Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:172

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
200.237.077/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:1428
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Pensioenverweer ex art. 1:153 lid 1 BW; geen bestaand vooruitzicht op uitkeringen die teloor zouden gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0050
PJ 2019/54
PR-Updates.nl PR-2019-0027
FJR 2020/32.57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.237.077/ 01

Zaaknummer rechtbank: C/15/251009 / FA RK 16-6680 en C/15/256547 / FA RK 17-1588

Beschikking van de meervoudige kamer van 22 januari 2019 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.H. Visser te Wormerveer,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A. de Visser te Zaandam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 21 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 10 april 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 februari 2018.

2.2

De man heeft op 24 mei 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een V-formulier van de zijde van de vrouw van 25 juni 2018 met bijlagen, ingekomen op 26 juni 2018;

- een V-formulier van de zijde van de vrouw van 3 juli 2018 met bijlagen, ingekomen op 4 juli 2018.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 19 juli 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door mr. P.H. Visser;

- de man, bijgestaan door mr. A. de Visser.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1971 gehuwd onder opmaking van huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn op 19 augustus 2016 feitelijk uiteengegaan. De man heeft op 10 november 2016 het echtscheidingsverzoek ingediend.

3.2

De man en de vrouw zijn thans 68 respectievelijk 67 jaar oud.

De man ontvangt naast een AOW-uitkering een pensioenuitkering van € 493,- bruto per maand van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw (hierna: het pensioenfonds) en lijfrenteuitkeringen en uitkeringen aanvullend pensioen van Nationale Nederlanden respectievelijk RegioBank.

De vrouw ontvangt naast een AOW-uitkering een pensioenuitkering van het ABP en inkomen uit vermogen (dividend en rente ter zake van beleggingen respectievelijk rente wegens een door haar verstrekte hypothecaire lening).

3.3

De man had een eigen onderneming, [de onderneming] . Hij heeft deze in of omstreeks oktober 2017 verkocht voor € 625.000,-.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, op het daartoe strekkende verzoek van de man de echtscheiding uitgesproken tussen partijen.

Voorts is onder andere bepaald dat de behandeling van het verzoek van de vrouw betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (vergoeding van de investering van de vrouw in de aflossing van de hypotheek van de woning van de man) op een nader te bepalen zitting zal worden voortgezet.

4.2

De vrouw verzoekt – zo begrijpt het hof – met vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken, de beslissing op het echtscheidingsverzoek aan te houden teneinde de man in de gelegenheid te stellen een voorziening in het nabestaandenpensioen te treffen, althans het inleidend verzoek van de man tot echtscheiding alsnog af te wijzen.

4.3

De man verzoekt het hoger beroep van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking ten aanzien van de echtscheiding te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw heeft in eerste aanleg in het verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandig verzoek verzocht het verzoek tot echtscheiding af te wijzen, waartoe zij heeft aangevoerd dat zij niet kon overzien of sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 1:153 lid 1 BW. Zij wenste dat de man de pensioen- en levensverzekeringspolissen in het geding zou brengen om haar aanspraken te kunnen vaststellen. De man heeft vervolgens bij zijn verweerschrift inzake zelfstandig verzoek en voorts op 1 december 2017, 4 januari 2018 en 5 februari 2018 stukken met betrekking tot zijn pensioen en levensverzekeringen in het geding gebracht.

5.2

De rechtbank heeft het pensioenverweer van de vrouw ongegrond geoordeeld. Kort gezegd heeft de rechtbank daartoe het volgende overwogen. De stelling van de vrouw dat zij recht heeft op een aandeel in het vermogen dat / de bedrijfswinst die door de man kan worden aangewend als pensioen en inkomen, kan niet leiden tot een geslaagd pensioenverweer, omdat artikel 1:153 lid 1 BW niet ziet op spaargelden en onroerende zaken. Uit hetgeen overigens door de vrouw ter onderbouwing van haar verweer is aangevoerd, is voorts niet af te leiden dat door de echtscheiding rechten op nabestaandenpensioen voor de vrouw verloren gaan.

5.3.

Tegen deze beslissing en motivering komt de vrouw op met haar grief, die het volgende inhoudt.

