Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:177

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
200.243.134/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:6660
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.243.134/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/274602 / FA RK 18-3013

beschikking van de meervoudige kamer van 22 januari 2019 inzake

[de man] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente B] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. Z. Sivro te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats C] , gemeente [D] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.J.C. Silven te Volendam.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Amsterdam

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 12 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 16 augustus 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 12 juli 2018.

2.2.

De vrouw heeft op 1 oktober 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 9 november 2018 met bijlagen, ingekomen op 12 november 2018;

- een brief van de zijde van de man van 12 november 2018 met bijlagen (productie 1 t/m 4), ingekomen op 15 november 2018.

2.4.

Bij beschikking van dit hof van 4 september 2018 is het verzoek van de man de werking van de bestreden beschikking te schorsen afgewezen.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 21 november 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V.A.M. Aelbers.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn gehuwd [in] 2005, welke huwelijk op 2 oktober 2017 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 juni 2017 in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het huwelijk zijn geboren:

- [kind A] (hierna: [kind A] ), [in] 2006;

- [kind B] (hierna: [kind B] ) [in] 2009;

- [kind C] (hierna: [kind C] ) [in] 2012 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen).

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank van 21 juli 2016 is een (eerder) verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor verhuizing met de kinderen afgewezen.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank van 14 juni 2017, hersteld bij herstelbeschikking van 26 juli 2017, is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald en is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld (vanaf 14 december 2017 conform artikel 3.2 van het ouderschapsplan van partijen van 19 november 2016).

3.4.

De kinderen zijn bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 mei 2017 onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien is verlengd.

3.5.

Ten tijde van de bestreden beschikking verliep de omgang tussen de man en de kinderen als volgt:

- een keer in de vier weken haalt de man de kinderen (op zaterdag) op bij de vrouw en brengt hen om 17.00 uur terug;

- door de weeks is er geen omgang tussen de man en [kind B] en [kind C] ;

- de man haalt [kind A] op woensdag op voor de sport en brengt hem weer terug;

- de man gaat, wanneer hij de mogelijkheid heeft, de kinderen bezoeken bij sportactiviteiten.

3.6.

De vrouw is begin augustus 2018 met de kinderen verhuisd naar [plaats C] (gemeente [D] ).

4 Het verzoek

4.1.

Bij de bestreden beschikking is de vrouw vervangende toestemming verleend om met de kinderen te verhuizen naar een woning in de gemeente [plaats C] in Midden-Nederland, althans binnen een straal van 15 kilometer van de gemeente [D] . Daarnaast is de vrouw toestemming verleend [kind A] in te schrijven op één van de volgende middelbare scholen te Amersfoort: ’t Atrium, Het Nieuw Eemland of ’t Hoge Landt, danwel op het Johannes Fontanus College te Barneveld en [kind B] en [kind C] in te schrijven op de St Jozefschool te [plaats C] . De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2.

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de vrouw en de kinderen dienen terug te verhuizen naar [plaats A] (en, naar het hof begrijpt: het inleidende verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om te verhuizen alsnog af te wijzen), althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.3.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De man is van mening dat de rechtbank de vrouw ten onrechte vervangende toestemming heeft verleend om met de kinderen te verhuizen naar [plaats C] . Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat bij die beslissing rekening is gehouden met alle belangen van de betrokkenen. De man wijst erop dat getoetst dient te worden aan artikel 1:253a BW en dat de rechter op grond van de jurisprudentie daarbij alle omstandigheden in acht dient te nemen en alle betrokken belangen dient af te wegen.

De man stelt dat door de verhuizing de innige band tussen hem en de kinderen wordt verbroken. Partijen zijn na het uiteengaan een uitgebreide zorgregeling overeengekomen. Zij zijn tijdelijk afgeweken van deze regeling, maar volgens de man was de bedoeling dat de oorspronkelijke zorgregeling zou herleven zodra hij een woning zou hebben. Voorts stelt de man dat partijen hadden afgesproken om niet te verhuizen. De man had ten tijde van de zitting bij de rechtbank al enige tijd een concreet uitzicht op een nieuwe woning. De rechtbank heeft daar bij de belangenafweging echter ten onrechte geen rekening mee gehouden. Door de verhuizing van de vrouw en kinderen naar [plaats C] wordt het herleven van de zorgregeling onmogelijk. De financiële situatie van de man laat niet toe dat hij vaker naar de nieuwe woonplaats gaat om de kinderen te zien en de huidige beperking van de zorgregeling vervalt volgens hem van rechtswege omdat hij een nieuwe woning zal betrekken.

