Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1753

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
200.172.375/04 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/839
ARO 2019/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

_____________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.172.375/04 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 27 mei 2019

inzake:

[A] ,

wonende te [....] ,

VERZOEKER,

advocaat: mr. J.A. Meijer, kantoorhoudende te Den Haag,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM I B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM II B.V.,

4. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM III B.V.,

alle gevestigd te Hilversum,

5. mr. Richard LE GRAND, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van verweersters sub 1 tot en met 4,

kantoorhoudende te Rotterdam,

VERWEERDERS,

advocaten: mrs. M.W.E. Evers en mr. I.J.A. Tax, kantoorhoudende respectievelijk te Amsterdam en te Rotterdam,

e n t e g e n

1 [B] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. J.A. Zee, kantoorhoudende te Amsterdam,

2 [C] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. J.A. Meijer, kantoorhoudende te Den Haag,

3. de vennootschap naar Russisch recht

SOYUZ CORPORATION,

4. de vennootschap naar Russisch recht

SOYUZ TTM,

MOGELIJK BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. J.A. Meijer, kantoorhoudende te Den Haag.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen en andere (rechts)personen zullen hierna (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoeker als [A] ;

  • -

    verweersters 1 tot en met 4 gezamenlijk als Leaderland c.s.;

  • -

    verweerder sub 5 als de vereffenaar;

  • -

    belanghebbende 1 als [B] ;

  • -

    belanghebbende 2 als [C] ;

  • -

    mogelijk belanghebbenden sub 3 en 4 gezamenlijk als Soyuz c.s.

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar in deze zaak gegeven beschikkingen van 18 maart 2014, 11 juli 2014, 24 juli 2014, 5 december 2014, 15 december 2014, 3 februari 2015, 28 april 2015, 29 mei 2015, 5 juni 2015, 22 juli 2015, 5 oktober 2015, 26 oktober 2015, 17 februari 2016, 22 april 2016, 31 maart 2017, 9 november 2017 en 17 september 2018, alsmede naar de beschikkingen van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 29 mei 2015, 15 juni 2015 en 26 oktober 2015 en naar de beschikkingen van de raadsheer-commissaris van 14 januari 2015 en 25 maart 2015.

1.3

Bij haar beschikking van 18 maart 2014 heeft de Ondernemingskamer onder meer en voor zover hier van belang:

- een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland c.s. over de periode vanaf 1 oktober 2012;

- bij wijze van onmiddellijke voorzieningen (i) [D] (hierna: [D] ) geschorst als bestuurder van Leaderland c.s., (ii) een derde tot bestuurder van Leaderland c.s. benoemd en (iii) de aandelen die [C] , [A] en [B] houden in Leaderland c.s. ten titel van beheer overgedragen aan een door de Ondernemingskamer benoemde beheerder.

1.4

Bij beschikking van 11 juli 2014 heeft de Ondernemingskamer [C] – voor zover hier van belang – op straffe van een dwangsom bevolen om de volledige administratie van Leaderland c.s. af te geven aan de OK-bestuurder.

1.5

Het verslag van het door de onderzoekers verrichte onderzoek met bijlagen (hierna: het onderzoeksverslag) is op 28 april 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd.

1.6

Bij de beschikking van 22 april 2016 heeft de Ondernemingskamer – voor zover hier van belang –

- een aanvullend onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland c.s. met betrekking tot a) de vraag of [B] met het aangaan van de termijncontracten is afgeweken van het door [C] c.s. gestelde aandeelhoudersbesluit van 9 december 2008 en of voorzienbaar was dat die overeenkomsten zouden leiden tot schade voor Leaderland c.s. of vanwege daaraan verbonden risico’s (zoals wijziging van het fiscale regime) onverantwoord waren en, indien vraag a) bevestigend wordt beantwoord, b) de vraag of [B] mogelijk betrokken is bij/werkzaam is voor de concurrerende onderneming EFKO;

- bepaald dat de kosten van dit onderzoek (€ 50.000) ten laste komen van Leaderland c.s. en dat zij, dan wel – gelet op diens toezegging – [C] , voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoekers voor de aanvang van hun werkzaamheden zekerheid dienen te stellen;

- vastgesteld dat uit het op 28 april 2015 gedeponeerde onderzoeksverslag blijkt van wanbeleid van Leaderland c.s. in de periode vanaf 1 oktober 2012, met betrekking tot de verkoop van de deelnemingen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM;

- vastgesteld dat [D] en [C] hiervoor verantwoordelijk zijn;

- [D] ontslagen als bestuurder van Leaderland c.s.;

- de bestuursbesluiten strekkende tot vervreemding van de deelnemingen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM vernietigd;

- de benoeming de OK-bestuurder en de overdracht ten titel van beheer van de aandelen die [C] , [A] en [B] houden in Leaderland c.s. met een periode van twee jaar verlengd.

