Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1717

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
200.255.363/01 en 200.254.745/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1787, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. Internationale bevoegdheid van Nederlandse rechter kan i.c. niet worden gebaseerd op forumkeuzebeding noch op artikel 35 EEX-Vo (Herschikt). Onvoldoende connexiteit. Geen staking/schorsing van lopende executiemaatregelen, zo volgt uit artikel 24 lid 5 EEX-Vo (Herschikt), welk artikel prevaleert boven art. 8 EEX-Vo (Herschikt).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummers : 200.254.745/01 SKG en 200.255.363/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/659362/KG ZA 18-1378

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de meervoudige burgerlijke kamer gedaan op

28 maart 2019

inzake

200.254.745/01

de vennootschap naar buitenlands recht

TRAMETA KFT,

gevestigd te Nagypáli (Hongarije),

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. G.C. Vergouwen te Amsterdam,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht

OMNI BRIDGEWAY S.A.,

gevestigd te Genève (Zwitserland),

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J. Meuleman te Amsterdam,

en

de vennootschap naar buitenlands recht

NATIONAL JOINT STOCK COMPANY NAFTOGAZ OF UKRAINE,

gevestigd te Kiev (Oekraïne),

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. Y.A. Wehrmeijer te Amsterdam,

200.255.363/01

de vennootschap naar buitenlands recht

NATIONAL JOINT STOCK COMPANY NAFTOGAZ OF UKRAINE,

gevestigd te Kiev (Oekraïne),

appellante,

advocaat: mr. Y.A. Wehrmeijer te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

TRAMETA KFT,

gevestigd te Nagypáli (Hongarije),

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.C. Vergouwen te Amsterdam.

Tegenwoordig zijn: mr. W.A.H. Melissen, mr. J.W.M. Tromp en mr. J.F. Aalders, raadsheren, bijgestaan door mr. A.M. ten Bosch-Gerritsen, griffier.

Partijen worden hierna Trameta, Omni en Naftogaz genoemd.

Na uitroeping van de zaak verschijnen:

- mr. M.J. van de Graaf en mr. B.W.M. Mutsaers, namens Trameta;

- mr. H. van Roessel, als jurist werkzaam voor Omni;

- mr. A.M. Bekkering en mr. A. Sehomerovic namens Omni;

- mr. Wehrmeijer namens Naftogaz.

Het hof stelt vast dat de volgende stukken in hoger beroep gewisseld zijn:

In de zaak 200.254.745/01:

- appeldagvaarding, tevens memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens houdende wijziging van eis zijdens Omni, met producties 23 tot en met 31;

- incidentele conclusie tot tussenkomst in aanhangig hoger beroep in spoedkortgeding zijdens Naftogaz, met producties 1 tot en met 14;

- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel zijdens Naftogaz, met producties 1 tot en met 15;

- nagekomen producties 7, 8 en 9 zijdens Trameta;

- nagekomen producties 11a,12a, 16 en 16a zijdens Naftogaz.

In de zaak 200.255.363/01:

- appeldagvaarding, tevens memorie van grieven, met producties 1 tot en met 15;

- nagekomen producties 11a,12a, 16 en 16a zijdens Naftogaz.

In beide zaken:

- de bij gelegenheid van de pleidooien, die op 4 maart 2019 hebben plaatsgevonden, door de raadslieden overgelegde pleitnota’s.

Het hof memoreert dat op de zitting van 4 maart 2019 (na de pleidooien, de vragen van het hof en re- en dupliek) de behandeling van de zaak is geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om tot een minnelijke regeling te komen, waarbij is aangekondigd dat indien een minnelijke regeling niet kan worden bereikt het hof op een later moment op de voet van artikel 30p Rv mondeling uitspraak zal doen. Partijen hebben het hof op 26 maart 2019 bericht dat geen minnelijke regeling is bereikt. De mondelinge uitspraak is bepaald op vandaag. Deze luidt als volgt.

De beoordeling in beide zaken.

1. Trameta is in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2019 onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Omni als eiseres en Trameta als gedaagde en Naftogaz als gevoegde partij aan de zijde van Omni.

2. Omni heeft samengevat gevorderd een deel van € 750.000,- plus 30% van de executoriale opbrengst van een partij in Slowakije in beslag genomen gas van Naftogaz te doen bijschrijven op een rekening van Chabrier Advocats SA te Zwitserland tot een eensluidende gezamenlijke instructie van Omni en Trameta over de verdeling dan wel overeenkomstig een onherroepelijke rechterlijke uitspraak in een procedure tussen Trameta en Omni, na betekening van die uitspraak van Chabrier Advocats SA, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Trameta in de kosten.

