Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1769

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
18/00192
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-07-2019
V-N Vandaag 2019/1689
FutD 2019-1977
V-N 2019/36.30.29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 18/00192

29 januari 2019

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[naam] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: P.A.O. Lashley),

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/3540 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende bij beschikking van 13 november 2015 (nr. […] ) een boete van € 158 opgelegd wegens het niet tijdig betalen van motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 29 augustus 2015 tot en met 28 november 2015.

1.2.

Tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift tegen voornoemde beschikking heeft belanghebbende, naar zij stelt, op 24 februari 2016 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroepschrift heeft de (griffie van) de rechtbank niet bereikt. Op 2 augustus 2017 heeft belanghebbende het beroepschrift via het digitale loket van de Rechtspraak ingediend.

1.3.

Bij uitspraak van 3 april 2018 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet is betaald.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 12 april 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 7 december 2018 zijn op de griffie van het Hof nadere stukken van belanghebbende ingekomen. Een afschrift hiervan is aan de inspecteur verstrekt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2018. Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde voornoemd. Namens de inspecteur zijn verschenen J.E. van de Peppel en mr. S. Kranenbarg. Het onderzoek in deze zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaak met kenmerk 18/00193. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft het beroep versneld behandeld, conform artikel 8:55b, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met toepassing van artikel 8:52 Awb. Belanghebbende is daarover geïnformeerd bij brief van 14 augustus 2017.

2.2.

Met dagtekening 12 augustus 2017 is aan belanghebbende per aangetekende post een nota gezonden voor het verschuldigde griffierecht. In deze nota is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“U heeft een beroepschrift ingediend. Dat heeft tot gevolg dat u griffierecht moet

betalen. Griffierecht is een heffing die de indiener van een beroepschrift vooraf

moet betalen voor de behandeling van een zaak.

In uw zaak is het griffierecht € 46,00. Het bedrag moet uiterlijk twee weken na

de datum van deze nota zijn bijgeschreven op IBAN rekening:

[rekeningnummer], ten name van Griffie LDCR met vermelding van

het betalingskenmerk: [betalingskenmerk].

Als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, loopt u het risico dat de

rechtbank uw beroepschrift niet ontvankelijk verklaart, dat wil zeggen dat de

rechtbank uw beroepschrift niet inhoudelijk behandelt.

(…)”

2.3.

Het griffierecht diende uiterlijk op 26 augustus 2017 te zijn bijgeschreven op de bankrekening van het LDCR. De rechtbank heeft in de betaalperiode van 12 tot en met 26 augustus 2017 van belanghebbende geen stukken ontvangen betreffende de betaling van het griffierecht. Evenmin is in deze periode verzocht om voeging van de zaak met andere zaken. Wel heeft belanghebbende op 6 augustus 2017 een nieuw beroepschrift ingediend, betreffende een andere kwestie (rechtbanknummer HAA 17/3541), waarin zij onder meer schrijft:

“Eiseres verzoekt de Rechtbank dan ook vriendelijk, doch uitdrukkelijk deze “nieuwe” beroepszaak bij deze lopende procedure HAA 16/5468 MRB te betrekken en uitspraak te doen m.b.t. ALLE beroepschriften.”

Belanghebbende heeft het griffierecht niet betaald.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’:

“Overwegingen

1. Op 2 augustus 2017 heeft eiseres naar aanleiding van de behandeling op zitting van het beroep met zaaknummer HAA 16/5468 stukken ingediend. Daarbij bevond zich onder meer een kopie van een beroepschrift van 24 februari 2016 tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Dat beroepschrift was nog niet bekend bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep geregistreerd met het onderhavige zaaknummer.

2. Bij uitspraak op bezwaar van 25 augustus 2017 heeft verweerder alsnog uitspraak op het bezwaar gedaan. Eiseres stelt dat zij op 27 oktober 2017 heeft verzocht onderhavige zaaknummer te laten vervallen en naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar van 25 augustus 2017 een nieuwe zaak aan te maken en daarbij opnieuw griffierecht te berekenen. De rechtbank heeft een dergelijk verzoek niet aangetroffen. Afgezien daarvan heeft, ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderhavig beroep van rechtswege mede betrekking op die uitspraak op bezwaar. Eiseres zou in haar belangen worden geschaad indien onderhavig beroep zou vervallen en er op 27 oktober 2017 een nieuw beroep zou zijn aangemaakt. Dat beroep zou in dat geval immers na afloop van de beroepstermijn zijn ingediend.

3. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41 van de Awb griffierecht betalen. Voor deze zaak is het griffierecht vastgesteld op € 46. De griffier stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet zijn betaald. De rechtbank heeft, in overeenstemming met haar beleid ter zake, bepaald dat het beroep versneld wordt behandeld. Dit betekent onder andere dat de termijn waarbinnen griffierecht moet worden betaald is verkort tot twee weken en dat de nota griffierecht aangetekend wordt verzonden.

4. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht betrokkene niet kan worden toegerekend.

5. Met dagtekening 12 augustus 2017 is aan eiseres de nota griffierecht aangetekend verzonden. In de nota staat vermeld dat het griffierecht uiterlijk twee weken na de datum van de nota moet zijn bijgeschreven op het in de nota vermeldde IBAN rekeningnummer en dat indien het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de nota aan eiseres is uitgereikt op 15 augustus 2017.