1.7

Bij de beschikking van 31 maart 2017 heeft de Ondernemingskamer wegens gebrek aan financiering de onderzoekers op hun verzoek ontheven van hun benoeming als onderzoekers om het bij de beschikking van 22 april 2016 bevolen (aanvullende) onderzoek te verrichten en heeft zij het bij de beschikking van 22 april 2016 bevolen (aanvullende) onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland c.s. beëindigd. Op verzoek van Leaderland c.s. heeft de Ondernemingskamer [C] en [D] hoofdelijk veroordeeld om ter zake van kosten van aan Leaderland c.s. te voldoen een bedrag van € 75.187,50 (exclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente. De nog resterende verzoeken van [B] en nieuwe verzoeken van [A] en [C] heeft zij afgewezen, met proceskostenveroordelingen.

1.8

Bij de beschikking van 9 november 2017 heeft de Ondernemingskamer Leaderland c.s. ontbonden, met ingang van de datum waarop die ontbindingsbeschikking in kracht van gewijsde gaat, maar niet eerder dan per 1 januari 2018. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die ontbindingsbeschikking – voor zover thans van belang –

(i) een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot vereffenaar van het vermogen van Leaderland c.s. benoemd,

(ii) bepaald dat de aandelen die [C] , [A] en [B] houden in Leaderland c.s. gedurende de periode van vereffening ten titel van beheer zijn overgedragen aan de vereffenaar,

(iii) met ingang van de periode van vereffening de benoeming van de OK-bestuurder en de eerdere overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Leaderland c.s. beëindigd.

1.9

Bij beschikking van 17 september 2018 heeft de Ondernemingskamer mr. Le Grand aangewezen als vereffenaar als bedoeld in de beschikking van 9 november 2017 en de OK-bestuurder en de beheerder van aandelen uit hun functie ontheven.

1.10

[A] heeft bij op 27 maart 2019 ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer – zakelijk weergegeven – verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. te verklaren voor recht dat de vereffenaar door het bekrachtigen van de Asset Purchase Agreement kennelijk onredelijk heeft gehandeld;

  2. mr. Le Grand te ontheffen van zijn functies als vereffenaar en als beheerder van de aandelen en de overdracht ten titel van beheer van de aandelen in Leaderland c.s. te beëindigen;

  3. een nieuwe vereffenaar te benoemen;

  4. te bepalen dat de ontheven vereffenaar ten overstaan van de rechter rekening en verantwoording moet afleggen;

  5. en raadsheer-commissaris te benoemen;

Subsidiair:

de vereffenaar zodanige bevelen of aanwijzingen te geven dat aan de Asset Purchase Agreement werking wordt ontzegd;

Meer subsidiair:

  1. de Asset Purchase Agreement te vernietigen;

  2. althans zodanige voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer geraden acht;

steeds met veroordeling van [B] en de vereffenaar hoofdelijk in de kosten van het geding.

1.11

Leaderland c.s. en de vereffenaar hebben bij verweerschrift met producties, ingekomen op 25 april 2019, verzocht de verzoeken van [A] af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van de procedure, met wettelijke rente.

1.12

[B] heeft bij verweerschrift met producties, ingekomen op 25 april 2019, zich met betrekking tot het verzoek tot benoeming van een raadsheer-commissaris gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer en voor het overige geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [A] .

1.13

Mr. Meijer heeft bij brief van 7 mei 2019 de Ondernemingskamer verzocht Soyuz c.s. aan te merken als belanghebbenden bij het verzoek tot ontheffing van de vereffenaar. Op de hierna te melden zitting van 16 mei 2019 is gebleken dat mr. Meijer deze brief – per abuis – niet aan de advocaten van de overige partijen heeft gezonden.

1.14

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 16 mei 2019. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van partijen toegelicht. Mr. Meijer heeft de standpunten van [A] , [C] en Soyuz c.s. toegelicht, mrs. Tax en Evers die van Leaderland c.s. en de vereffenaar en mr. Zee die van [B] , allen met overlegging van pleitnotities. Van de zijde van [A] zijn tevoren toegezonden nadere producties in het geding gebracht. Ook Leaderland c.s. en de vereffenaar hebben ter zitting een tevoren toegezonden nadere productie in het geding gebracht en zij hebben zich op het standpunt gesteld dat Soyuz c.s. geen belanghebbenden zijn in de onderhavige procedure.

