskosten van het hoger beroep.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1 (1.1 tot en met 1.11) de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet wezenlijk in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Waar nodig aangevuld met hetgeen overigens als gesteld en niet voldoende gemotiveerd weersproken is komen vast te staan, gaat het om de volgende feiten.

2.2

Esprit is een onderwijsstichting. Onder haar bestuur ressorteert onder andere de Amsterdam International Community School (AICS). [geïntimeerde] is op 28 november 2003 bij Esprit in dienst getreden als docent aan de AICS, aanvankelijk parttime en later fulltime. Zij geeft thans lichamelijke opvoeding aan klassen in het voortgezet onderwijs van de AICS.

2.3

Van 1 september 1991 tot en met 31 augustus 2005 is [geïntimeerde] in dienst geweest als docent bij de Europese School te Bergen NH (hierna: ESB).

2.4

Op de website van de ESB staat vermeld dat leerlingen beginnen op de kleuterschool met 4 jaar, op de basisschool vanaf 6 jaar en op de middelbare school met 11 jaar.

2.5

Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de cao voor het voortgezet onderwijs (hierna: de cao VO) van toepassing. Art. 13.8 leden 1, 2 en 3 van de cao VO 2016-2017 luiden als volgt:

“1. De werknemer heeft bij het bereiken van de jubileumdatum aanspraak op een door de werkgever uit te betalen jubileumgratificatie.

2. De jubileumgratificatie bedraagt bij een 25-jarige diensttijd bij het onderwijs 50% en bij een 40- of 50-jarig jubileum 100% van het bruto maandsalaris verhoogd met vakantietoeslag.

3. Onder diensttijd bij het onderwijs wordt verstaan de tijd doorgebracht in een betrekking in het po, vo, bve (mbo) of hbo.”

Daarbij staat po voor primair onderwijs, vo voor voortgezet onderwijs, bve voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en hbo voor hoger beroepsonderwijs.

2.6

Art. 1.3 lid 2 van de cao VO 2016-2017 bepaalt dat de artikelen vanaf art. 6 van de cao een minimumkarakter hebben.

3 Beoordeling

3.1

Bij dagvaarding van 9 maart 2017 heeft [geïntimeerde] , kort samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, op de voet van art. 13.8 cao VO 2016-2017 aanspraak gemaakt op betaling aan haar van een jubileumgratificatie van 50% van haar bruto maandsalaris, verhoogd met vakantietoeslag, inclusief de wettelijke verhoging van art. 7:625 BW en vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van Esprit in de proceskosten. Aan haar vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat zij op 1 september 2016 25 jaar werkzaam was in het onderwijs in de zin van die bepaling.

3.2

Esprit heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [geïntimeerde] . Daartoe heeft Esprit betwist, kort gezegd, dat diensttijd bij de ESB onder de werkingssfeer van art. 13.8 van de cao VO 2016-2017 valt en dat de dienstjaren van [geïntimeerde] bij de ESB meetellen bij de berekening van de diensttijd voor de jubileumgratificatie.

3.3

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat de wijze waarop het bestanddeel ‘diensttijd bij het onderwijs’ in art. 13.8 van de cao VO 2016-2017 moet worden uitgelegd, bepalend is voor het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] recht heeft op de jubileumgratificatie. Onder ‘diensttijd bij het onderwijs’ wordt verstaan de tijd doorgebracht in een betrekking in het po, vo, bve (mbo) of hbo. [geïntimeerde] heeft er naar het oordeel van de kantonrechter terecht op gewezen dat de ESB zowel primair als voortgezet onderwijs verzorgt en dat [geïntimeerde] dat onderwijs heeft gegeven. Daarmee is sprake van ‘diensttijd bij het onderwijs’ als bedoeld in art. 13.8 van de cao VO 2016-2017, aldus de kantonrechter.

3.4

De kantonrechter heeft vervolgens de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. Daarbij is de wettelijke verhoging beperkt tot 10%. Esprit is veroordeeld in de proceskosten.

3.5

Esprit heeft vijf grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden. Op de inhoud van de grieven zal hieronder nader worden ingegaan.

3.6

De kernvraag die voorligt, is hoe het begrip ‘diensttijd bij het onderwijs’ in art. 13.8 lid 2 cao VO 2016-2017 moet worden uitgelegd. Het gaat hierbij om de uitleg van een cao-bepaling, wat betekent dat de zogenoemde cao-norm van toepassing is. Deze houdt in dat aan de bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt niet aan op de bedoelingen van cao-partijen, voor zover deze niet uit de cao-bepalingen kenbaar zijn.

