Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1653

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
200.226.187/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbetering arrest 12 maart 2019.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.226.187/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/598066/ HA ZA 15-1075

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 mei 2019

inzake:

NOORD-AMSTERDAMSE MACHINEFABRIEK HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. K.J. de Rooij te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.P.A.M. Uytdewillegen te ’s-Hertogenbosch.

1 Het verdere geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden in het hiernavolgende NAM en [geïntimeerde] genoemd.

1.2

Het hof heeft in deze zaak op 12 maart 2019 een arrest uitgesproken. Bij brief van 2 april 2019 heeft mr. De Rooij zich namens partij NAM op het standpunt gesteld dat het arrest kennelijke fouten bevat en herstel daarvan verzocht. Bij brief van 9 april 2019 heeft mr. Uytdewillegen zich namens [geïntimeerde] verzet tegen toewijzing van dit verzoek.

2 Beoordeling

2.1

In zijn genoemde brief van 2 april 2019 stelt [geïntimeerde] dat het arrest een aantal feitelijke en tekstuele onjuistheden bevat. In overweging 3.4 en in het dictum wordt de naam [naam] genoemd waar [geïntimeerde] is bedoeld en in rechtsoverweging 3.7 zijn een aantal onjuiste jaartallen genoemd. Die namen en jaartallen zijn inderdaad onjuist en zijn kennelijke fouten die op de voet van artikel 31 Rv kunnen worden hersteld. Het hof zal bedoelde kennelijke fouten daarom hierna verbeteren.

2.2

NAM heeft in genoemde brief voorts aangevoerd dat zij zich afvraagt wat het hof met het dictum beoogt en dat zij betwijfelt of er in het arrest op juiste wijze rekenschap is gegeven van alle betalingen die NAM voorafgaand aan de datum van het arrest aan [geïntimeerde] heeft gedaan. Deze opmerkingen van NAM betreffen - wat daar ook van zij - geen kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen.

Het hof zal aan het desbetreffende verzoek van NAM daarom geen gevolg geven.

3 Beslissing

Het hof:

verbetert het in deze zaak op 12 maart 2019 uitgesproken arrest aldus dat in overweging 3.4 en in het dictum voor [naam] gesteld wordt [geïntimeerde] en dat in overweging 3.7 in plaats van “waarna uiteengezet wordt dat NAM ….aflossing” gesteld wordt “waarna uiteengezet wordt dat NAM jaarlijks van 2006 tot en met 2025 € 1.225,-- zal betalen en in 2026 nog € 590,51 ter zake van rente en aflossing”;

stelt de verbetering op de minuut van het arrest;

wijst het verzoek tot verbetering voor het overige af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, A.M.A. Verscheure en G.C. Boot en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.