2 Feiten

2.1

De Ondernemingskamer verwijst naar de feiten genoemd in haar beschikking van 22 april 2016 onder 2.1 tot en met 2.23 en gaat, in aanvulling daarop, uit van de navolgende feiten.

2.2

Bij schriftelijke overeenkomst van 8 mei 2018 (hierna: de Asset Purchase Agreement) hebben Leaderland c.s., vertegenwoordigd door de OK-bestuurder, de hierna te noemen vorderingen op derden verkocht aan [B] tegen een koopprijs bestaande uit (a) een bedrag gelijk aan hetgeen Leaderland c.s. aan [B] is verschuldigd uit hoofde van de door [B] aan Leaderland c.s. verstrekte financiering, zijnde ten tijde van de ondertekening € 648.430,02 en (b) een bedrag van € 200.000 in contanten. De Asset Purchase Agreement heeft betrekking op de volgende vorderingen:

  1. the Mismanagement Claim (alle vorderingen die Leaderland c.s. hebben op [D] en [C] verband houdend met het door de Ondernemingskamer vastgestelde wanbeleid);

  2. the Recovery Claim (alle vorderingen die Leaderland heeft tot ongedaanmaking van de vervreemding van (de aandelen in) Soyuz c.s. dan wel tot schadevergoeding in verband met het wegnemen van activa);

  3. the Administration Penalties (de door [C] verbeurde dwangsommen uit hoofde van de beschikking van de Ondernemingskamer van 11 juli 2014);

  4. the Representation Penalties (de door [C] verbeurde dwangsommen uit hoofde van de beschikking van de Ondernemingskamer van 17 februari 2016);

  5. the Claim for Investigation Costs (de door [D] en [C] hoofdelijk verschuldigde onderzoekskosten van € 75.178,50 uit hoofde van de beschikking van de Ondernemingskamer van 31 maart 2017);

  6. the Claim for Procedural Costs (de door [D] en/of [C] nog verschuldigde bedragen uit hoofde van proceskostenveroordelingen).

De Asset Purchase Agreement is aangegaan onder de voorwaarden (onder meer) dat de beheerder van aandelen en de (ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst nog aan te stellen) vereffenaar de overeenkomst goedkeuren.

2.3

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 12 juni 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:5411) voor recht verklaard dat [C] , [A] , [D] , SC Raw Materials B.V. en SC Investment Group BVBA jegens [B] onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens hem voor de daardoor geleden schade. Het hof heeft [C] , [A] , [D] , SC Raw Materials B.V. en SC Investment Group BVBA veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen (zie r.o. 6.12 e.v.):

(…) Het hof acht de inhoud van zowel het verslag van de onderzoekers als van de daarop gegronde beschikkingen van de Ondernemingskamer dermate grondig – en daarmee overtuigend – dat aanleiding bestaat aan het daartegen te voeren verweer bijzondere eisen te stellen. (…)

[C] c.s. (…) hebben er (…) op gewezen dat “tegenover de OK-beschikkingen” ook uitspraken uit Rusland staan (…).

De vraag rijst of aan deze vreemde vonnissen in de onderhavige procedure enige bewijskracht kan toekomen. (…)

Het zijn schriftelijke bescheiden waaraan slechts vrije bewijskracht toekomt. Die bewijskracht is tegenover de uitspraken van de Ondernemingskamer verwaarloosbaar, allereerst omdat gesteld nog gebleken is dat aan de betreffende vonnissen eveneens een gedegen feitenonderzoek ten grondslag heeft gelegen, maar daarnaast ook omdat zij zijn gebaseerd op het recht van de Russische Federatie, waarover tussen partijen geen debat heeft plaatsgevonden – in eerste aanleg noch in appel – en over de precieze betekenis waarvan voor de onderhavige zaak het hof niet is geïnformeerd. Uit deze uitspraken kunnen dus geen conclusies worden getrokken omtrent de feitelijke gang van zaken of de daaruit naar Nederlands recht al dan niet voortvloeiende aansprakelijkheid. (…)

[volgt beoordeling van de overige stellingen van [C] c.s.]