De man is niet bereid gebleken bij de (toekomstige) aanwending van zijn levensverzekeringen en/of pensioenpolissen rekening te houden met een reservering voor nabestaandenpensioen. Hij heeft bewust gekozen voor een hoger ouderdomspensioen ten koste van het nabestaandenpensioen.

De man is evenmin bereid gebleken bij de (toekomstige) aanwending van voor pensioen bestemde waarden in zijn bedrijf rekening te houden met een reservering voor nabestaandenpensioen. De man heeft binnen zijn bedrijf geen (nabestaanden)-pensioenvoorziening opgebouwd, omdat hij van mening was dat de stille reserves in zijn bedrijf ruim voldoende zijn voor het pensioen. Hij zal de verkoopopbrengst van het bedrijf onderbrengen in een pensioenvoorziening en met de belastingdienst een backserviceregeling daarvoor treffen. Van de man mag worden verlangd dat hij een deel van die voorziening reserveert voor het nabestaandenpensioen door daarvoor een nabestaandenverzekering af te sluiten. Daarnaast heeft de man twee onroerende zaken in eigendom, die hij verhuurt. De huuropbrengst van € 12.074,- per jaar dient als pensioeninkomen van de man te worden aangemerkt. Ten aanzien van dat inkomen is geen voorziening voor nabestaandenpensioen getroffen.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Het pensioenverweer van artikel 1:153 lid 1 BW houdt in dat, indien als gevolg van de door de man verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de vrouw na vooroverlijden van de man zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen en de vrouw daarom tegen dat verzoek verweer voert, de echtscheiding niet kan worden uitgesproken voordat daarover een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk te achten is. De regeling is beperkt in die zin dat zij slechts betrekking heeft op uitkeringen uit hoofde van een nabestaandenpensioen en daarmee vergelijkbare uitkeringen, zoals die krachtens een levensverzekering of een lijfrenteregeling.

5.5

De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen blijkens de op 28 april 1971 opgemaakte huwelijkse voorwaarden buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd en geen verrekenbeding zijn overeengekomen, alsmede dat tijdens het huwelijk geen eenvoudige gemeenschap is ontstaan. Hiertegen is geen grief gericht. Het hof deelt derhalve het standpunt van de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, voor zover de vrouw recht heeft op een aandeel in het vermogen dat/de bedrijfswinst die door de man kan worden aangewend als pensioen en inkomen, dit bij de verdeling aan de orde kan komen. Het betoog van de vrouw met betrekking tot het vermogen/de bedrijfswinst van de man kan evenwel niet leiden tot het slagen van haar pensioenverweer. Dit verweer ziet immers slechts op (bestaande) vooruitzichten op uitkeringen als hiervoor onder 5.4 omschreven, en derhalve niet op (niet bestaande) vooruitzichten op uitkeringen uit de verkoopopbrengst van de onderneming en uit huuropbrengsten van onroerende zaken. Voorts heeft de man, zoals de vrouw zelf opmerkt, binnen zijn onderneming geen nabestaandenpensioen opgebouwd, zodat de vrouw ook niet uit dien hoofde een bestaand recht op een uitkering uit de verkoopopbrengst van de onderneming heeft.

5.6

De man heeft met zijn F.9 formulier van 1 december 2017 als productie 5 zijn aanvraag ouderdomspensioen bij het pensioenfonds gedateerd 26 oktober 2017 en een afstandsverklaring, inhoudende afstand van partnerpensioen, in het geding gebracht. Uit de aanvraag blijkt dat de man heeft gekozen voor een standaardpensioen, dat voorziet in een ouderdomspensioen van € 5.609,83 per jaar en een nabestaandenpensioen van € 3.050,27 per jaar. In het geval dat de man niet zou kiezen voor een nabestaandenpensioen zou zijn ouderdomspensioen € 6.768,93 per jaar bedragen. De afstandsverklaring is niet door partijen ondertekend. De uitkering die de man ontvangt bedraagt niet € 6.768,93 per jaar. Daar tegenover heeft de vrouw onvoldoende bewijs bijgebracht van haar stelling dat de man ten koste van het nabestaandenpensioen heeft gekozen voor een hoger ouderdomspensioen, nog daargelaten dat, zo de man deze keuze wel heeft gemaakt, het bestaande vooruitzicht op het nabestaandenpensioen niet als gevolg van de echtscheiding is teloorgegaan of in ernstige mate is verminderd.