De man is daarnaast van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er een financiële noodzaak bestond voor de vrouw om te verhuizen. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat de vrouw alle kosten van de kinderen op zich neemt. De man stelt dat hij bijdraagt in de kosten als de kinderen bij hem zijn. Ieder bezoek kost geld. Volgens de man heeft de vrouw voorts onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de huur en andere voorzieningen in haar nieuwe woonplaats zodanig lager zijn dat een verhuizing om financiële redenen is gerechtvaardigd.

De man stelt voorts dat de verhuizing niet doordacht is. Volgens hem is de woning in [plaats C] vanuit bouwtechnisch perspectief niet bevorderlijk voor de gezondheid van de kinderen. Daarnaast is de schoolkeuze voor de kinderen volgens de man niet voldoende doordacht.

Voor de man is voorts de conclusie van de rechtbank dat de verhuizing van de vrouw en de kinderen zal zorgen voor rust en een positieve invloed zal hebben op de kinderen onbegrijpelijk. Temeer nu de kinderen hebben aangegeven in de buurt van de man en in [plaats A] te willen wonen. Bovendien zou de man een groot deel van de zorg voor de kinderen kunnen dragen op het moment dat de oude zorgregeling herleeft. Volgens de man is het in het belang van de kinderen dat zij terugverhuizen naar [plaats A] . De ouders en de kinderen nemen deel aan een hulptraject in [plaats A] en het is niet in het belang van de kinderen dit abrupt te beëindigen.

Daarnaast stimuleert de vrouw het contact tussen hem en de kinderen niet sinds zij zijn verhuisd. Zij probeert hem buiten het leven van de kinderen te houden en komt haar aanbod de kinderen te halen en te brengen niet volledig na.

De man heeft hier ter zitting in hoger beroep aan toegevoegd dat hij inmiddels een woning in [plaats A] toegewezen heeft gekregen. Hij heeft er verder voor gezorgd dat op de oude scholen van de kinderen plaatsen worden vrijgehouden, zodat de kinderen daar terecht kunnen als de toestemming om te verhuizen in hoger beroep wordt afgewezen. De man heeft voorts verklaard dat de kinderen onlangs bij hem zijn geweest en dat het goed met ze gaat. In de zomer heeft hij wel zorgelijk gedrag gezien bij de kinderen, dit heeft hij aan de vrouw en de hulpverlening gemeld.

5.2.

De vrouw is van mening dat de rechtbank alle belangen heeft afgewogen en gerechtvaardigd tot de conclusie is gekomen dat het belang van de vrouw en de kinderen bij de verhuizing zwaarder dient te wegen.

De vrouw benadrukt dat de man al negen jaar werkloos is en al tweeëneenhalf jaar geen vaste verblijfplaats heeft. Ten tijde van het indienen van het verweerschrift in hoger beroep had de man nog steeds geen woning. De man kampt voorts met veel problemen van verschillende aard. De in het ouderschapsplan neergelegde zorgregeling is nooit uitgevoerd. De vrouw acht die zorgregeling niet (langer) in het belang van de kinderen en het is dan ook geen gegeven dat deze regeling zou herleven als de man wel een woning heeft. De vrouw merkt voorts op dat partijen al tijdens het huwelijk hebben gesproken over een verhuizing naar [D] .

Volgens de vrouw bestond er wel degelijk een financiële noodzaak om te verhuizen. De man betaalt geen bijdrage in de kosten van de kinderen. Zij ontvangt een ziektewetuitkering en haar lasten in de [streek] waren te hoog. Zij was afhankelijk van haar ouders en vrienden om rond te komen. De huidige lasten van de vrouw zijn aanzienlijk lager. Zij heeft nu recht op huurtoeslag. De moeder van de vrouw kan voorts financieel niet meer bijspringen nu de vader van de vrouw onlangs is overleden.

De vrouw heeft de verhuizing en de schoolkeuze van de kinderen voorts zeer goed doordacht. Zij heeft contacten met de school gelegd en informatie opgedaan over de hulpverlening en de wijziging van de instantie die de ondertoezichtstelling over de kinderen uitvoert. De vrouw betwist dat de woning gezondheidsrisico’s voor de kinderen meebrengt.