6. Vast staat dat eiseres het griffierecht niet heeft betaald. Eiseres stelt dat zij geen griffierecht is verschuldigd omdat volgens haar deze zaak op grond van artikel 8:14 van de Awb gevoegd dient te worden behandeld met de beroepen met nummers HAA 16/5468 en HAA 17/3541. Zij stelt dat de berekening van griffierecht in deze zaak achterwege moet blijven, omdat in de zaak met nummer HAA 16/5468 reeds griffierecht is geheven.

7. Artikel 8:14 van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechtbank kan besluiten zaken over eenzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling te voegen. Uit dat artikel volgt niet dat nu de rechtbank heeft besloten de zaken gezamenlijk op de zitting te behandelen, slechts éénmaal griffierecht mag worden geheven.

8. Ingevolge artikel 8:41, derde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is slechts eenmaal griffierecht verschuldigd indien een beroepschrift is gericht tegen twee of meer samenhangende besluiten. In dit geval zijn op drie verschillende data, te weten 2 december 2016 (HAA 16/5468), 3 [het Hof leest: 2] augustus 2017 (onderhavig beroep) en 6 augustus 2017 (HAA 17/3541), beroepschriften ingediend die betrekking hebben op drie verschillende naheffingsaanslagen. Gelet hierop is geen sprake van samenhangende besluiten als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Dit betekent dat voor ieder van de drie beroepen griffierecht verschuldigd is. De stelling van eiseres dat zij reeds eerder, namelijk op 24 februari 2016, beroep heeft ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen door verweerder op het bezwaar, leidt niet tot een ander oordeel. Ook dan is immers sprake van drie beroepen die op verschillende tijdstippen zijn ingediend.

9. Nu eiseres bewust het griffierecht niet heeft betaald, is geen sprake van een situatie dat dit niet betalen haar niet kan worden toegerekend. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het Hof verenigt zich met het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank en de gronden waarop het berust. Naar aanleiding van hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt het Hof het volgende.

4.2.

Daarnaar gevraagd heeft belanghebbende ter zitting bevestigd dat zij de nota inzake het griffierecht heeft ontvangen. Zij wilde in de zaken met rechtbanknummers 16/5468, 17/3541 en de onderwerpelijke zaak 17/3540 evenwel slechts éénmaal griffierecht betalen, omdat deze zaken naar haar mening door de rechtbank dienden te worden gevoegd op de voet van artikel 8:14 Awb. Zij heeft daarop eenzijdig besloten het verschuldigde griffierecht niet te betalen.

4.3.

Vast staat dat de rechtbank voormelde zaken niet heeft gevoegd. De stelling van belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte niet op haar verzoek tot voeging heeft beslist, wordt verworpen, reeds omdat belanghebbende een dergelijk verzoek naar ’s Hofs oordeel niet heeft gedaan voor het verstrijken van de uiterste betaaldatum van het griffierecht. De enkele vermelding in haar beroepschrift van 6 augustus 2017 in zaak 17/3541 dat zij verzoekt die nieuwe beroepszaak “bij deze lopende procedure HAA 16/5468 MRB te betrekken en uitspraak te doen m.b.t. ALLE beroepschriften”, kan in redelijkheid niet worden gekwalificeerd als een verzoek tot voeging als bedoeld in artikel 8:14, lid 2, Awb.

4.4.

Nu belanghebbende voor de zaken 17/3540 en 17/3541 separate griffierechtennota’s heeft ontvangen, met dagtekening 12 augustus 2017, was voor haar niet mis te verstaan dat de rechtbank deze zaken niet heeft gevoegd met de reeds aanhangige zaak 16/5468 en evenmin heeft aangemerkt als ‘samenhangend’ in de zin van artikel 8:41, lid 3, Awb. Onder deze omstandigheden kan niet met vrucht worden gesteld dat het niet betalen van het griffierecht in de onderwerpelijke zaak belanghebbende niet kan worden toegerekend. De rechtbank heeft het beroep op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

4.5.

Het Hof kan niet tegemoet komen aan het verzoek van belanghebbende om haar een nieuwe termijn toe te kennen voor het betalen van het griffierecht in eerste aanleg, nu de wet niet in die mogelijkheid voorziet.

4.6.

Belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof gevraagd een oordeel te geven over de beschikking met betrekking tot de dwangsom. De inspecteur heeft op 25 augustus 2017 alsnog uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij bij beschikking beslist dat belanghebbende geen recht heeft op toekenning van een dwangsom (hierna: de dwangsombeschikking). Nu de inspecteur hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit de hoogte van een dwangsom bij beschikking heeft vastgesteld, heeft het ingestelde beroep mede betrekking op de dwangsombeschikking (vgl. HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:1). De rechtmatigheid van de dwangsombeschikking kan in deze procedure evenwel niet worden getoetst, nu belanghebbende verzuimd heeft het in eerste aanleg verschuldigde griffierecht te voldoen.

Slotsom

4.7.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, H.E. Kostense en

W.A.P. van Roij, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando

als griffier. De beslissing is op 29 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.