Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1758

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2019
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
23-003211-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

rijden onder invloed van drugs (enkelvoudig gebruik THC): VW OBM 6 mnd + GB 500,00

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003211-18

datum uitspraak: 20 mei 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 96-103554-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

6 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 13 april 2018 te Amsterdam, althans te Amstelveen, in ieder geval in Nederland, een voertuig, te weten personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 4,5 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – in aanmerking genomen de wijziging tenlastelegging in hoger beroep – tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft primair namens de verdachte vrijspraak van het aan hem ten laste gelegde bepleit nu het rapport betreffende het bloedonderzoek niet voor het bewijs kan worden gebezigd en aldus niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. De raadsman heeft daartoe – kort samengevat – betoogd dat in het rapport niet de naam van de verdachte staat vermeld en dat de kennisgeving van het resultaat van het bloedonderzoek de verdachte nimmer heeft bereikt dan wel te laat is verzonden. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit op de grond dat de aangetroffen THC-concentratie in het bloed van de verdachte is veroorzaakt doordat een passagier, die hij in zijn auto vervoerde, een joint rookte en de verdachte daaraan passief is blootgesteld. Hierdoor ontbreekt iedere schuld aan de zijde van de verdachte.

Het hof overweegt ten aanzien van de gevoerde verweren als volgt.

Bloedonderzoek

In het rapport ‘drugs in het verkeer’ van 25 april 2018, opgemaakt door de apotheker/ toxicoloog drs. [naam], is de naam ‘Hong’ vermeld. Het hof is van oordeel dat het een kennelijke verschrijving betreft en de naam van de verdachte wordt bedoeld. Het hof constateert dat de SIN-nummers in voornoemd rapport overeenkomen met de SIN-nummers zoals vermeld in het proces-verbaal ‘rijden onder invloed’, welke zonder enige twijfel betrekking heeft op de verdachte. Ook de geboortedatum en het BSN-nummer van de verdachte, zoals vermeld op de aanvraag ten behoeve van het Toxicologisch onderzoek van het bloed, komen overeen met de gegevens in voornoemd rapport. Vorenstaande is eveneens op 3 mei 2018 door verbalisant [verbalisant] gerelateerd in een aanvullend proces-verbaal van bevindingen. Het hof heeft er dan ook geen enkele twijfel over dat het onderzochte bloed in voornoemd rapport het bloed van de verdachte betreft.

Ten aanzien van het niet of te laat verzenden van voornoemd rapport is het hof van oordeel dat

blijkens een zich in het dossier bevindende brief van de politie van 3 mei 2018, geadresseerd aan het van de verdachte bekende adres, omtrent de uitslag van het bloedonderzoek voldoende vaststaat dat aan de plicht tot onverwijlde mededeling is voldaan.

Voorts blijkt uit het dossier dat is verzuimd om de verdachte binnen een week na ontvangst van het rapport met de uitslag van het bloedonderzoek schriftelijk in kennis te stellen. De uitslag van het bloedonderzoek dateert van 25 april 2018 en deze uitslag is op 3 mei 2018 aan de verdachte toegezonden. Daarmee is de termijn als bedoeld in artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer met één dag overschreden. Dit levert naar het oordeel van het hof weliswaar een onherstelbaar vormverzuim op, maar niet een waardoor de verdachte nadeel heeft ondervonden. Het hof volstaat dan ook met de constatering van dit vormverzuim en zal daaraan geen gevolgen verbinden.

Het hof verwerpt derhalve deze verweren.

Subsidiair verweer

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, gedurende een rit van vijf à zes minuten, een passagier heeft vervoerd die kennelijk, naar de verdachte later bleek, een joint heeft gerookt in zijn auto. De verdachte wenst geen nadere gegevens van deze persoon te verschaffen omdat hij dan het vertrouwen zou beschamen dat in hem als pastoraal werker is gesteld.

De verdachte heeft voor zijn verklaring geen enkel verifieerbaar gegeven verschaft noch op enige andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij niet alleen in de auto zou hebben gezeten. Het hof acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dan ook niet aannemelijk geworden. Nu het hof de verklaring van de verdachte terzijde schuift, verwerpt het hof het beroep op afwezigheid van alle schuld.

Voorwaardelijk verzoek

Het hof komt niet toe aan de beoordeling van het door de advocaat-generaal gedane voorwaardelijke verzoek een deskundige te benoemen die nadere informatie kan verschaffen over meeroken en de gevolgen daarvan voor het THC-gehalte in het bloed. De door de advocaat-generaal genoemde voorwaarde is immers niet vervuld aangezien het hof, als hiervoor overwogen, het niet aannemelijk acht dat het THC-gehalte in het bloed van de verdachte door meeroken is veroorzaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 april 2018 in Nederland een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 4,5 microgram THC per liter bloed bedroeg.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 850,00, subsidiair 17 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00, subsidiair 12 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft het hof primair verzocht om op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geen straf aan de verdachte op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de rijontzegging en/of de geldboete te matigen en in voorwaardelijke vorm op te leggen. Redenen hiertoe zijn gelegen in de beperkte draagkracht van de verdachte en het gegeven dat het rijbewijs van de verdachte enkele maanden ingevorderd is geweest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een auto op de openbare weg onder invloed van THC, zijnde een bestanddeel van cannabis waardoor de rijvaardigheid wordt verminderd. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Bij het bepalen van de straf zoekt het hof aansluiting bij straffen die rechters in soortgelijke zaken voor first offenders veelal opleggen, te weten een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Naargelang de omstandigheden van het geval, zoals recidive, gevaarlijk rijgedrag en combinatiegebruik van drugs met andere drugs of alcohol, kan hiervan in strafverzwarende zin worden afgeweken.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 april 2019 is hij weliswaar eerder onherroepelijk veroordeeld, maar niet voor verkeersdelicten, zodat het hof de verdachte als first offender aanmerkt. Gelet hierop en in aanmerking genomen verdachtes beperkte draagkracht en het gegeven dat hij ten gevolge van het bekostigen van het rijgeschiktheidsonderzoek financiële problemen heeft ondervonden, ziet het hof aanleiding de door de politierechter opgelegde geldboete enigszins te matigen. Anders dan de raadsman heeft betoogd ziet het hof, gelet op de ernst van het feit, geen ruimte voor toepassing van artikel 9a Sr noch voor toepassing van een geheel voorwaardelijke geldboete. Daarnaast zal het hof een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van zes maanden, teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een verkeersdelict te plegen.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete en voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur dan wel hoogte passend en geboden.


Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.


BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. H.A. van Eijk en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

20 mei 2019.

De oudste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]