De man werkt niet mee aan een overdracht omdat hij van mening is dat de huidige hulpverlener betrokken moet blijven. De huidige hulpverlening voor [kind A] is echter afgerond en er moet vervolghulpverlening worden ingezet waardoor een wijziging van therapeut in ieder geval aan de orde is.

De vrouw is voorts van mening dat de verhuizing in het belang van de kinderen is. Het gaat goed met de kinderen in hun nieuwe omgeving. Zelfs [kind A] , die aanvankelijk niet blij was met de verhuizing, heeft het erg naar zijn zin. Daarnaast had de vrouw geen netwerk in de [streek] en zij heeft dit nu wel.

De vrouw betwist dat zij het contact tussen de man en de kinderen zou frustreren. Zij wil wel dat de kinderen weten waar zij aan toe zijn. De man komt ondanks afspraken vaak niet opdagen, hij neemt niet alle kinderen mee of brengt ze eerder terug, waardoor de gezinsvoogd heeft voorgesteld het contact te reduceren tot één dag per maand.

De vrouw heeft hier ter zitting in hoger beroep het volgende aan toegevoegd. Het gaat goed met haar sinds de verhuizing, zij is financieel zelfstandig, hetgeen een last van haar schouders heeft gehaald. Zij heeft van de kinderen gehoord dat de man nu een woning heeft, maar zij heeft deze niet gezien. Zij betwist bij gebrek aan wetenschap dat de man een woning heeft. Als de man wel over een woning zou beschikken dan kan er naar een zorgregeling van een weekend in de veertien dagen worden toegewerkt. Zij is voorts van mening dat het niet in het belang van de kinderen is terug te verhuizen naar de [streek] . Zij zijn gesetteld in hun nieuwe omgeving en hebben het naar hun zin. Zij heeft ook geen woning meer in de [streek] en een terugverhuizing zou veel onrust en onzekerheid meebrengen.

5.3.

De raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad acht het opnieuw (terug)verhuizen van de kinderen niet in hun belang. Er moet een einde komen aan de onzekerheid voor hen. De raad heeft daarbij benadrukt dat de ouders de verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat de kinderen onbelast contact met beide ouders behouden. De kinderen hebben tot op heden altijd contact gehad met beide ouders, maar er is wel sprake van scheidingsproblematiek en er zijn zorgen over de kinderen. De ouders hebben in het verleden aan de communicatie gewerkt, bijvoorbeeld door deelname aan het traject Kinderen uit de Knel. Hier ligt nog steeds een taak voor hen. De raad ziet voorts mogelijkheden voor een uitgebreidere zorgregeling nu de man een woning heeft.

5.4.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Bij deze beoordeling dient de rechter alle omstandigheden van het geval en de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en mee te wegen. Het belang van de kinderen is daarbij een eerste overweging. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

5.5.

Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat er voor haar een financiële noodzaak bestond om te verhuizen. De vrouw heeft al enkele jaren nagenoeg de volledige zorg voor de kinderen en draagt alle kosten van de kinderen. De man betaalt de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 50,- per maand niet. Zij heeft een beperkt inkomen uit een ziektewetuitkering (en zij ontvangt daarnaast een kindgebonden budget). Haar lasten, in het bijzonder haar woonlasten, zijn sinds de verhuizing aanzienlijk lager. De huur van de woning in [gemeente B] bedroeg € 927,- per maand. Zij had geen recht op huurtoeslag. De huur van de woning in [plaats C] bedraagt € 700,- per maand en de vrouw ontvangt een huurtoeslag van € 337,- per maand. Haar financiële situatie is derhalve sinds zij is verhuisd aanzienlijk ruimer. Het hof is voorts van mening dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat zij niet op korte termijn in aanmerking kwam voor een goedkopere en geschikte huurwoning in [gemeente B] .

De vrouw heeft daarnaast een belang bij de verhuizing naar [plaats C] omdat zij uit die omgeving komt en daar een sociaal netwerk heeft, welk netwerk haar ook kan ondersteunen in de zorg voor de kinderen. Zij ervoer haar situatie in [gemeente B] als uitzichtloos. Het gaat beter met haar sinds zij is verhuisd, hetgeen ook in het belang van de kinderen is.

5.6.

