Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1696

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
23-002351-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling en belediging. Verweren: N-O OM omdat er geen klacht was van aangever inhoudende een wens tot vervolging. Daarnaast noodweer-verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002351-18

datum uitspraak: 10 mei 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-087210-18 tegen

[slachtoffer 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 3 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk [slachtoffer 2], in zijn tegenwoordigheid heeft beledigd door:

- feitelijkheden, te weten middels het spugen in/op het gezicht, althans het hoofd, in elk geval in de richting van, die [slachtoffer 2], en/of

- mondeling, te weten door die [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "ik zal je moeder naaien, ik zal je moeder neuken";

2:
hij op of omstreeks 3 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze te stompen/slaan in het gezicht, althans op het hoofd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren

Feit 1: de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Zij baseert dit op het ontbreken van een klacht van aangever inhoudende de wens tot vervolging van de verdachte ten aanzien van belediging.

Dit verweer wordt verworpen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht wordt belediging niet vervolgd dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. Dit klachtvereiste strekt ertoe dat het persoonlijk belang van het slachtoffer, om niet te worden geconfronteerd met eventuele negatieve gevolgen van een strafvervolging, de voorrang heeft boven het algemene belang van strafvervolging. Met die gedachte strookt ook dat artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ertoe strekt te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. Het bestaan van een klacht als omschreven in artikel 164, eerste lid, Sv kan ook worden aangenomen, indien op grond van het onderzoek op de terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.

In het proces-verbaal van aangifte van 3 mei 2018 (doorgenummerde pagina 3 van het proces-verbaal van politie) verklaart aangever [slachtoffer 2] dat hij “aangifte [doet] van mishandeling tegen een persoon die hem ook in het gezicht heeft gespuugd.” Over dit spugen verklaart hij verderop in zijn aangifte dat hij dit als zeer denigrerend heeft ervaren: “Op het moment toen hij vlak naast het bestuurdersportier stond spuugde hij mij direct in mijn gezicht. Dit raakte mij vol in mijn gezicht. Ik schrok hiervan en voelde op dat moment een hoop woede. Ik vond dit zo denigrerend”.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar de wens van aangever dat ook ter zake van belediging tot vervolging van de verdachte zal worden overgegaan. Daarmee is aan het klachtvereiste van artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht voldaan.

Feit 2: het beroep op noodweer

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat sprake is geweest van noodweer: aangever heeft de verdachte zeer hardhandig bij zijn nek gepakt, waarna de verdachte, ter verdediging tegen deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, zich heeft losgetrokken en daarbij waarschijnlijk aangever in het gezicht heeft geslagen.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte komt een geslaagd beroep op noodweer toe indien aannemelijk is gemaakt dat zijn handelen was gericht tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding en de daarop volgende verdediging noodzakelijk en proportioneel was.

Het hof gaat uit van de volgende, aan de wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

De verdachte is naar aanleiding van een parkeerincident uit zijn auto gestapt en naar de auto van aangever gelopen om – naar eigen zeggen – verhaal te gaan halen. Aangekomen bij de auto van aangever heeft hij aangever meteen via (het hof begrijpt: door het (deels) geopende raam van) het bestuurdersportier in het gezicht gespuugd. Daaropvolgend heeft de verdachte de deur van de auto van aangever met zijn knie geblokkeerd, zodat het aangever aanvankelijk onmogelijk werd gemaakt om uit zijn auto te stappen. Op een gegeven moment is aangever toch uit zijn auto kunnen komen en heeft hij de verdachte bij zijn kraag gepakt. De verdachte heeft aangever daarop een vuistslag in zijn gezicht gegeven.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het geven van de vuistslag niet kan worden aangemerkt als een verdedigende handeling, maar – naar de kern bezien – als een aanvallende. De verdachte heeft immers van meet af aan de confrontatie met aangever gezocht door uit zijn auto te stappen om ‘verhaal te gaan halen’, aangekomen bij de auto van aangever direct te gaan spugen en vervolgens het portier van de auto van aangever dicht te houden. Nadat aangever hem bij zijn kraag pakte, heeft de verdachte hem met zijn vuist geslagen. Het hof oordeelt bij deze stand van zaken dat, zo dit bij de kraag pakken door aangever, mede in het licht van hetgeen daaraan is voorafgegaan, al dient te worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte, de reactie van de verdachte op deze aanranding, het geven van een vuistslag, in ieder geval disproportioneel is geweest. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 3 mei 2018 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 2] in zijn tegenwoordigheid heeft beledigd door een feitelijkheid, te weten het spugen in het gezicht van die [slachtoffer 2].

2:
hij op 3 mei 2018 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze te slaan in het gezicht.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde hooguit reclasseringstoezicht. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om oplegging van een deels onvoorwaardelijke en een deels voorwaardelijke taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever door hem in het gezicht te slaan. De aangever heeft hierdoor pijn geleden en letsel bekomen aan zijn gezicht. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van de aangever. Bovendien kunnen dergelijke feiten bijdragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, met name wanneer dit soort feiten worden gepleegd op de openbare weg met getuigen. Het hof rekent dit de verdachte aan. Voorts heeft de verdachte aangever in het gezicht gespuugd, een smerig en zeer grievend feit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 april 2019 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van geweldsdelicten, hetgeen in het nadeel van de verdachte wordt meegewogen.

Vanwege de ernst van de feiten en gelet op voornoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie is het hof van oordeel dat, anders dan door de raadsvrouw van de verdachte is bepleit, niet kan worden volstaan met een (deels) voorwaardelijke taakstraf.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 63, 266 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. H.A. van Eijk en mr. M.L. Leenaers, in tegenwoordigheid van S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 mei 2019.

mr. M.L. Leenaers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]