Naftogaz had in eerste aanleg gevorderd om te mogen tussenkomen teneinde een eigen vordering in te kunnen stellen. Deze vordering tot tussenkomst is door de voorzieningenrechter ter zitting van 23 januari 2019 afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering van Omni toegewezen.

Trameta heeft in de zaak 200.254.745/01 in hoger beroep gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog zal oordelen dat de Nederlandse rechter de bevoegdheid mist ten aanzien van de vorderingen van Omni, althans deze vorderingen alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Omni in de kosten van de procedure in beide instanties en met terugbetaling van hetgeen Trameta uit hoofde van het bestreden vonnis aan Omni en Naftogaz heeft voldaan.

Ten aanzien van de vorderingen van Naftogaz heeft Trameta geconcludeerd tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter, met - naar het hof begrijpt - veroordeling van Naftogaz in de kosten van het geding.

Omni heeft in hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, en aan haar oorspronkelijke eis een subsidiaire eis toegevoegd inhoudende dat de hiervoor vermelde bedragen worden overgemaakt naar Geerlings en Hofstede Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, met veroordeling van Trameta in de kosten van de procedure in hoger beroep.

Naftogaz heeft in de zaak 200.254.745/01 in incidenteel hoger beroep en in het incident en in de zaak 200.255.363/01 in hoger beroep (steeds) gevorderd alsnog te mogen tussenkomen en samengevat (steeds) gevorderd Trameta te verbieden over te gaan tot (verdere) executiemaatregelen en te gebieden om lopende executiemaatregelen te staken, een en ander op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Trameta in de kosten van de procedure in beide instanties met nakosten en rente.

Ten aanzien van 200.254.745/01

3. Voor de feiten wordt verwezen naar het bestreden vonnis onder 2. Grief I van Trameta komt op tegen enkele feiten. Het hof houdt rekening met deze grief.

4. Grief II van Trameta komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Trameta geacht moet worden te hebben ingestemd met de in de pandakte (tussen Omni en IUGAS) opgenomen forumkeuze, inhoudende dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is om kennis te nemen van de geschillen verband houdende met het pandrecht.

Deze grief is terecht voorgesteld. Dat Trameta de claim van IUGAS op Naftogaz (naar zij stelt) heeft overgenomen (gecedeerd gekregen) van IUGAS, welke claim door IUGAS was verpand aan Omni tot zekerheid voor de bedragen die Omni uit hoofde van de Finance and Recovery Agreement van 13 augustus 2014 (hierna: FRA) van IUGAS te vorderen heeft, maakt nog niet dat Trameta het in de pandakte opgenomen forumkeuzebeding heeft aanvaard en/of dat dit haar als derde kan worden tegengeworpen. Dat Trameta tot dezelfde groep als IUGAS behoort en zoals Omni heeft gesteld (en Trameta heeft weersproken) binnen zowel IUGAS als Trameta het beleid feitelijk wordt bepaald door [X] is niet voldoende voor gebondenheid van Trameta aan een forumkeuzebeding in een pandakte tussen Omni en IUGAS. Trameta heeft niet ingestemd met het forumkeuzebeding. Mogelijke kennis van [X] van de inhoud van de pandakte maakt dat niet anders. Trameta is ook niet anderszins aan dit beding gebonden geraakt. Voor het aannemen van derdenwerking van het beding jegens Trameta bestaat geen grond. Trameta is niet onder algemene of bijzondere titel in de rechten van IUGAS getreden en kan ook niet worden aangemerkt als derde die IUGAS in haar rechten en verplichtingen uit de pandakte opvolgt. Anders dan in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1207 is Trameta niet de inningsbevoegde pandhouder, die gebonden kan worden geacht aan de rechten die de pandgever jegens de schuldenaar heeft. De conclusie is dat er geen bevoegdheid van de Nederlandse rechter is op grond van het forumkeuzebeding.

5. Het hof komt dan toe aan de subsidiaire grondslag van de bevoegdheid. Subsidiair heeft Omni de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter gebaseerd op artikel 35 EEX-Vo (Herschikt). Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Voor toepassing van de in artikel 35 EEX-Vo (Herschikt) bedoelde voorlopige of bezwarende maatregelen is noodzakelijk dat er een reële connectie bestaat tussen het voorwerp van de gevorderde maatregel en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de in de lidstaat aangezochte rechter.

