Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:188

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
200.242.943/01 GDW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TGDKG:2018:175, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder - in de kern - dat:

a) de brief van 31 oktober 2016, waarin de gerechtsdeurwaarder dreigt met verschillende executiemaatregelen, in strijd is met de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders, omdat de gerechtsdeurwaarder niet beschikt over een geldige titel en zodoende ongeoorloofde en onnodige pressie uitoefent;

b) de in die brief vermelde executiemaatregelen buitenproportioneel zijn, omdat de hoofdvordering reeds was voldaan en de vordering slechts incassokosten betreft;

c) de gerechtsdeurwaarder onjuiste juridische argumenten hanteert door te stellen dat klaagster incassokosten is verschuldigd ook al heeft zij nooit een sommatiebrief ontvangen;

d) de gerechtsdeurwaarder in reactie op haar bezwaar tegen de gang van zaken, zonder nadere inhoudelijke onderbouwing beweert dat het dreigen met executiemaatregelen wel is geoorloofd.

De kamer heeft de klacht gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder ter zake daarvan de maatregel van berisping opgelegd. Het hof verklaart klager niet ontvankelijk in klachtonderdeel c; de vraag of incassokosten zijn verschuldigd, is niet ter beoordeling aan de tuchtrechter. Het hof verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.242.943/01 GDW

nummer eerste aanleg : C/13/619625/DW RK 16/1287

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 8 januari 2019

inzake

[naam] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

appellant,

tegen

[naam] ,

wonend te [plaats] ,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: de gerechtsdeurwaarder) heeft op 23 juli 2018 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 26 juni 2018. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van geïntimeerde (hierna: klaagster) gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd.

1.2.

Klaagster heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid een verweerschrift bij het hof in te dienen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 25 oktober 2018. De gerechtsdeurwaarder is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Voor zover de gerechtsdeurwaarder tegen de vaststelling van die feiten bezwaar heeft gemaakt, zal het hof hiermee (voor zover relevant) bij de beoordeling rekening houden.

3.2.

Het gaat in deze zaak - in de kern - om het volgende.

3.2.1.

In een op 19 augustus 2016 gedateerde brief van de gerechtsdeurwaarder wordt klaagster gesommeerd € 1.184,57 aan achterstallige huurpenningen tot en met juli 2016 en incassokosten te voldoen, uiterlijk op 24 augustus 2016. Daarnaast wordt klaagster verzocht de huur over de maand augustus 2016 ter hoogte van € 1.002,60 binnen veertien dagen te voldoen teneinde incassokosten te voorkomen. In de brief wordt tot slot het volgende vermeld:

“Mocht u niet tot betaling over gaan dan zullen wij overgaan tot het nemen van rechtsmaatregelen.

(…)”

3.2.2.

In een op 6 september 2016 gedateerde brief van de gerechtsdeurwaarder wordt klaagster verzocht de incassokosten van € 185,15 te voldoen, uiterlijk op 11 september 2016. In de brief staat voorts het volgende vermeld:

“U bent door de verhuurder gesommeerd om de vordering binnen een termijn van 14 dagen te voldoen. Deze termijn heeft u ongebruikt laten verstrijken; uw betalingen heeft u buiten deze termijn gedaan.

Bovengenoemd bedrag dient uiterlijk 11-09-2016 door ons ontvangen te zijn, bij gebreke waarvan verdere maatregelen genomen zullen worden.

(…)”

3.2.3.

Klaagster heeft de huurbetalingen over de maanden juli en augustus 2016 eerst na de vervaldatum voldaan. Bij brief van 21 oktober 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster bericht dat zij op dat moment nog € 187,15 verschuldigd was en haar verzocht dit bedrag uiterlijk op 26 oktober 2016 te voldoen. In de brief staat voorts het volgende vermeld:

“(…)

Als u niet, of niet tijdig betaalt, dan zullen wij helaas verdere maatregelen moeten nemen.

Alle bijkomende kosten komen dan voor uw rekening.

