Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1712

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
23-001285-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van een poging tot verkrachting (art. 242 jo. 45 Sr), bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285 Sr) en aanranding (art. 246 Sr). Dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001285-18

datum uitspraak: 10 mei 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 maart 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-800249-17 (hierna: zaak A), 15-700133-17 (hierna: zaak B) en 15-800002-18 (hierna: zaak C) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Ethiopië) op [geboortedag] 1991,

formeel gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan,

thans verblijvende te [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 april 2019 en 10 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak A

primair
hij op of omstreeks 23 juni 2017 te Schagen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1],

  • -

    die [slachtoffer 1] is gevolgd en/of nadat die [slachtoffer 1] rond 07:00 uur het kinderdagverblijf [naam 1] had geopend en/of naar binnen was gegaan, ook voornoemd kinderdagverblijf naar binnen is gegaan en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] (vervolgens) de woorden heeft toegevoegd: "Kan ik bij jullie komen werken?", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] (vervolgens) onverhoeds bij de schouder(s) en/of bij de (boven)arm(en), althans bij het lichaam, heeft gepakt en/of heeft opgetild en/of op een bank heeft gegooid en/of

  • -

    (vervolgens) boven op het lichaam van die [slachtoffer 1] is gaan liggen en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] heeft vastgehouden en/of

  • -

    (vervolgens) onverhoeds met zijn, verdachtes, mond in de richting van de nek van die [slachtoffer 1] is gegaan en/of aldus die [slachtoffer 1] in de nek heeft geprobeerd te zoenen en/of

  • -

    (vervolgens) onverhoeds (over de kleding heen) de borsten en/of de buik en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 1] heeft betast en/of

  • -

    (vervolgens) aan de broek van die [slachtoffer 1] heeft getrokken en/of aldus heeft geprobeerd om de broek van die [slachtoffer 1] beneden te trekken en/of

  • -

    (nadat die [slachtoffer 1] uit zijn, verdachtes, greep was los gekomen en/of (richting de toegangsdeur) was weg gerend) zijn, verdachtes, vuist in de richting van het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of heeft gestompt en/of heeft bewogen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 23 juni 2017 te Schagen, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten: het (over de kleding heen) betasten van de borsten en/of de buik en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 1], en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid uit het:

  • -

    volgen van die [slachtoffer 1] en/of nadat die [slachtoffer 1] rond 07:00 uur het kinderdagverblijf [naam 1] had geopend en/of naar binnen was gegaan, ook voornoemd kinderdagverblijf naar binnen gaan en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] (vervolgens) de woorden toevoegen: "Kan ik bij jullie komen werken?", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] (vervolgens) onverhoeds bij de schouder(s) en/of bij de (boven)arm(en), althans bij het lichaam, pakken en/of optillen en/of op een bank gooien en/of

  • -

    (vervolgens) boven op het lichaam van die [slachtoffer 1] gaan liggen en/of

  • -

    vasthouden van die [slachtoffer 1] en/of

  • -

    (vervolgens) onverhoeds met zijn, verdachtes, mond in de richting van de nek van die [slachtoffer 1] gaan en/of aldus die [slachtoffer 1] in de nek proberen te zoenen en/of

  • -

    (vervolgens) onverhoeds de borsten en/of de buik en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 1] betasten en/of

  • -

    (vervolgens) aan de broek van die [slachtoffer 1] trekken en/of aldus proberen om de broek van die [slachtoffer 1] naar beneden te trekken en/of

  • -

    (nadat die [slachtoffer 1] uit zijn, verdachtes, greep was los gekomen en/of (richting de toegangsdeur) was weg gerend) zijn, verdachtes, vuist in de richting van het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] slaan en/of stompen en/of bewegen;

Zaak B
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 16 oktober 2017 te Heiloo, in elk geval in Nederland, (telkens) [slachtoffer 2] (verpleegkundig specialist GGZ Noord-Holland-Noord) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] (telkens) dreigend (in de taal [taal], althans in een buitenlandse taal) de woorden toe te voegen (die door tussenkomst van een tolk aan voornoemde [slachtoffer 2] in het Nederlands vertaald werden voorgehouden): "Ik ga je vermoorden" en/of "Ik ga er voor zorgen dat je iets heel ergs gaat overkomen", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;


