Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1657

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
200.239.352/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:3834.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.239.352/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/620499 / HA ZA 16-1263

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 mei 2019

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,

appellante,

advocaat: mr. P. Salim te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 21 februari 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellante] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties.

Op 30 oktober 2018 is ter griffie van het hof een akte van depot opgemaakt. Daarin staat dat op die dag door mr. Du Bois voornoemd twee USB sticks (betreffende verslagen van besprekingen op 13 juni 2016 en op 1 augustus 2016) ter griffie van het hof zijn gedeponeerd.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 22 maart 2019 doen bepleiten, [appellante] door mr. Salim voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Du Bois voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ter zitting heeft het hof een gedeelte van de geluidsfragmenten van de hiervoor bedoelde USB sticks beluisterd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en [geïntimeerde] in haar vorderingen alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel deze vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. In deze zaak gaat het, samengevat, om het volgende.

2.1.

Met ingang van 1 januari 2016 is [appellante] een schoonheids-/kapsalon genaamd ‘ [naam] ’ gaan exploiteren in [plaats] . Partijen hebben gesproken over de mogelijkheid dat [geïntimeerde] compagnon van [appellante] zou worden, waartoe het niet is gekomen.

2.2.

[geïntimeerde] heeft bij inleidende dagvaarding een document in het geding gebracht met de volgende inhoud:

Overeenkomst van geldlening

[appellante] , wonende aan de [adres 1] , verder schuldenaar genoemd,

en

[geïntimeerde] , wonende aan de [adres 2] , verder schuldeiser genoemd,

komen een leningsovereenkomst overeen met de volgende voorwaarden:

1. Hoofdsom

De schuldeiser heeft op 1 januari 2016 een geldlening verstrekt ten bedrage van

€ 46.320 Zegge: zesenveertigduizend en driehonderdentwintig euro.

2. Doel van de lening

De lening is bedoeld voor het kopen van de kappersalon en zal uitsluitend hiervoor worden gebruikt.

Aldus overeengekomen en in tweevoud getekend te Amsterdam op 13-06-2016

Schuldenaar Schuldeiser

(handtekening) (handtekening)

………………………………………… …………………………………….

[appellante] [geïntimeerde]

2.3.

Bij brief van 30 juni 2016 heeft mr. Du Bois aan [appellante] meegedeeld dat [geïntimeerde] aanspraak maakte op zekerheidsstelling door [appellante] voor de terugbetaling van de geldlening van € 46.320,- uit hoofde van de op 13 juni 2016 door partijen ondertekende geldleningsovereenkomst, in de vorm van een pandakte. [appellante] werd verzocht kennis te nemen van de bij die brief gevoegde pandakte en zo spoedig mogelijk te laten weten of zij hiermee akkoord ging.

2.4.

Op 1 augustus 2016 heeft op het kantoor van mr. Du Bois een gesprek tussen [geïntimeerde] , [appellante] en mr. Du Bois plaatsgevonden. Van dit gesprek heeft [geïntimeerde] , zonder medeweten van [appellante] en mr. Du Bois, geluidsopnamen gemaakt.

2.5.

In een brief van 29 augustus 2016 heeft mr. Du Bois aan [appellante] geschreven dat [geïntimeerde] zich genoodzaakt zag de geldleningsovereenkomst te ontbinden omdat [appellante] niet bereid was zekerheid te stellen door middel van een pandakte en evenmin bereid was een voor [geïntimeerde] acceptabele terugbetalingsregeling te treffen. [appellante] is in gebreke gesteld en is gesommeerd tot terugbetaling van het bedrag van € 46.320.-.

2.6.

Bij brief van 15 september 2016 heeft mr. Du Bois aan [appellante] laten weten dat een procedure tot het leggen van conservatoir beslag zou worden opgestart. Bij beschikking van 1 december 2016 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam op verzoek van [geïntimeerde] beslagverlof gegeven. Vervolgens is op

2 december 2016 ten laste van [appellante] onder de ABN AMRO Bank derdenbeslag gelegd.

3 Beoordeling

3.1.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] gevorderd, samengevat, [appellante] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 46.320,- aan hoofdsom en een bedrag van € 2.675,- aan buitengerechtelijke incassokosten, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. [geïntimeerde] heeft aan de gevorderde hoofdsom ten grondslag gelegd de door partijen op 13 juni 2016 ondertekende overeenkomst van geldlening (zie onder 2.2). [appellante] heeft betwist dat zij deze overeenkomst heeft ondertekend en heeft in eerste aanleg aangevoerd dat partijen op 13 juni 2016 een geldlening van

€ 4.600,- zijn overeengekomen en dat dat bedrag werd genoemd in de door haar op

13 juni 2016 getekende overeenkomst. In hoger beroep heeft [appellante] het standpunt ingenomen dat zij niet € 4.600,- maar € 6.040,- heeft geleend.

3.2.

het hof overweegt om te beginnen als volgt. [geïntimeerde] heeft bij inleidende dagvaarding een kopie van de in haar visie op 13 juni 2016 door partijen getekende overeenkomst in het geding gebracht. Ter zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde] - desgevraagd - verklaard dat zij het origineel van deze overeenkomst in haar bezit heeft. Omdat [appellante] het bestaan van een door haar ondertekende geldleningsovereenkomst voor het gevorderde bedrag betwist, wenst het hof te beschikken over het origineel van de overeenkomst. Daarom dient [geïntimeerde] uiterlijk op 21 mei 2019 het origineel van bedoelde overeenkomst ter griffie van het hof te deponeren. [appellante] zal vervolgens in de gelegenheid zijn het gedeponeerde document ter griffie van het hof in te zien en zich vervolgens bij akte over bedoeld document uit te laten, een en ander uiterlijk op 18 juni 2019.

3.3.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

bepaalt dat [geïntimeerde] uiterlijk op 21 mei 2019 het origineel van de volgens haar op

13 juni 2016 door partijen ondertekende overeenkomst van geldlening dient te deponeren ter griffie van het hof;

stelt [appellante] in de gelegenheid het door [geïntimeerde] gedeponeerde document na genoemde datum in te zien en zich vervolgens bij akte met betrekking tot dat document uit te laten, een en ander uiterlijk op 18 juni 2019;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A Verscheure, M.L.D. Akkaya en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.