3.7

Art. 13.8 lid 2 van de cao VO 2016-2017 definieert het begrip ‘diensttijd bij het onderwijs’ als de tijd die is doorgebracht in een betrekking in het po, vo, bve (mbo) of hbo. ‘Po’of primair onderwijs is volgens de Nationale Onderwijsgids een verzamelnaam voor scholen in het regulier basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs. Art. 2 van de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) definieert basisonderwijs als ‘het onderwijs bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks 4 jaar’ en als onderwijs dat mede de grondslag legt voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs. ‘Vo’, oftewel voortgezet onderwijs, is volgens de Nationale Onderwijsgids ‘het reguliere onderwijs dat kinderen na afronding van het basisonderwijs volgen’. Een school waar voortgezet onderwijs wordt aangeboden, heet ‘een middelbare school’, aldus de Nationale Onderwijsgids. Art. 2 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) spreekt van ‘onderwijs dat wordt gegeven na het basisonderwijs en na het speciaal onderwijs’.

3.8

In de Nationale Onderwijsgids wordt het begrip po dus gedefineerd als onderwijs voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks vier jaar en het begrip vo als onderwijs dat wordt gegeven na het po. Gelet hierop geldt voor de bewoordingen ‘diensttijd bij het onderwijs’ in art. 13.8 lid 2 van de cao VO 2016-2017 dat daaronder moet worden verstaan diensttijd doorgebracht in het onderwijs aan kinderen vanaf de leeftijd van 4 jaar op een basis of lagere school en in het daarop aansluitend voortgezet onderwijs op een middelbare school. Er is geen goede grond om bij de uitleg van art. 13.8 lid 2 van de cao VO 2016-2017 terug te grijpen op de cao VO 2008-2010, zoals door Esprit bepleit in haar eerste grief. De bewoordingen van art. 13.8 lid 2 vragen niet om een nadere uitleg, laat staan een uitleg aan de hand van een cao die dateert van ruim zeven jaar eerder.

3.9

Het feit dat in de cao VO 2008-2010 het begrip ‘diensttijd’ is ingeperkt van diensttijd doorgebracht in verschillende overheidsbetrekkingen tot diensttijd doorgebracht in het onderwijs, zoals door Esprit opgemerkt, vormt evenmin voldoende grond voor de door haar voorgestane uitleg, reeds omdat daarvoor in de tekst van art. 13.8 of van de overige bepalingen van de cao geen aanknopingspunten zijn te vinden.

3.10

Het voorgaande brengt mee dat grief 1 van Esprit wordt verworpen.

3.11

Het betoog van Esprit in grief 2, inhoudende dat [geïntimeerde] bij de ESB werkzaam is geweest in het ‘lager- en middelbaar onderwijs’ en dus niet in het ‘primair en voortgezet onderwijs’ in de zin van art. 13.8 cao VO 2016-2017, kan Esprit dus niet baten. De termen ‘lager- en middelbaar onderwijs’ dateren van vóór de invoering van de Mammoetwet in 1968, maar worden ook heden ten dage nog gebruikt als synoniemen voor ‘primair en voortgezet onderwijs’. Esprit heeft niet bestreden dat het zowel bij lager- en middelbaar onderwijs als bij primair- en voortgezet onderwijs gaat om onderwijs aan respectievelijk kinderen tot ongeveer 12 jaar en kinderen vanaf ongeveer 12 jaar.

3.12

Esprit betoogt in grief 2 voorts dat de werkzaamheden van [geïntimeerde] voor de ESB niet onder art. 13.8 van de cao VO 2016-2017 vallen, omdat de WPO op grond van art. 7 van die wet niet van toepassing is op scholen die uitsluitend bestemd zijn voor kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en de ESB een dergelijke school is. Het hof verwerpt deze stelling. In de eerste plaats is, zoals [geïntimeerde] terecht opmerkt, art. 7 WPO niet relevant voor de uitleg van het begrip ‘diensttijd bij het onderwijs’ in art. 13.8 van de cao VO 2016-2017. Daarnaast erkent Esprit zelf (Mvg onder 54) dat de ESB ook open staat voor kinderen met de Nederlandse nationaliteit.