(…)”

3.2.4.

Op 31 oktober 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster “een kennisgeving voorgenomen gerechtelijke procedure eventueel gevolgd door executie van de verkregen titel” gestuurd. Hierin staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“Onlangs bent u door ons gesommeerd het daarin verschuldigde te voldoen. Tot heden is door u hieraan niet voldaan, zodat cliënt(e) thans geen andere optie heeft dan u in rechte aan te spreken op uw schuld. Hiertoe zult u worden gedagvaard om zodoende een vonnis op u te verkrijgen. Indien u niet aan de inhoud van het alsdan behaalde vonnis (titel) voldoet, zullen wij ertoe overgaan het vonnis aan u te betekenen (ter hand te stellen), waarna de daartoe bevoegde gerechtsdeurwaarder er toe mag over gaan om beslag te leggen op uw roerende en/of onroerende zaken en op uw bank- en/of girorekening.

Wij wijzen u er op dat wanneer wij een toewijzend vonnis op u hebben verkregen, de executiemogelijkheden van de bevoegde gerechtsdeurwaarder ruim zijn. Zo is het mogelijk om, wanneer er bij een beslaglegging niemand wordt aangetroffen om de deurwaarder toegang te verschaffen, beslag te leggen na forcering van de deuren, zulks met assistentie van justitie en politie krachtens art. 444 Rv.

Het traject zoals hierboven beschreven brengt voor u hoge kosten met zich. Wij gaan er van uit dat u het niet zover wilt laten komen.

Thans willen wij u een laatste gelegenheid bieden om BINNEN 5 DAGEN NA HEDEN het verschuldigde bedrag alsnog te voldoen, bij gebreke waarvan het hiervoor gemelde traject wordt ingezet. U kunt dit voorkomen door binnen de voormelde termijn het totaal verschuldigde bedrag ad € 187,68 inclusief rente en kosten, te voldoen (…)”

3.2.5.

Bij e-mailbericht van 2 november 2016 heeft klaagster het schrijven van de gerechtsdeurwaarder van 31 oktober 2016 bevestigd. Daarnaast schrijft klaagster (onder meer) het volgende:

“(…)

Op 21 augustus jongstleden ontdekte ik in mijn administratie dat de huurbetalingen over juli 2016 en augustus 2016 nog niet hadden plaatsgevonden. (…) Toen ik dit ontdekte heb ik dit direct hersteld.

Bij brief van 21 oktober 2016 ontving ik van u een overzicht van de verschuldigde bedragen en vervallen bijdragen, waaruit bleek dat de betalingen over juli en augustus 2016 in goede orde door [verhuurder] zijn ontvangen.

In deze brief was echter ook een bedrag aan incassokosten en btw in rekening (…) gebracht. Dit laatste is mijns inziens ten onrechte. Immers, voordat u incassokosten in rekening mag brengen moet u eerst een aanmaning sturen met een betalingstermijn van minimaal 14 dagen (…).

Voorafgaand aan uw brief van 21 oktober 2016 heb ik niet eerder een aanmaning (of enige andere correspondentie) van u ontvangen. Ik zal dan ook per ommegaande slechts de rente van EUR 5,60 aan u overmaken. (…)”

3.2.6.

Bij e-mailbericht van 4 november 2016 heeft de Afdeling Huurincasso van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder aan klaagster (onder meer) het volgende bericht:

“(…) Het klopt dat u niet door ons bent aangeschreven om de vordering binnen een termijn van 14 dagen te voldoen.

De verhuurder zelf heeft dit gedaan; per brief van 15 juli 2016.

Voor de volledigheid voegen wij deze brief als bijlage bij deze e-mail.

(…)”

3.2.7.