De conclusie moet luiden dat [C] , [A] en [D] in elk hiervoor afzonderlijk behandeld onderdeel van de stellingen van [B] in hun verweer zijn tekortgeschoten. Daarmee zijn de op de het verslag van de Onderzoekers en de beschikkingen van de Ondernemingskamer in de enquête procedure gegronde stellingen van [B] onvoldoende gemotiveerd weersproken door [C] , [A] en [D] (…) waarmee deze voor het hof als vaststaand hebben te gelden (artikel 149 Rv). Daarmee is gegeven dat zij tegenover [B] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden, nu zij op basis van een vooropgezet plan, dat gebaseerd is op list en bedrog, hebben gepoogd hem als aandeelhouder van de Leaderlandvennootschappen in privé te treffen, onder veiligstelling van de aandeelhoudersbelangen van [C] en [A] . (…)

Tegen dit arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden is geen cassatieberoep ingesteld. Bij dagvaarding van 29 januari 2019 heeft [B] de schadestaatprocedure aanhangig gemaakt en aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van ruim € 10,5 miljoen. [A] , [C] , [D] , SC Raw Materials B.V. en SC Investment BVBA hebben bij dagvaarding van 12 april 2019 een vordering tot herroeping van het arrest als bedoeld in artikel 382 Rv. ingesteld.

2.4

Bij e-mail van 1 november 2018 heeft de vereffenaar partijen, waaronder [A] en [C] , in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over de Asset Purchase Agreement.

2.5

Bij brief van 21 november 2018 heeft mr. Meijer namens [A] onder meer het volgende geschreven aan de vereffenaar:

Het meest principiële en verstrekkendste bezwaar tegen de gang van zaken is het feit dat de destijds door de OK benoemde bestuurder in deze over zijn graf heen heeft gepoogd te regeren door de betreffende overeenkomst te sluiten. (…).

Tot heden heeft (…) cliënt geen deugdelijk overzicht verkregen van het vermogen van de vennootschappen dat vereffend dient te worden. Cliënt ontvangt gaarne op korte termijn een zodanig overzicht onderbouwd met bescheiden, zeker waar het vermeende vorderingen van de heer [B] betreft. (…)

Zoals gemeld, cliënt (…) betwist in ieder geval de vermeende vordering van de heer [B] ten bedrage van maar liefst € 648.400,02 (…)

(…) Mijn cliënt mocht niet meepraten, laat staan meedingen.

2.6

Bij e-mail van 23 november 2018 aan mr. Meijer heeft de vereffenaar [C] gesommeerd tot betaling van het in 1.7 genoemde bedrag van € 75.178,50 exclusief btw ter zake van de kosten van het onderzoek en tot afgifte van de administratie van Leaderland c.s. (zie 1.4). De vereffenaar heeft voorts aanspraak gemaakt op betaling door onder meer [C] en [A] van de ten laste van hen uitgesproken proceskostenveroordelingen. Als bijlage bij deze e-mail heeft de vereffenaar een rapportage van de Belastingdienst en een recent overzicht van de fiscale schuld van Leaderland c.s. aan mr. Meijer toegezonden. In reactie daarop heeft mr. Meijer op 13 december 2018 onder meer het volgende aan de vereffenaar geschreven:

Wat u met (…) uw ‘sommaties’ beoogt ontgaat mij enigszins. U bevestigt mij eigenlijk alleen vooringenomenheid. Mijn cliënten kunnen zich zelfs niet meer aan de indruk onttrekken dat u op voorhand al partij hebt gekozen.

2.7

De vereffenaar en [B] zijn op 21 februari 2019 een schriftelijk addendum op de Asset Purchase Agreement overeengekomen. Dit addendum strekt ertoe dat in aanvulling op de in de Asset Purchase Agreement genoemde vorderingen ook de Fees Claim (betrekking hebbende op door Leaderland c.s. betaalde declaraties van Baker & McKenzie) en de Attachement Rights (betrekking hebbende op door Leaderland c.s. gelegde conservatoire beslagen) aan [B] worden overgedragen en dat het in de Asset Purchase Agreement genoemde bedrag van € 200.000 als onderdeel van de koopsom wordt verhoogd tot € 415.000 met dien verstande dat een gedeelte daarvan ter grootte van € 215.000 wordt aangemerkt als achtergestelde lening van [B] aan Leaderland c.s.

