Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1897

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
23-003647-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging. 9a

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003647-16

datum uitspraak: 23 mei 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-083007-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te district [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

woonadres: [adres 1] (Suriname);

ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven postadres: [adres 2].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2019.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 april 2014 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer] eenmaal of meermalen een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp getoond en/of voorgehouden en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd : "Als ik haar vermoord dan kan niemand wat doen!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking bewijsverweer

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat hij zich aan het tenlastegelegde niet schuldig heeft gemaakt. Hiertoe is door de verdediging aangevoerd dat niet iedere onbeheerste uiting van woede per definitie een strafbare bedreiging oplevert, de getuigen hebben willen verbloemen dat de verdachte een mes in zijn handen had om gestolen kleding te vernietigen en de verdachte geen opzet heeft gehad op het aanjagen van vrees bij aangeefster.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt. [slachtoffer] heeft op 7 april 2014 om 18:00 uur aangifte gedaan, getuige [getuige 1] heeft om 19:58 uur die dag een verklaring afgelegd en getuige [getuige 2] heeft die zelfde dag om 21:00 uur een verklaring afgelegd. Deze verklaringen sluiten in hoofdlijnen op elkaar aan en zijn consistent. Ook bij de rechter-commissaris sluiten de verklaringen op elkaar en op de eerder afgelegde verklaringen aan. In hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de verklaringen van de getuigen en de aangeefster. Op grond van deze verklaringen stelt het hof vast dat de verdachte [slachtoffer] een mes heeft getoond en voor haar hoorbaar tegen haar broer dreigend woorden heeft uitgesproken van de strekking dat niemand er wat aan zou kunnen doen als de verdachte [slachtoffer] zou vermoorden. Dit samenstel van handelen en spreken laat zich in de omstandigheden van dit geval naar het oordeel van het hof niet anders kwalificeren dan als een opzettelijke bedreiging van [slachtoffer] met enig misdrijf tegen het leven gericht, nu dit in de gegeven context geschikt is om de vrees voor een levensdelict teweeg te brengen. Overigens heeft [slachtoffer] in haar aangifte kenbaar gemaakt dat zij echt heel erg bang was dat de verdachte haar zou vermoorden. De stelling van de verdediging dat het tonen van het mes geen verband hield met de bedreiging, acht het hof niet aannemelijk geworden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 april 2014 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer] eenmaal of meermalen een mes getoond, en dreigend de woorden uitgesproken : "Als ik haar vermoord dan kan niemand wat doen!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Beslissing omtrent de sanctietoepassing

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van vijfhonderd euro, te vervangen door tien dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte aan het ten laste gelegde schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht).

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, het voorstel van de advocaat-generaal te volgen en rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Het hof heeft in hoger beroep in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte en de aangeefster een lange relatie hebben gehad en dat de bewezenverklaarde bedreiging heeft plaatsgevonden in een voor de verdachte emotionele periode, waarin deze relatie strandde. Hoezeer bedreigingen als de onderhavige ook in deze context achterwege dienen te blijven, acht het hof het raadzaam te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daarbij heeft het hof ook gelet op omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan, namelijk het onredelijk lange tijdsverloop sinds het feit is gepleegd en het feit dat de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is geweest met justitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. R. Kuiper en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 mei 2019.

mr. J.J.I de Jong is buiten staat dit arrest te ondertekenen.