Ten aanzien van het belang van de kinderen overweegt het hof als volgt. Gebleken is dat de kinderen enigszins kwetsbaar zijn. Zij hebben, onder andere als gevolg van de echtscheiding, een moeilijke periode gehad en er is hulpverlening bij hen betrokken. De verhuizing naar [plaats C] is een ingrijpende verandering in hun leven geweest. Beide ouders hebben ter zitting in hoger beroep verklaard dat het momenteel goed gaat met de kinderen in hun nieuwe woonplaats, ook op school. Het contact tussen de man en de kinderen is (nog steeds) goed. Voorts is gebleken dat de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling kan worden overgedragen aan een andere instantie in de omgeving van [plaats C] . Met de raad acht het hof het voor de kinderen belangrijk dat er rust komt en dat er een einde komt aan de onzekerheid over hun woonplaats. Terugverhuizen naar [plaats A] zal opnieuw belastend voor hen zijn. Het hof is voorts van oordeel dat de vrouw de verhuizing en de schoolkeuze voor de kinderen voldoende zorgvuldig heeft voorbereid en doordacht. Zij heeft contacten gelegd met de school en de hulpverlening. In het licht van de betwisting daarvan door de vrouw heeft de man zijn stelling dat de woning van de vrouw in [plaats C] niet geschikt zou zijn voor de kinderen, onvoldoende onderbouwd.

5.7.

Tegenover deze belangen staat het zwaarwegende belang van de man en de kinderen om regelmatig contact met elkaar te hebben en te behouden. De ouders zijn toen zij uit elkaar gingen een uitgebreide zorgregeling overeengekomen. Deze regeling is echter nooit nagekomen omdat de man niet over een woning beschikte. Als gevolg daarvan gold de afgelopen jaren een beperkte zorgregeling tussen de man en de kinderen van één zaterdag per vier weken. Daarnaast had de man (incidentele) doordeweekse contacten met de kinderen op school en bij sportactiviteiten.

De man heeft aannemelijk gemaakt dat hij kort voor de zitting in hoger beroep een woning heeft toegewezen gekregen. Anders dan de man betoogt brengt dit naar het oordeel van het hof echter niet zonder meer mee dat daarmee van rechtswege de door partijen destijds bij het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling zou gelden. Er is veel tijd verstreken sinds de periode van de echtscheiding toen de ouders het ouderschapsplan zijn overeengekomen. De kinderen hebben inmiddels al lange tijd een beperkte zorgregeling met de man. Daarnaast zijn de kinderen onder toezicht gesteld en is hulpverlening betrokken, onder meer bij het vormgeven van de omgang. De situatie is derhalve anders dan toen.

De verhuizing van de vrouw en de kinderen naar [plaats C] heeft tot nu toe geen gevolgen (gehad) voor de reguliere zorgregeling tussen de man en de kinderen van één zaterdag per vier weken. Wel betekent het dat de man de doordeweekse contactmomenten met de kinderen moet missen. Het hof is niettemin van oordeel dat het contact tussen de man en de kinderen en zijn betrokkenheid in hun leven ook na de verhuizing voldoende is gewaarborgd. Dat de vrouw in de weg zou staan aan contacten tussen de man en de kinderen en hem buiten het leven van de kinderen zou houden heeft de man onvoldoende toegelicht. Naast de handhaving van de reguliere zorgregeling zijn de kinderen in de zomervakantie een periode bij de man geweest. Dat de man niet langer de school van de kinderen kan bezoeken en niet meer betrokken is bij sportactiviteiten van de kinderen zijn omstandigheden die naar het oordeel van het hof niet doorslaggevend zijn. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, zoals ter zitting ook met partijen is besproken, de man thans over een woning beschikt. Dat betekent dat de ouders in overleg kunnen toewerken naar een uitbreiding van de zorgregeling naar een weekend in de veertien dagen. De vrouw heeft daarbij aangegeven bereid te zijn het merendeel van het halen en brengen voor haar rekening te nemen. Het hof gaat ervan uit dat zij die toezegging gestand zal doen.

5.8.

Al het voorgaande tegen elkaar afwegend komt het hof tot een oordeel ten gunste van de verhuizing naar [plaats C] . Het handhaven van de verhuizing is het meest in het belang van de kinderen. Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook bekrachtigen. Het hof merkt daarbij op dat het van belang blijft dat de ouders zich inspannen om hun communicatie te verbeteren, zodat de kinderen niet worden belast met spanningen en meningsverschillen tussen de ouders.

5.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A.V.T. de Bie en mr. R.G. Kemmers, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 22 januari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.