2.8

Op 6 maart 2019 heeft de vereffenaar besloten de Asset Purchase Agreement (inclusief addendum) gestand te doen. Bij e-mail van 7 maart 2019 heeft de vereffenaar mr. Meijer daarvan op de hoogte gesteld (onder toezending van het addendum) en het besluit onder meer als volgt toegelicht:

Van een vereffenaar kan (…) bezwaarlijk worden verwacht over een te sluiten overeenkomst in onderhandeling te treden met een partij die de Assets/in feite vorderingen op haarzelf stelt te willen overnemen, maar tegelijkertijd stelselmatig haar verplichtingen jegens de vennootschappen in vereffening niet nakomt (…)

(…)

Uw (…) bezwaar (…) dat [de OK-bestuurder] met het sluiten van de [Asset Purchase Agreement] over diens graf zou hebben heen-geregeerd (…) is lastig te rijmen met het feit dat (…) de uitvoering van die [Asset Purchase Agreement] nu juist afhankelijk is gemaakt van mijn bekrachtiging. Uw aan mij overgebrachte indruk als zou [de OK-bestuurder] een te nauwe band onderhouden met [B] blijft zonder dragende onderbouwing, en met de gegevens die ik wel heb is mij niet van een tegenstrijdig belang gebleken. Uw oproep eerst de bezittingen van Leaderland c.s. te inventariseren en transparant te maken voor uw cliënten lijkt ernstig misplaatst gezien het door de Ondernemingskamer geconstateerde wanbeleid (…).

2.9

Bij brief van 13 maart 2019 heeft mr. Meijer namens [A] aan de vereffenaar onder meer het volgende geschreven:

U gaat uw boekje ver te buiten met uw twijfelachtige bevoordeling van [B] en Efko en met uw ongenuanceerde vooroordelen jegens [A] .

(…)

[A] stelt u, c.q. uw kantoor, hiermee volledig aansprakelijk voor alle schade die u (…) hebt veroorzaakt en nog veroorzaakt.

(…)

Ik heb het in mijn langjarige ervaring niet eerder zo bruin gebakken gezien.

2.10

Op 28 maart 2019 heeft mr. Meijer namens [C] , [A] en SC RAW Materials B.V. bij het Openbaar Ministerie te Rotterdam aangifte gedaan van niet-ambtelijke omkoping (artikel 328ter Sr.) tegen [B] . Onder het kopje ‘Conclusie’ houdt die aangifte onder meer in:

Gelet op het voorgaande zijn aangevers van oordeel dat [de vereffenaar] een Overeenkomst heeft gesloten/bekrachtigd met [B] omdat de vereffenaar een onmiddellijke betaling heeft ontvangen van (…) [B] en uit de Overeenkomst een belofte voortvloeit dat hij nogmaals flink betaald zal worden door [B] en dat de opzet van [B] hierop was gericht.

2.11

Bij brief van 18 april 2019 heeft mr. I. Atar namens Peters Inc., gevestigd te Delaware, de vereffenaar gesommeerd tot betaling van een bedrag van USD € 1.264.718 uit hoofde van een door Peters Inc. aan Leaderland TTM verstrekte geldlening. Bij e-mail van 19 april 2019 heeft de vereffenaar mr. Atar verzocht bepaalde stukken toe te sturen waaruit het bestaan van de vordering zou kunnen blijken. Bij brief van 9 mei 2019 heeft de vereffenaar aan mr. Evers bericht dat hij van mr. Atar geen nadere stukken heeft ontvangen en dat hij op grond van eigen onderzoek vooralsnog (in afwachting van de ontvangst van stukken opgevraagd bij Peters Inc.) het standpunt inneemt dat Peters Inc. geen vordering (meer) heeft op Leaderland TTM en dat eventuele vorderingen op Leaderland c.s. zijn verjaard.

3 De gronden van de beslissing

3.1

[A] heeft aan zijn verzoek kort gezegd het volgende ten grondslag gelegd. De vereffenaar handelt in strijd met hetgeen een redelijk bekwaam vereffenaar betaamt en onrechtmatig, door:

  1. na te laten de vorderingen van Leaderland c.s. voor een “realistischer en dus zo hoog mogelijk bedrag” te verkopen en daartoe alle aandeelhouders bij die verkoop te betrekken, in welk geval de andere aandeelhouders een bod hadden kunnen doen;

  2. [A] ongefundeerde verwijten te maken en [A] en [C] over één kam te scheren;

  3. betalingen te accepteren van [B] en daarmee de schijn van partijdigheid te wekken;

  4. [B] ten opzichte van de andere schuldeisers/aandeelhouders te bevoordelen en niet bereid te zijn met [A] te spreken;

  5. geen inzicht te verschaffen in de bezittingen en schulden van Leaderland c.s.;

  6. gelden van [B] te accepteren terwijl de vereffenaar wist althans had kunnen weten dat deze gelden vermoedelijk afkomstig zijn uit misdrijf;

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben – zo begrijpt de Ondernemingskamer – [C] en Soyuz c.s. zich bij dat standpunt aangesloten.