Kenmerk van de gevraagde voorziening is het veiligstellen van het pandrecht. Dat het pandrecht is gevestigd naar Nederlands recht, in Nederland een bodemzaak aanhangig is tussen Omni en IUGAS over de geldigheid van de FRA en de (hoogte van de) aanspraken van Omni op grond van de FRA en dat in de first amendment to de FRA tussen IUGAS en Omni een forumkeuzebeding voor de Nederlandse rechter is opgenomen, brengen afzonderlijk en in onderlinge samenhang beschouwd onvoldoende connexiteit mee met de gevorderde bezwarende/voorlopige maatregelen jegens Trameta in Nederland ter veiligstelling van de rechten van Omni uit hoofde van het pandrecht. Naftogaz heeft ter gelegenheid van het pleidooi nog naar voren gebracht dat zij in de tussen IUGAS en Omni in Nederland aanhangige bodemzaak kan tussenkomen en Trameta op de voet van art. 118 Rv kan oproepen. Nog daargelaten dat onvoldoende duidelijk is gemaakt met welke vordering Naftogaz dan zou kunnen/willen tussenkomen, biedt ook dit onvoldoende basis om de vereiste mate van connexiteit aan te nemen.

De slotsom luidt dat de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid heeft om van de vorderingen van Omni kennis te nemen. De overige grieven van Trameta behoeven daarom geen bespreking meer.

Ten aanzien van 200.254.745/01 voorts en 200.255.363/01

6. Wat betreft de vorderingen van Naftogaz in de zaak 200.254.745/01 in incidenteel hoger beroep en in het incident en in de zaak 200.255.363/01 in hoger beroep geldt het volgende. Naar het oordeel van het hof heeft Naftogaz als debiteur van de (beweerdelijk) verpande vordering en geëxecuteerde op zichzelf genomen voldoende belang om te mogen tussenkomen.

Haar vordering strekt in de eerste plaats tot staking/schorsing van lopende executiemaatregelen, waarbij het – naar het hof begrijpt – gaat om de executie in Slowakije (van andere executies is niet gebleken). Uit het bepaalde in artikel 24 lid 5 EEX-Vo (Herschikt) volgt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van een dergelijke vordering kennis te nemen. Het bepaalde in art. 8 EEX-Vo (Herschikt) maakt dit niet anders, nu artikel 24 lid 5 EEX-Vo (Herschikt) prevaleert boven art. 8 EEX-Vo (Herschikt).

Voor zover de vordering van Naftogaz voorts strekt tot een algemeen verbod tot het nemen van (verdere) executiemaatregelen (zie de vordering van Naftogaz onder e.), mist de Nederlandse rechter eveneens internationale bevoegdheid. Niet is gebleken van in Nederland te executeren vermogensbestanddelen van Naftogaz. Art. 8 noch art. 35 EEX-Vo (Herschikt) bieden voldoende grondslag voor het aannemen van internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van een dergelijke - algemeen geformuleerde - vordering kennis te nemen.

In beide zaken:

7. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De Nederlandse rechter heeft geen internationale bevoegdheid om van de vorderingen van Omni en Naftogaz kennis te nemen. Omni zal in 200.254.745/01 in principaal hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van Trameta in beide instanties. Naftogaz zal in 200.254.745/01 in incidenteel hoger beroep en in het incident en 200.255.363/01 (eenmaal) worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van Trameta, waarbij de kosten van het incident aan de zijde van Trameta en Omni worden begroot op nihil.

De beslissing.

Het hof:

in de zaak 200.254.745/01 en in de zaak 200.255.363/01

I. vernietigt het bestreden vonnis;

in de zaak 200.254.745/01 voorts in principaal hoger beroep

II. verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om van de vorderingen van Omni kennis te nemen;

III. veroordeelt Omni in de kosten van het geding in beide instanties eerste aanleg aan de zijde van Trameta begroot op € 639,- aan verschotten en € 980,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 5.481,01 aan verschotten en € 3.222,- aan salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

IV. veroordeelt Omni om al hetgeen Trameta ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Omni heeft voldaan aan Omni terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van de betaling door Trameta tot de dag van terugbetaling;

in de zaak 200.254.745/01 voorts in incidenteel hoger beroep en in het incident en in de zaak 200.255.363/01 voorts

V. verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om van de vorderingen van Naftogaz kennis te nemen;

VI. veroordeelt Naftogaz in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Trameta begroot op € 741,- aan verschotten en € 2.148,- aan salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

VII. veroordeelt Naftogaz in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van Omni en Trameta begroot op nihil;

in beide zaken

VIII. verklaart de veroordelingen onder III, IV en VI uitvoerbaar bij voorraad;

IX. wijst af het meer of anders gevorderde.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is ondertekend.

griffier voorzitter