Zaak C

primair
hij op of omstreeks 23 juni 2017 te Schagen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 3] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], die (rond 03:30 uur alleen op straat lopende) [slachtoffer 3] is gevolgd en/of (vervolgens) die [slachtoffer 3] onverhoeds tegen een hek heeft geduwd en/of (vervolgens) zijn tong in de mond van die [slachtoffer 3] heeft gebracht en/of (vervolgens) zijn hand in de broek van die [slachtoffer 3] heeft gebracht, en/of (vervolgens) (toen die [slachtoffer 3] verdachte wegduwde en/of van verdachte wegliep/wegrende) die [slachtoffer 3] is blijven volgen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 23 juni 2017 te Schagen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het volgen en/of tegen een hek duwen van [slachtoffer 3] en/of het (vervolgens onverhoeds) brengen van zijn tong in de mond van die [slachtoffer 3] en/of het (onverhoeds) betasten in/over de broek aan de schaamstreek van die [slachtoffer 3], die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het brengen van zijn tong in haar mond en/of het betasten in/over de broek aan de schaamstreek van die [slachtoffer 3].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen


De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken van het in de zaken A en C tenlastegelegde wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is in zaak A, kort gezegd, aangevoerd dat de verdachte het tenlastegelegde ontkent, de verklaring van de aangeefster innerlijk tegenstrijdig en ongeloofwaardig is en het DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Intituut (NFI) hoofdzakelijk voor de verdachte ontlastend bewijs bevat. In zaak C is, kort gezegd, betoogd dat de verdachte het tenlastegelegde ontkent, hij beschikt over een alibi en de rapporten met betrekking tot het DNA-onderzoek ontlastend bewijs vormen.

Ten aanzien van zaak B heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.


Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van zaak A

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat zij op 23 juni 2017 omstreeks 07.00 uur de toegangsdeur van kinderopvang [naam 1] te Schagen heeft geopend en kort daarna een donkere man in het gebouw van de kinderopvang zag staan. De man heeft [slachtoffer 1] onverhoeds op een bank gegooid, is bovenop haar gaan liggen, heeft haar – terwijl zij tegenstribbelde – vastgehouden, geprobeerd haar in de nek te zoenen, heeft over de kleding heen haar borsten, buik en schaamstreek betast en geprobeerd haar broek naar beneden te trekken. [slachtoffer 1] heeft zich op enig moment uit de greep van de man los weten te maken door tot driemaal toe hard in zijn balzak te knijpen. Terwijl [slachtoffer 1] richting de toegangsdeur van [naam 1] rende, is de man achter haar aan gekomen en heeft hij met zijn vuist in de richting van haar hoofd geslagen. Daarna is de man naar zijn fiets gelopen en is hij weggegaan. Die fiets had een rood zadelhoesje. Naast de bank waarop [slachtoffer 1] door de man was belaagd, is een fietssleutel gevonden.
Het hof is van oordeel dat de lezing van [slachtoffer 1] op hoofdlijnen en op essentiële onderdelen consistent is. Voor zover de aangifte inconsistenties bevat, acht het hof die van ondergeschikte aard. Bovendien bevat de verklaring van [slachtoffer 1] concrete details, zoals het aantreffen van de fietssleutel naast de bank en het feit dat het zadel van de fiets van de dader voorzien was van een rood hoesje.

De verklaring van [slachtoffer 1] staat verder geenszins op zichzelf. Deze vindt allereerst op wezenlijke onderdelen bevestiging in de verklaring van getuige [getuige]. Zij heeft verklaard dat zij rond het tijdstip van het feit bij het kinderdagverblijf enorm gekrijs hoorde, waarna een jonge vrouw uit het kinderdagverblijf rende – die zichtbaar overstuur en in paniek was – en even later een negroïde man naar buiten kwam lopen.

De aangifte vindt tevens steun in de bevindingen van politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die een donkere man, die zich nadien identificeerde als [verdachte], omstreeks 07.50 uur zagen lopen terwijl hij een fiets op zijn schouders droeg. De fiets was op slot en had een opvallend rood hoesje om het zadel. De in het kinderdagverbliif gevonden sleutel bleek op het slot van die fiets te passen.

Gelet op het voorgaande en bij gebrek aan solide aanknopingspunten waardoor getwijfeld moet worden aan de door [slachtoffer 1] beschreven feitelijke toedracht ziet het hof geen aanleiding de verklaring van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar of ongeloofwaardig te achten.

Dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 1] heeft belaagd, blijkt tevens uit DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het DNA-profiel van de verdachte matcht met celmateriaal dat is aangetroffen in de nek van [slachtoffer 1]. Het hof heeft geen reden aan dit onderzoeksresultaat te twijfelen en ziet in het gegeven dat andere biologische sporen geen match met het DNA-profiel van de verdachte hebben opgeleverd geen reden om tot een andere waardering van dit bewijs te komen.