3.2

Leaderland c.s. en de vereffenaar, alsmede [B] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dat verweer ingaan.

Zijn Soyuz c.s. belanghebbenden in deze procedure?

3.3

Soyuz c.s. waren deelnemingen van Leaderland. In 2013 hebben Leaderland c.s. hun deelnemingen in Soyuz overgedragen aan SC Investment Group BVBA, een vennootschap waarvan [C] (75%) en [A] (25%) aandeelhouder zijn (zie r.o. 2.1 tot en met 2.10 van de beschikking van 22 april 2016). Bij beschikking van 22 april 2016 heeft de Ondernemingskamer de bestuursbesluiten strekkende tot vervreemding van de deelnemingen in Soyuz Corporation en Soyuz TTM vernietigd (zie 1.6).

3.4

Soyuz c.s. hebben aan hun verzoek om als belanghebbenden te worden aangemerkt kort gezegd ten grondslag gelegd dat op de website van het kantoor van de vereffenaar tot voor kort werd vermeld dat Leaderland c.s. een belang houden in Soyuz. Na een sommatie daartoe van mr. Meijer namens Soyuz c.s. heeft de vereffenaar de gewraakte tekst verwijderd.

3.5

Het verzoek van [A] heeft betrekking op de wijze van vereffening van Leaderland c.s.. Leaderland c.s. zijn bij beschikking van de Ondernemingskamer van 9 november 2017 op de voet van artikel 2:356 BW (na vaststelling van wanbeleid) ontbonden en de Ondernemingskamer heeft bij beschikking van 17 september 2018 mr. Le Grand aangewezen als vereffenaar. De in 3.4 genoemde omstandigheden brengen niet mee dat Soyuz c.s. door de uitkomst van deze procedure zodanig in een eigen belang kunnen worden getroffen dat zij daarin behoren te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of dat Soyuz c.s. anderszins zo nauw betrokken zijn of zijn geweest bij het onderwerp van de onderhavige procedure, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (vgl. HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003, 486 (Scheipar)). De Ondernemingskamer merkt Soyuz c.s. derhalve niet aan als belanghebbenden.

De verzoeken die strekken tot vervanging van, althans het geven van aanwijzingen aan de vereffenaar

3.6

De Ondernemingskamer stelt voorop dat zij de wijze waarop de vereffenaar zijn taak uitoefent slechts met terughoudendheid toetst. De Ondernemingskamer vereffent niet zelf; de door haar benoemde vereffenaar verricht zijn taak in beginsel zelfstandig (vgl. OK 11 april 2013, LJN:NL:GHAMS:2013:BZ9687, JOR 2013, 239 (Königsberg)).

3.7

Leaderland c.s. en de vereffenaar hebben toegelicht dat onderstaande omstandigheden de vereffenaar hebben doen besluiten de Asset Purchase Agreement (inclusief addendum) gestand te doen:

  1. Leaderland c.s. hebben onvoldoende middelen en zien onvoldoende mogelijkheden om de vorderingen die voorwerp zijn van de Asset Purchase Agreement zelf (in rechte) te innen en verkoop van die vorderingen is de enige reële mogelijkheid om de vorderingen te gelde te maken;

  2. verkoop van de vorderingen op korte termijn is noodzakelijk ter voorkoming van een faillissement van Leaderland c.s.;

  3. gelet op onder meer de zeer litigieuze verhoudingen en de onzekere verhaalsmogelijkheden is de kans dat een externe partij bereid is de vorderingen te kopen tegen betere voorwaarden dan die van de Asset Purchase Agreement zo klein dat het niet de moeite loont verkoop aan een externe partij nader te onderzoeken;

  4. verkoop van de vorderingen aan [C] , [A] , of aan hen gelieerde partijen zou, in het licht van het door de Ondernemingskamer vastgestelde wanbeleid, strijdig zijn met de doeleinden van het enquêterecht;

  5. verkoop van de vorderingen aan [B] is gepast, gelet op het door de Ondernemingskamer vastgestelde wanbeleid;

  6. alle bekende schuldeisers, zijnde [B] en de Belastingdienst, stemmen in met de Asset Purchase Agreement (inclusief addendum);

  7. de toenmalige beheerder van de aandelen heeft ingestemd met de Asset Purchase Agreement.