Bij e-mailbericht van 5 november 2016 heeft klaagster hierop gereageerd en (onder meer) het volgende bericht:

“De brief die u mij gisteren per e-mail hebt toegestuurd is mij volledig onbekend. Ik heb nimmer een aanmaning of sommatie van [verhuurder] ontvangen. Ik begrijp dat deze op 15 juli is verzonden. Deze heb ik niet ontvangen. (…)”

4 Standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder - in de kern - dat:

  1. de brief van 31 oktober 2016, waarin de gerechtsdeurwaarder dreigt met verschillende executiemaatregelen, in strijd is met de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders (hierna: de Verordening), omdat de gerechtsdeurwaarder niet beschikt over een geldige titel en zodoende ongeoorloofde en onnodige pressie uitoefent;

  2. de in die brief vermelde executiemaatregelen buitenproportioneel zijn, omdat de hoofdvordering reeds was voldaan en de vordering slechts incassokosten € 181,97 betreft;

  3. de gerechtsdeurwaarder onjuiste juridische argumenten hanteert door te stellen dat klaagster incassokosten is verschuldigd ook al heeft zij nooit een sommatiebrief ontvangen;

  4. e gerechtsdeurwaarder in reactie op haar bezwaar tegen de gang van zaken, zonder nadere inhoudelijke onderbouwing beweert dat het dreigen met executiemaatregelen wel is geoorloofd.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

6.1.

Artikel 8 van de Verordening (Stcrt. 12 juli 2001, nr. 132) bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder geen druk uitoefent door het aankondigen van maatregelen, welke hij niet uit hoofde van zijn opdracht, de wet en de hem verstrekte titel daadwerkelijk kan nemen.

In de toelichting bij dit artikel staat het volgende vermeld:

“Dat de gerechtsdeurwaarder geen maatregelen aankondigt die hij niet daadwerkelijk kan nemen spreekt voor zich. Zo zullen bij een incasso-opdracht in eerste instantie geen procedurele of executoriale maatregelen worden genomen. Deze situatie kan echter ieder moment veranderen, in die zin dat bij niet-betalen door de debiteur besloten wordt over te gaan tot het nemen van gerechtelijke stappen. In die zin zal de gerechtsdeurwaarder dus altijd voldoen aan het artikel 8: op zeker moment zal hij maatregelen kunnen nemen. Van belang is echter dat de gerechtsdeurwaarder in zijn communicatie met de debiteur niet aankondigt dat hij een maatregel zal nemen, wanneer hij nog niet concreet van plan is deze te gaan nemen, maar dat hij zo een maatregel zal kunnen nemen, teneinde oneigenlijke druk op de schuldenaar te voorkomen.”

Klachtonderdeel a

6.2.

De gerechtsdeurwaarder betwist dat de tekst van de brief van 31 oktober 2016 ontoelaatbaar of onnodig intimiderend is. Ten tijde van de verzending van deze brief had de gerechtsdeurwaarder nog geen enkele inhoudelijke reactie van klaagster ontvangen, zodat op dat moment het voornemen was om - bij uitblijven van enige reactie - tot verdere actie over te gaan. De gerechtsdeurwaarder voert voorts aan dat klaagster meermalen is aangeschreven om (ook) de incassokosten te voldoen en dat hij op dat moment geen reden had te twijfelen aan de verschuldigdheid van het gevorderde bedrag. Evenmin had hij reden om aan te nemen dat klaagster de sommatiebrieven niet had ontvangen. Volgens de gerechtsdeurwaarder wijkt de kamer - zonder motivering - af van de geldende jurisprudentie. In eerdere klachtprocedures tegen de gerechtsdeurwaarder bij de kamer en het hof lag een brief met soortgelijke inhoud ter beoordeling voor en is die brief tuchtrechtelijk toelaatbaar geacht, aldus de gerechtsdeurwaarder. Bovendien heeft de kamer geen rekening gehouden met het feit dat de brief van 31 oktober 2016 de laatste was in een reeks van onbeantwoord gebleven sommaties.

6.3.