3.13

Grief 3 richt zich tegen de conclusie van de kantonrechter dat Nederland het door de ESB verstrekte onderwijs erkent op grond van het Verdrag houdende het statuut van de Europese Scholen. Door Esprit is aangevoerd dat dit niet het geval is en dat het Verdrag aan de ESB alleen rechtspersoonlijkheid toekent voor de verwezenlijking van haar taak om onderwijs te geven aan kinderen van het personeel van de Europese gemeenschappen en andere kinderen die tot de ESB worden toegelaten (art. 1 van het Verdrag). Esprit wil hiermee kennelijk betogen dat de ESB niet binnen het Nederlandse onderwijssysteem valt en dat de door [geïntimeerde] aan de ESB doorgebrachte diensttijd daarom niet meetelt als diensttijd in de zin van art. 13.8 lid 2 van de cao VO 2016-2017. Het hof kan deze stelling niet volgen. Het hof sluit zich aan bij de overweging van de kantonrechter, inhoudende dat de Nederlandse Staat door het sluiten van eerdergenoemd Verdrag heeft erkend dat de ESB een publiekrechtelijke instelling is die in Nederland basis- en secundair - oftewel primair- en voortgezet - onderwijs verzorgt. Aan het Verdrag kan daarom geen argument ontleend worden om te oordelen dat het aan de ESB gegeven onderwijs niet valt onder de begrippen primair- en voortgezet onderwijs in art. 13.8 lid 2 van de cao VO 2016-2017.

3.14

Met grief 4 bestrijdt Esprit het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] er terecht op heeft gewezen dat het ministerie van OCW via de onderwijsinspectie benadrukt dat het door de ESB verstrekte onderwijs erkend primair- en voortgezet onderwijs betreft. Esprit wil met deze grief kennelijk, evenals met grief 3, aanvoeren dat de ESB niet binnen het Nederlandse onderwijssysteem valt en dat de door [geïntimeerde] aan de ESB doorgebrachte diensttijd daarom niet meetelt als diensttijd in de zin van art. 13.8 lid 2 van de cao VO 2016-2017. Ook deze grief is echter vergeefs voorgesteld. Voor de uitleg van het begrip ‘diensttijd bij het onderwijs’ in art. 13.8 lid 2 van de cao VO 2016-2017 is niet bepalend of het ministerie van OCW al dan niet heeft benadrukt dat bij de ESB primair- en voortgezet onderwijs wordt gegeven. Esprit heeft bovendien niet weersproken dat het voortgezet onderwijs aan de ESB volgens het ministerie gelijk is aan het voortgezet wetenschappelijk onderwijs en dat afronding van dat onderwijs toegang geeft tot Nederlandse hogescholen en universiteiten. In die zin is dan ook sprake van erkenning door het ministerie van OCW van het door de ESB in Nederland verzorgde onderwijs.

3.15

Esprit heeft voorts nog aangevoerd in grief 5 dat de ESB een eigen beloningsstructuur kent waarin de beloning van haar docenten uitputtend is geregeld. (Een deel van) de jubileumgratificatie zou daarom al verdisconteerd zijn in het loon dat [geïntimeerde] destijds bij de ESB verdiende. Het hof is van oordeel dat, ook al zou dit juist zijn, dit niet eraan in de weg staat dat [geïntimeerde] jegens Esprit recht heeft op de jubileumgratificatie. Zoals hiervoor overwogen, is in deze zaak bepalend hoe het begrip ‘diensttijd in het onderwijs’ in art. 13.8 lid 2 van de cao VO 2016-2017 moet worden uitgelegd en of onder ‘po’ en ‘vo’ ook het lager- en middelbaar onderwijs van de ESB valt. De door de ESB gehanteerde beloningsregeling staat hier los van, nog afgezien van het feit dat, zoals [geïntimeerde] terecht opmerkt, art. 13.8 cao VO een minimumkarakter heeft, zodat ook als zij bij de ESB een andere, mogelijk hogere, beloning zou hebben ontvangen dan bij een andere school, dit niet zonder meer in de weg staat aan haar recht op de jubileumgratificatie op grond van art. 13.8 lid 2 cao VO 2016-2017.

3.16

De conclusie is dat het hoger beroep van Esprit faalt en dat het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd zal worden. Esprit zal, als de ook in het hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt Esprit in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 318,- aan verschotten en € 759,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, A.S. Arnold en M.S.A. Vegter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019.