De Ondernemingskamer acht bovenstaande gronden juist en ruimschoots toereikend voor de beslissing van de vereffenaar tot gestanddoening van de Asset Purchase Agreement.

3.8

Met betrekking tot de sub d en e genoemde gronden, merkt de Ondernemingskamer nog dat deze voor de beslissing van de vereffenaar niet nodig zijn, maar daaraan wel kunnen bijdragen nu de kern van het vastgestelde wanbeleid eruit bestaat dat de activa van Leaderland c.s. zonder reële vergoeding zijn overgedragen aan rechtspersonen verbonden aan [C] en [A] en uit de in 2.3 geciteerde overwegingen van het hof Arnhem-Leeuwarden volgt dat ook [A] uit dien hoofde schadeplichtig is. Daaraan doet niet af dat verantwoordelijkheid van [A] voor het wanbeleid niet is vastgesteld.

3.9

De omstandigheid dat Peters Inc. op 18 april 2019 aanspraak heeft gemaakt op betaling door Leaderland c.s. van ruim USD 1,2 miljoen, behoeft de vereffenaar niet van gestanddoening van de Asset Purchase Agreement te weerhouden, omdat de vereffenaar, na onderzoek en op begrijpelijke gronden als uiteengezet in zijn brief van 9 mei 2019 (zie 2.11), tot het voorlopige oordeel is gekomen dat die vordering niet bestaat, althans verjaard is (en er dus geen aanleiding is het faillissement van Leaderland c.s. aan te vragen).

3.10

Het verzoek van [A] stuit reeds op het bovenstaande af. De Ondernemingskamer overweegt daarnaast nog het volgende.

3.11

Het verwijt dat de vereffenaar had moeten trachten de vorderingen van Leaderland c.s. te verkopen voor een “realistisch en dus zo hoog mogelijk bedrag” is onbegrijpelijk in het licht van de stelling van [A] en [C] dat die vorderingen “geen reële vorderingen” zijn. Het verwijt is voorts ongegrond omdat [A] en [C] niet aannemelijk hebben gemaakt dat enige partij – waaronder zij zelf – bereid zou zijn de vorderingen te kopen tegen een betere prijs dan de vereffenaar met [B] is overeengekomen. Daarop en op het feit dat de vereffenaar bij brief van 1 november 2018 [A] uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de Asset Purchase Agreement, strandt ook het verwijt dat de vereffenaar niet bereid zou zijn met [A] te spreken.

3.12

Het verwijt dat de vereffenaar geen inzicht verschaft in de bezittingen en schulden van Leaderland c.s. miskent dat de vereffenaar niet verplicht is om tussentijds rekening en verantwoording aan de aandeelhouders af te leggen en dat de aandelen in Leaderland c.s. ten titel van beheer zijn overgedragen. [A] en [C] hebben niet gesteld dat tot het vermogen van Leaderland c.s. meer of andere activa behoren dan de vorderingen genoemd in de Asset Purchase Agreement (inclusief addendum). Tot de kosten van de vereffening behoren vanzelfsprekend een redelijk honorarium van de vereffenaar en in redelijkheid gemaakte kosten van adviseurs.

3.13

[A] en [C] verwijten de vereffenaar niet alleen partijdigheid, mr. Meijer heeft namens [A] en [C] bij de mondelinge behandeling de “mijns inziens legitieme vraag” opgeworpen of sprake is van “brede corruptie onder alle in deze zaak door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen en de vereffenaar (…) in het bijzonder”. In de hierboven onder 2.10 geciteerde aangifte bij het Openbaar Ministerie heeft mr. Meijer namens [A] en [C] de vereffenaar ervan beschuldigd zich te hebben laten omkopen door [B] . [A] en [C] hebben geen concrete feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die het uiten van deze – zeer verstrekkende en smadelijke – beschuldiging kunnen rechtvaardigen. In dit verband wijst Ondernemingskamer ook op het volgende.