In de door de gerechtsdeurwaarder genoemde beslissing van het hof van 28 december 2010, zaaknummer: 200.058.396/01 GDW, in een zaak waarin de deurwaarder appellant was (niet gepubliceerd), lag een - naar inhoud en strekking - vergelijkbare brief van de gerechtsdeurwaarder ter beoordeling aan het hof voor (zie producties 7 en 8 bij het beroepschrift). Het hof was toen van oordeel dat de tekst en toonzetting van die brief niet dusdanig waren dat de brief als ontoelaatbaar, onnodig intimiderend, misplaatst of onzorgvuldig moest worden aangemerkt. Volgens het hof betrof het een ferm opgestelde tekst, die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat. De brief was een laatste in een oplopende reeks. Het hof achtte destijds niet onbegrijpelijk dat een dergelijke brief een ferme toonzetting had.

Het hof ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Weliswaar is de toonzetting van de brief van 31 oktober 2016 ferm, maar de grens van hetgeen tuchtrechtelijk toelaatbaar is, is hierbij naar het oordeel van het hof niet overschreden. De gerechtsdeurwaarder heeft op correcte wijze uiteengezet wat de verschillende mogelijke stappen zijn die hij kan nemen bij het uitblijven van volledige betaling door klaagster, te beginnen met het dagvaarden van klaagster. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de brief van 31 oktober 2016 vanuit het oogpunt van de gerechtsdeurwaarder een laatste brief in een oplopende reeks was. Dat klaagster stelt zowel de brief van de opdrachtgever van 15 juli 2016 als de brieven van de gerechtsdeurwaarder van 19 augustus en 6 september 2016 niet te hebben ontvangen, maakt het voorgaande niet anders, omdat klaagster dit pas in haar e‑mailbericht van 2 november 2016 aan de gerechtsdeurwaarder kenbaar heeft gemaakt. De gerechtsdeurwaarder had er tot dan toe vanuit mogen gaan dat klaagster genoemde brieven had ontvangen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder in zijn brief van 31 oktober 2016 geen ongeoorloofde en oneigenlijke druk heeft uitgeoefend, temeer niet nu de gerechtsdeurwaarder in hoger beroep onweersproken heeft gesteld dat hij bij het uitblijven van een reactie van klaagster zou zijn overgegaan tot het starten van een gerechtelijke procedure. Het hof tekent hierbij nog aan dat in de aanhef van de brief dikgedrukt is vermeld dat executie van de verkregen titel “eventueel” wordt gevolgd door executie ervan. Evenmin behoefde de gerechtsdeurwaarder in zijn brief van 31 oktober 2016 te vermelden dat een te behalen vonnis ook in het voordeel van klaagster kan uitvallen. Dat is vanzelfsprekend.

Het hof acht het handelen van de gerechtsdeurwaarder dan ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 8 van de Verordening. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Klachtonderdeel b

6.4.

Het hof volgt klaagster niet in haar standpunt dat de in de brief van 31 oktober 2016 vermelde executiemaatregelen buitenproportioneel zijn, omdat de hoofdvordering (inclusief rente) reeds was voldaan en de vordering slechts incassokosten betrof.

Ook lage vorderingen moeten, indien betaling door een schuldenaar uitblijft, geïncasseerd kunnen worden en de gerechtsdeurwaarder mag bij een gerechtelijke veroordeling tot betaling van een dergelijke vordering overgaan tot betekening en zo nodig executiemaatregelen treffen.

Het hof acht dit klachtonderdeel eveneens ongegrond.

Klachtonderdeel c

6.5.

De vraag of incassokosten zijn verschuldigd, is niet ter beoordeling aan de tuchtrechter, maar aan de civiele rechter. Het hof zal klaagster dan ook niet‑ontvankelijk verklaren in dit klachtonderdeel.

Klachtonderdeel d

6.6.

Nu hiervoor is geoordeeld dat klachtonderdeel a. ongegrond is, moet de conclusie zijn dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

6.7.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.8.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klaagster niet‑ontvankelijk in klachtonderdeel c;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2019 door de rolraadsheer.