Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1894

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
23-001200-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal blikjes bier en lokaalvredebreuken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001200-18

datum uitspraak: 28 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 april 2018 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-032937-18, 13-056288-18 en 13-057458-18 en 13-703065-17 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Lelystad te Lelystad.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-032937-18:
hij op of omstreeks 17 februari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een blikje bier, althans een of meer drinkwa(a)r(en) (met een totale waarde van circa € 1,18), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf [bedrijf 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak met parketnummer 13-056288-18 (gevoegd):
1:
hij op of omstreeks 21 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer blikken bier, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf [bedrijf 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2:
hij op of omstreeks 21 maart 2018 te Amsterdam het besloten lokaal, [adres], bij een ander, te weten bij winkelbedrijf [bedrijf 2], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

Zaak met parketnummer 13-057458-18:
hij op of omstreeks 23 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal (te weten een bedrijfspand), gelegen aan de [adres] en in gebruik bij winkelbedrijf [bedrijf 2] en/of [benadeelde], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Bespreking verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde lokaalvredebreuken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het winkelverbod, aangezien hem alleen een Nederlands exemplaar is uitgereikt en hij in beschonken toestand verkeerde toen hem het winkelverbod was opgelegd.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt. Het dossier bevat een winkelontzegging van 27 december 2017 voor de duur van één jaar, die door de verdachte is ondertekend (p. 5). In zijn verhoor op 21 maart 2018 (met bijstand van een tolk in de Engelse taal, waarbij de verdachte zelf voor deze taal had gekozen, alsmede in aanwezigheid van zijn toenmalige raadsvrouw) heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat hij niet in de [bedrijf 2], gelegen aan de [adres] mocht komen. Daaruit volgt genoegzaam dat de verdachte voor 21 maart 2018 en dus ook op 23 maart 2018 op de hoogte was van (de inhoud van) het winkelverbod.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 13-032937-18:
hij op 17 februari 2018 te Amsterdam een blikje bier, met een waarde van € 1,18, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf [bedrijf 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak met parketnummer 13-056288-18:
1:
hij op 21 maart 2018 te Amsterdam blikken bier, die aan een ander toebehoorden, te weten aan winkelbedrijf [bedrijf 2], heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2:
hij op 21 maart 2018 te Amsterdam het besloten lokaal, [adres], bij een ander, te weten bij winkelbedrijf [bedrijf 2], in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

Zaak met parketnummer 13-057458-18:
hij op 23 maart 2018 te Amsterdam wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal, te weten een bedrijfspand gelegen aan de [adres] en in gebruik bij winkelbedrijf [bedrijf 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 13-032937-18 en in de zaak met parketnummer 13-056288-18 onder 1 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal.

Het in de zaak met parketnummer 13-056288-18 onder 2 en in de zaak met parketnummer 13-057458-18 bewezen verklaarde levert telkens op:

in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht geen straf op te leggen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte zo snel mogelijk terug moet, en terug wil, naar Letland. De verdachte heeft niets meer in Nederland en hij mag hier niet meer zijn. Voorts heeft hij aangevoerd dat de verdachte reeds acht maanden vast zit wegens de diefstal van twee blikjes bier in een andere zaak.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van blikjes bier en lokaalvredebreuken. Winkeldiefstal is een ergerlijke vorm van criminaliteit die voor winkeliers veel hinder en schade oplevert. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het desbetreffende winkelbedrijf. Daarbij was hem de toegang tot deze winkel ontzegd, welke ontzegging hij heeft genegeerd door deze winkel toch tot twee maal toe binnen te gaan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 februari 2019 is hij eerder verschillende malen onherroepelijk veroordeeld voor vermogensdelicten, hetgeen in zijn nadeel weegt. In beginsel is dan ook enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie.

Op 12 oktober 2018 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam (evenwel) de verdachte wegens winkeldiefstallen (zij het niet onherroepelijk) de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. Tevens wordt de verdachte heden, wegens soortgelijke feiten, door het hof tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen (die de door hem in die zaken in voorarrest doorgebrachte tijd niet overstijgen) veroordeeld. Gelet daarop zal het hof, mede gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

De ernst van de feiten en de recidive van de verdachte verzetten zich tegen toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, temeer nu bedoeld vonnis van 12 oktober 2018 niet onherroepelijk is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam op 29 december 2017 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging, nu uit het dossier niet blijkt dat de uitspraak is betekend aan de verdachte.

Uit de stukken blijkt dat de verdachte bij een procedure op tegenspraak is veroordeeld (gemachtigd raadsman) en dat een mededeling als bedoeld in artikel 366a Wetboek van Strafvordering is gedaan. Aldus is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vordering.

In hetgeen is overwogen in het kader van het opleggen van een straf in deze zaak, acht het hof, hoewel aan de voorwaarden om de tenuitvoerlegging te gelasten is voldaan, evenwel termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaken met parketnummers 13-032937-18, 13-056288-18 onder 1 en 2 en 13-057458-18 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaken met parketnummers 13-032937-18, 13-056288-18 onder 1 en 2 en 13-057458-18 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 16 maart 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 december 2017, parketnummer 13-703065-17, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. R. Kuiper en mr. E.H.M. Druijf, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 februari 2019.

mr. E.H.M. Druijf is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.