3.14

Het is alle partijen bekend dat Leaderland c.s. zelf al vanaf de aanvang van de enquêteprocedure niet beschikken over toereikende middelen om de kosten van het onderzoek, de onmiddellijke voorzieningen en (thans) de vereffening te dragen en dat [B] sinds de beschikking van de Ondernemingskamer van 18 maart 2014 aan Leaderland c.s. leningen heeft verstrekt ter delging van die kosten. [C] en [A] hebben geen (aanvaardbare) financiering willen verstrekken. Leaderland c.s. hebben ter zitting bij monde van mr. Evers bevestigt dat de door [B] aan Leaderland c.s. verstrekte leningen geen bepalingen bevatten die Leaderland beperken in de aanwending van die gelden en dat [B] geen rechtstreekse betalingen heeft gedaan aan de OK-functionarissen en aan de vereffenaar. De omstandigheid dat Leaderland c.s. afhankelijk waren van financiering door [B] , is het gevolg van de omstandigheid dat – kort gezegd – in 2013 de door Leaderland c.s. gehouden deelnemingen in Soyuz c.s. zonder reële tegenprestatie zijn overgedragen aan aan [C] en [A] gelieerde partijen. [C] is bij beschikking van 11 juli 2014 op straffe van een dwangsom bevolen de administratie van Leaderland c.s. aan de OK-bestuurder te verschaffen, maar heeft daaraan geen gevolg gegeven. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat [C] niet heeft meegewerkt aan het onderzoek, door vragen van de onderzoekers niet of ontwijkend te beantwoorden. De door [A] eerder ingenomen en in deze procedure herhaalde stelling dat de onderzoekers partijdig zouden zijn, is door de Ondernemingskamer reeds verworpen in haar beschikkingen van 5 december 2014 en 5 oktober 2015. [C] heeft zich op 26 november 2015 bereid verklaard de kosten voor een aanvullend onderzoek (naar hetgeen [C] en [A] aan [B] verwijten) te financieren tot een bedrag van € 50.000 exclusief btw, maar heeft vervolgens, nadat dit aanvullend onderzoek was gelast (bij beschikking van 22 april 2016) geweigerd die toezegging na te komen, waarna de Ondernemingskamer zich gedwongen zag dit aanvullend onderzoek te beëindigen bij beschikking van 31 maart 2017. [A] en [C] hebben geweigerd te voldoen aan de sommatie van de vereffenaar tot betaling van hun schulden aan Leaderland c.s. (zie 2.6).

3.15

Het verwijt dat de vereffenaar wist of had kunnen weten dat de door [B] aan Leaderland c.s. verstrekte leningen zijn verschaft met geld dat vermoedelijk afkomstig is uit een misdrijf, is geenszins aannemelijk gemaakt. [A] en [C] hebben zich in dit verband beroepen op overgelegde bankafschriften, terwijl [B] daartegenover heeft gesteld dat die bankafschriften zijn vervalst en ter adstructie van die stelling verklaringen heeft overgelegd van de desbetreffende bank.

Afronding

3.16

Ter zitting heeft mr. Meijer zich nog beklaagd over de aan hem (en de overige partijen) toebedeelde spreektijd van 10 minuten in eerste termijn. De Ondernemingskamer verwerpt dat bezwaar. Deze spreektijd is gebruikelijk; in een reguliere (eerste fase) enquêteprocedure (al dan niet met een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen) krijgt ieder cluster van partijen een spreektijd van 20 minuten en in geval van een mondelinge behandeling van een incidenteel verzoek in een lopende zaak – zoals het onderhavige verzoek – is de gebruikelijke spreektijd 10 minuten per cluster van partijen. Voorts heeft mr. Meijer niet toegelicht waarom de aan hem toebedeelde spreektijd ontoereikend zou zijn. Tenslotte heeft mr. Meijer aan het eind van zijn tweede termijn desgevraagd verklaard dat hij tijdens de mondelinge behandeling alles naar voren heeft kunnen brengen wat hij van belang acht.

3.17

De slotsom is dat er geen reden is de vereffenaar enige aanwijzing te geven, de vereffenaar te vervangen of enig ander deel van het verzochte toe te wijzen. De vereffenaar doet op adequate wijze zijn werk in moeilijke omstandigheden. Het verzoek van [A] zal worden afgewezen. [A] zal dienovereenkomstig worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Leaderland c.s. en de vereffenaar (met rente op de gebruikelijke termijn).

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het verzoek van [A] af;

veroordeelt [A] in de proceskosten aan de zijde van Leaderland en de vereffenaar en begroot deze kosten op € 3.222 te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en drs. P.R. Baart en drs. P.G. Boumeester, raden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Sterk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 27 mei 2019.