5.7

Met betrekking tot de overige uitkeringen die hij ontvangt heeft de man de volgende stukken in het geding gebracht:

5.8 (

productie 15A bij de brief van de man van 5 februari 2018)

Brief van Nationale Nederlanden van 9 november 2001 met betrekking tot polis nummer 5409162. Volgens deze brief bedroeg de grootte van de uitkering op 1 maart 2016 indien de verzekerde (de man) op die datum in leven zou zijn ƒ 138.054,-, en indien de man voor die datum zou zijn overleden ƒ 95.769,-. Uit het formulier “overdracht lijfrentekapitaal door verzekeraar” blijkt dat op 16 maart 2016 het kapitaal van de verzekering (toen € 93.828,18) door Nationale Nederlanden is overgedragen aan Aegon Bank N.V. Sindsdien ontvangt de man van Aegon lijfrente-uitkeringen van € 1.372,-bruto/€1.043,- netto en € 124,-bruto /€ 95,- netto per maand.

5.9 (

productie 15 B bij de brief van de man van 5 februari 2018)

Brief van Aegon Levensverzekering N.V. aan de man van 25 november 2015 met betrekking tot polis nummer L10746094, waarin wordt bericht dat de uitkering van de levensverzekering per 9 februari 2015 € 12.255,- bedroeg en dat dit bedrag zal worden overgemaakt aan RegioBank voor de aankoop van een lijfrente. Uit de brief van Regiobank van 27 november 2015 en de bankafschriften van RegioBank en Rabobank blijkt dat de man sindsdien van RegioBank via een tussenrekening bij de SNS-bank een uitkering aanvullend pensioen van € 209,- bruto/€ 159,- netto per maand ontvangt.

5.10 (

productie 16 bij de brief van de man van 4 januari 2018)

Brieven van ASR Levensverzekering N.V. van 6 augustus 2015, 18 juni 2015 en 22 juli 2015 met betrekking tot de levensverzekering polisnummer 0523522S 2, waarin wordt aangekondigd dat € 8.224,- aan de man zal worden uitgekeerd binnen 10 werkdagen na de einddatum van de verzekering 1 oktober 2015. Dit bedrag is door de man ontvangen.

5.11 (

producties 2A en 2 B bij verweerschrift inzake zelfstandig verzoek en productie 14 bij de brief van de man van 4 januari 2018)

Polisblad gedateerd 10 januari 1989 van de verzekering bij Nationale Nederlanden man/vrouw-polis nummer 7577733 met einddatum 6 december 2015 en een brief van Nationale Nederlanden van 8 december 2015, waarin wordt bericht dat op de einddatum € 11.044,65 beschikbaar is gekomen. Uit de bankafschriften van de Raborekening van de man blijkt dat de man dit bedrag op 11 januari 2016 heeft ontvangen en op 8 maart 2016 € 5.522,50 aan de vrouw heeft overgemaakt.

5.12

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw haar deel van de onder 5.11 genoemde verzekering op 8 maart 2016 heeft ontvangen en dat de onder 5.8, 5.9 en 5.10 genoemde verzekeringen op 1 maart 2016, in november 2015 en op 1 oktober 2015, derhalve (ruim) voor de indiening van het echtscheidingsverzoek op 10 november 2016 aan de man zijn uitgekeerd. Niet geoordeeld kan dan ook worden dat sprake is van een nog bestaand vooruitzicht voor de vrouw op uitkeringen als bedoeld in artikel 1:153 lid 1 BW. Uit de door de man bij zijn brief van 5 februari 2018 in het geding gebrachte polisvoorwaarden van de verzekering onder 5.9 en de daarop door de man gegeven toelichting blijkt weliswaar dat deze verzekering een looptijd had tot 25 oktober 2020, maar dit kan niet leiden tot een ander oordeel. Er is immers niet langer sprake van een bestaand vooruitzicht als hiervoor bedoeld. Ook indien hierover anders moet worden geoordeeld kan dit niet ertoe leiden dat het pensioenverweer slaagt. De uitkering van de verzekering op een eerdere datum dan 25 oktober 2020 is een gevolg van de keuze van de man en niet een gevolg van de echtscheiding.

5.13

De conclusie luidt dat het pensioenverweer van de vrouw niet slaagt. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 21 februari 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 22 januari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.