Het hof verwerpt dan ook de gevoerde verweren.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, in het bijzonder het naar beneden proberen te trekken van de broek van de aangeefster, naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf van verkrachting. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A primair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van zaak C

De aangifte van [slachtoffer 3] houdt in dat zij op 23 juni 2017 omstreeks 03.45 uur nabij het adres [adres 2] te Schagen is aangerand door een donkere man. Uit DNA-onderzoek van het NFI van celmateriaal dat is aangetroffen op de broek van [slachtoffer 3] – aan de buitenzijde van de tailleband en aan de buitenzijde van de ritssluiting – blijkt dat sprake is van een mengprofiel van minimaal drie personen. De resultaten van het DNA-onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker onder de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer 3], de verdachte en één willekeurig persoon dan onder de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer 3] en twee willekeurige onbekende personen. Het hof ziet geen redenen om aan de bevindingen en de conclusie van het NFI te twijfelen. Hetgeen de raadsvrouw ten aanzien van het DNA-onderzoek voor het overige heeft opgemerkt, behoeft daarom geen verdere bespreking.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat op grond van de telefoongegevens van de verdachte kan worden vastgesteld dat hij die nacht om 03.40 uur vanaf de [adres 3] in Schagen (zijnde 930 meter vanaf de plaats van het misdrijf) een telefoongesprek heeft gevoerd en dat op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat hij ten tijde van het incident niet ter plaatse aanwezig was. Het hof volgt de raadsvrouw hierin niet, nu de bedoelde telefoongegevens (slechts) inhouden dat de telefoon van de verdachte een zendmast aan de [adres 3] te Schagen heeft aangestraald, hetgeen geenszins betekent dat die telefoon zich op dat moment daadwerkelijk in de (zeer directe) nabijheid van die zendmast heeft bevonden. Naar het oordeel van het hof vormt de zendmastlocatie van de telefoon van de verdachte juist steunbewijs ten aanzien van het tenlastegelegde, omdat daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorval (midden in de nacht) wakker was en zich in de omgeving van de plaats van het misdrijf bevond.

De verweren worden derhalve verworpen.

Alle relevante feiten en omstandigheden overziend, acht het hof bewezen dat de verdachte [slachtoffer 3] tegen een hek heeft geduwd en onverhoeds zijn tong in haar mond heeft gebracht. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat die gedragingen niet kunnen worden aangemerkt als een begin van uitvoering van verkrachting, nu geen sprake is van een zodanige fysieke handeling op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 3] wilde dwingen tot het ondergaan van één of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam (in andere zin dan de tongzoen). Om die reden kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard hetgeen de verdachte in zaak C primair ten laste is gelegd. Het handelen van de verdachte kan wel worden aangemerkt als aanranding, zodat het hof wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte in de zaak C subsidiair ten laste is gelegd.


Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A

primair
hij op 23 juni 2017 te Schagen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1],

- nadat [slachtoffer 1] rond 07:00 uur het kinderdagverblijf [naam 1] had geopend en naar binnen was gegaan, ook voornoemd kinderdagverblijf binnen is gegaan en

  • -

    [slachtoffer 1] onverhoeds bij de bovenarmen heeft gepakt en op een bank heeft gegooid en

  • -

    op het lichaam van [slachtoffer 1] is gaan liggen en

  • -

    [slachtoffer 1] heeft vastgehouden en

  • -

    onverhoeds met zijn, verdachtes, mond in de richting van de nek van [slachtoffer 1] is gegaan en [slachtoffer 1] in de nek heeft geprobeerd te zoenen en

  • -

    onverhoeds over de kleding heen de borsten en de buik en de schaamstreek van [slachtoffer 1] heeft betast en

  • -

    aan de broek van [slachtoffer 1] heeft getrokken en heeft geprobeerd om de broek van [slachtoffer 1] naar beneden te trekken en

  • -

    nadat [slachtoffer 1] uit zijn, verdachtes, greep was losgekomen en richting de toegangsdeur was weggerend zijn, verdachtes, vuist in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] heeft bewogen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Zaak B
hij op 16 oktober 2017 te Heiloo [slachtoffer 2], verpleegkundig specialist GGZ Noord-Holland-Noord, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door [slachtoffer 2] dreigend, in de taal [taal], de woorden toe te voegen, die door tussenkomst van een tolk aan [slachtoffer 2] in het Nederlands vertaald werden: "Ik ga je vermoorden" en "Ik ga er voor zorgen dat je iets heel ergs gaat overkomen";

Zaak C

subsidiair
hij op 23 juni 2017 te Schagen door geweld, te weten het tegen een hek duwen van [slachtoffer 3] en het vervolgens onverhoeds brengen van zijn tong in de mond van die [slachtoffer 3], die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het brengen van zijn tong in haar mond.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken A, B en C bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot verkrachting.

Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in zaak C subsidiair bewezenverklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A primair, zaak B en zaak C subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en daaraan verbonden de navolgende bijzondere voorwaarden: reclasseringstoezicht en opname/behandeling in een Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA).

De raadsvrouw heeft verzocht ten aanzien van zaak B, conform het relevante oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), een geldboete van € 250,00 op te leggen. Voorts heeft zij betoogd dat de verdachte heeft erkend dat hij hulp c.q. ondersteuning nodig heeft bij zijn terugkeer in de maatschappij en heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de gevolgen die een eventuele veroordeling in de zaken A en/of C voor de toekomst van de verdachte als priester in Nederland met zich brengen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in het holst van de nacht op straat schuldig gemaakt aan aanranding van een jonge vrouw. Zij was na het uitgaan op weg naar haar ouderlijk huis toen zij door de verdachte werd achtervolgd en tegen een hek werd geduwd. Hij heeft zich vervolgens aan haar opgedrongen en onverhoeds zijn tong in haar mond geduwd. De verdachte heeft daarmee het slachtoffer in een beangstigende situatie gebracht en haar lichamelijke integriteit geschonden. Een dergelijke gebeurtenis is dermate aangrijpend dat de herinnering daaraan het slachtoffer nog jarenlang kan achtervolgen.

Enkele uren later heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot verkrachting van een (andere) jonge vrouw. Het nietsvermoedende slachtoffer bereidde in de vroege ochtend haar werkzaamheden bij een kinderopvang voor, toen de verdachte het pand binnendrong, haar vastpakte, op een bank gooide, bovenop haar ging liggen, probeerde haar in de nek te zoenen, haar borsten, buik en kruis betastte en probeerde haar broek naar beneden te trekken. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het feit dat één en ander heeft plaatsgevonden op het werk van het slachtoffer, een plek waar zij zich veilig moet kunnen voelen, maakt de gedragingen van de verdachte des te kwalijker. Het slachtoffer heeft door toedoen van de verdachte een traumatische ervaring opgedaan. Zij heeft te kampen met psychische klachten waarvoor zij zich onder behandeling heeft moeten laten stellen.

Feiten als de onderhavige kunnen bovendien bijdragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft zich kennelijk slechts laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met de dood van een verpleegkundige. Door aldus te handelen heeft hij op agressieve wijze een voor het slachtoffer intimiderende situatie in het leven geroepen. Dit is een ernstig feit, te meer omdat het is gepleegd tegen een hulpverlener die zich op dat moment beroepsmatig juist om het welzijn van de verdachte bekommerde.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 maart 2019 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Bij de strafoplegging heeft het hof voorts acht geslagen op de relevante oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS, waarin voor een voltooide verkrachting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden wordt genoemd. Gelet op de ernst van de feiten, alsmede de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is het hof – ondanks het feit dat het in zaak A primair bewezenverklaarde een poging betreft – van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van substantiële duur met zich brengt. Daarbij is met name redengevend dat de verdachte zich in een kort tijdsbestek heeft schuldig gemaakt aan ernstige zedenmisdrijven jegens twee voor hem onbekende, jonge vrouwen.

Het hof beschikt onder meer over na te noemen rapporten betreffende de verdachte, die in zaak A zijn opgemaakt:

  • -

    een rapport psychologisch onderzoek Pro Justitia van gezondheidszorgpsycholoog [naam 2] van 4 december 2017;

  • -

    een rapport psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van psychiater [naam 3] van 6 december 2017.

De gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve symptomen. Voorts bestaan volgens hen aanwijzingen voor een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een conversiestoornis. Het risico op toekomstig grensoverschrijdend gedrag wordt matig tot hoog ingeschat indien geen adequate psychiatrische behandeling plaatsvindt.


Deskundige [naam 4], psycholoog in opleiding, werkzaam in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht (hierna: Veldzicht) te Balkbrug, heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de psychische gesteldheid van de verdachte thans volledig is gestabiliseerd en dat dit kennelijk het gevolg is van de medicatie die de verdachte tijdens zijn verblijf in Veldzicht krijgt toegediend. Geadviseerd wordt het toedienen van de medicatie te continueren. Begeleiding zal ook in de toekomst nodig zijn. Uit recent intelligentieonderzoek is gebleken dat de verdachte op een verstandelijk beperkt niveau functioneert, aldus [naam 4].

Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden en de psychische problematiek van de verdachte aanleiding – zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – een gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen en daarbij de hierna te noemen bijzondere voorwaarden te stellen. In dat verband acht het hof een proeftijd van 3 jaren aangewezen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.


Dadelijke uitvoerbaarheid
Het hof is, gelet op het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat ernstig rekening gehouden moet worden met een terugval van de verdachte in het hiervoor geschetste psychiatrisch ziektebeeld (met dissociatieve symptomen), indien hij de voorgeschreven medicatie niet (tijdig) inneemt. In dat geval

dient ernstig rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Het risico daarop is aanzienlijk, in aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting te kennen heeft gegeven van mening te zijn dat hij normaal functioneert, hij niet aan enige stoornis lijdt en hij vanwege zijn geloof en beroep (priester) niet in staat kan worden geacht zedenmisdrijven te plegen, zodat niet kan worden aangenomen dat de verdachte uit eigen beweging medicatietrouw zal zijn.

Het hof zal daarom op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht bevelen dat de hierna te noemen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, opdat is gewaarborgd dat het verblijf van de verdachte in Veldzicht – en daarmee de inname van de voorgeschreven medicatie – wordt voortgezet en ook daarna toezicht op de verdachte kan worden gehouden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 2.005,06 (te vermeerderen met de wettelijke rente), bestaande uit € 1.005,96 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering geheel wordt toegewezen.

Van de zijde van de verdachte is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak van het in zaak A tenlastegelegde.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 1.005,96 heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die door of namens de verdachte niet zijn betwist. Dit deel van de vordering kan dan ook worden toegewezen.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op
€ 1.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard van het handelen van de verdachte, de gevolgen voor de benadeelde partij (onder andere bestaande uit extreme angstgevoelens en de aantasting van haar lichamelijke en geestelijk integriteit), de omstandigheid dat de benadeelde partij zich onder behandeling van een fysiotherapeut en een psycholoog heeft moeten laten stellen, en op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.000,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente) ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering geheel wordt toegewezen.

Namens de verdachte is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak van het in zaak C tenlastegelegde.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak C subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 1.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard van het handelen van de verdachte, de gevolgen voor de benadeelde partij (onder andere bestaande uit het feit dat zij in de periode na het voorval van slag is geweest en sindsdien gevoelens van onveiligheid ervaart), en op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 36f, 45, 57, 242, 246 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-800249-17 primair, in de zaak met parketnummer 15-700133-17 en in de zaak met parketnummer 15-800002-18 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-800249-17 primair, in de zaak met parketnummer 15-700133-17 en in de zaak met parketnummer 15-800002-18 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen,

dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd, te weten dat hij:

  • -

    zich gedurende de volledige proeftijd meldt bij de Reclassering te Zwolle, zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    verblijft in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht (hierna: Veldzicht) te Balkbrug voor de duur van maximaal zes (6) maanden of zo veel korter als de reclassering dat in overleg met de behandelaars in Veldzicht noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem door of namens die instelling zullen worden gegeven;

  • -

    aansluitend aan zijn verblijf te Veldzicht verblijft in een Forensische Psychiatrische Afdeling of een soortgelijke psychiatrische instelling voor de duur van maximaal één (1) jaar of zoveel korter als de reclassering dat in overleg met die instelling noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland (vestiging Zwolle) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Fiets dames, Gazelle Primeur (goednummer: 770055);

- 2.00 STK Fietssleutel (goednummer: 770057);

- 1.00 STK Spijkerbroek, blauw (goednummer: 772003);

- 1.00 STK Shirt, grijs (goednummer: 772005);

- 1.00 STK GSM-toestel, Samsung, zwart (goednummer: 774545).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Broek, merk: Only, kleur: zwart (goednummer: 770066);

- 1.00 STK Shirt, merk: H&M, kleur: groen (goednummer: 770067).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-800249-17 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.005,96 (tweeduizend vijf euro en zesennegentig cent) bestaande uit € 1.005,96 (duizend vijf euro en zesennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-800249-17 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.005,96 (tweeduizend vijf euro en zesennegentig cent) bestaande uit
€ 1.005,96 (duizend vijf euro en zesennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 juni 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-800002-18 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-800002-18 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 juni 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. A.M. van Woensel en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 mei 2019.

=========================================================================

[…]