Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:164

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
200.220.160/01 en 200.220.163/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:1037
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:4604
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:5420
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:3595
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

NIFP-deskundige onderzoek afgerond. Partijen zijn het eens dat de gronden voor uithuisplaatsing aanwezig waren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) 810a
Jeugdwet 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.220.160/ 01 en 200.220.163/ 01

zaaknummers rechtbank: C/15/259619 / JU RK 17-903, C/15/256179 / JU RK 17-413 en C/15/256320 / JU RK 17-431

beschikking van de meervoudige kamer van 22 januari 2019 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder

advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

locatie Alkmaar,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de minderjarige [A] (hierna te noemen: [kind a] );

- de minderjarige [B] (hierna te noemen: [kind b] );

- de minderjarige [C] (hierna te noemen: [kind c] );

- [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder);

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep in beide zaken

1.1

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is overwogen in zijn beschikkingen van 7 november 2017 en 27 maart 2018. Bij deze laatste beschikking heeft het hof alvorens nader te beslissen, mevrouw drs. F.M. Klein Wassink, GZ-psycholoog (hierna te noemen: drs. Klein Wassink), benoemd tot deskundige als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv om – via het NIFP – een onderzoek te (doen) verrichten aan de hand van de door het hof in rechtsoverweging 2.6 van de beschikking van 27 maart 2018 gestelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren.

1.2

Bij het hof is voorts ingekomen:

- per e-mail het rapport en de daarbij behorende factuur van het NIFP van oktober 2018, ingekomen op 30 oktober 2018.

1.3

De mondelinge behandeling is voortgezet op 12 november 2018. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

- de vader;

- [de grootmoeder] , de grootmoeder moederszijde (hierna te noemen: de grootmoeder);

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw F.L.M. Huizinga.

Drs. Klein Wassink is met bericht van verhindering niet verschenen.

2 De feiten

2.1

Voor wat betreft de vaststaande feiten verwijst het hof naar de in deze procedure gegeven beschikking van 7 november 2017. Het hof gaat ook thans nog van die feiten uit. In aanvulling daarop geldt het volgende.

2.2

[kind a] woont sinds 26 januari 2018 op een leefgroep van [kinderopvang] .

2.3

[kind b] en [kind c] wonen bij de pleegmoeder (de zus van de moeder), haar man en hun vier kinderen van nul, acht, veertien en zestien jaar oud. [kind b] woont daar weer sinds 26 januari 2018.

2.4

[kind a] heeft een (begeleide) omgangsregeling met de moeder van één keer per twee weken twee uur bij Kenter jeugdhulp. [kind a] is vier dagen per week bij de vader thuis. Tijdens het onderzoek van drs. Klein Wassink is [kind a] een week met de vader op vakantie geweest. [kind a] gaat regelmatig een dagje of een weekend logeren bij de oma en de pleegmoeder.

2.5

De omgangsregeling tussen de moeder, [kind b] en [kind c] is één keer per twee weken anderhalf uur onbegeleid. De moeder haalt hen op bij de grootmoeder of de pleegmoeder. Er vindt uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [kind b] plaats. [kind b] verblijft gedurende deze opbouw incidenteel een weekend bij de moeder. [kind b] heeft contact met de vader per telefoon en zij zien elkaar eenmaal per veertien dagen op zaterdag. [kind c] heeft geen contact met de vader.

3 De nadere motivering van de beslissing in beide zaken

3.1

Ter beoordeling aan het hof ligt thans nog voor de vraag of de gronden voor de verlenging van de uithuisplaatsing van [kind a] , [kind b] en [kind c] in de periode van 22 mei 2017 tot 28 april 2018 aanwezig waren (zaaknummer 200.220.163/01) en voorts of de gronden voor de uithuisplaatsing van [kind a] en [kind b] in een accommodatie jeugdhulpverlener in de periode van 12 juni 2017 tot 28 april 2018 aanwezig waren.

3.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Overeenkomstig artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

3.3

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep van 12 november 2018 het volgende verklaard. De moeder woont op dit moment in [woonplaats] bij haar man die zij sinds november 2017 kent en met wie zij inmiddels is getrouwd. Zij is bereid omwille van de kinderen zonder haar man naar [plaats] te verhuizen en is van plan daarvoor een urgentieverklaring aan te vragen, hoewel zij twijfelt of zij niet liever in [woonplaats] een woning voor zichzelf zoekt. Haar man heeft veel last van de rouw om hun doodgeboren dochter; indien hij daar overheen komt zou hij bij de moeder kunnen komen wonen.

De moeder ontvangt graag hulp voor haarzelf en bij het opvoeden. Ook wil zij graag met [kind b] in therapie. Voor wat betreft de uithuisplaatsing van [kind a] in een accommodatie jeugdhulpverlener is zij van mening dat dit terecht is geweest. Bij de leefgroep van [kinderopvang] heeft hij het goed, hoewel zij blij is dat hij nu vier dagen per week bij de vader is. Zij zou graag zien dat [kind a] op termijn bij de vader zal worden geplaatst.

Met de uithuisplaatsing van [kind b] in een accommodatie jeugdhulpverlener is de moeder niet tevreden. Het is daar fout gegaan, waardoor [kind b] terug is gegaan naar het gezin van de pleegmoeder. Met de uithuisplaatsing van [kind b] bij de pleegmoeder is de moeder het eens, ondanks dat de moeder op dit moment geen contact met de pleegmoeder, haar zus, meer heeft. Zij wil graag dat met hulpverlening wordt toegewerkt naar terugplaatsing van [kind b] bij haar.

De moeder vindt dat [kind c] bij de pleegmoeder moet blijven wonen. Het gaat daar goed met [kind c] .

Namens de moeder is ter zitting in hoger beroep meegedeeld dat de moeder zich voor wat betreft [kind a] en [kind c] aan het oordeel van het hof refereert.

3.4

De GI heeft ter zitting in hoger beroep van 12 november 2018 het volgende verklaard. De GI ziet dat de ouders en de kinderen het zwaar hebben gehad met de gang van zaken rond de uithuisplaatsingen. Daarbij merkt de GI op dat de koers van de GI inmiddels is gewijzigd van het beheersen van de situatie, naar het bekijken van de mogelijkheden binnen het hele familiesysteem. [kind a] heeft een opbouwende bezoekregeling met zijn vader van drie à vier dagen per week. [kinderopvang] is daar heel blij mee omdat een hele week op de leefgroep teveel is voor [kind a] . Met [kind b] en [kind c] wordt rustig toegewerkt naar omgang met de moeder in de weekenden. Er is bereidheid om te kijken naar de mogelijkheden om [kind b] bij de moeder te laten verblijven. Maar [kind b] vraagt veel zorg en er zijn ook nog steeds zorgen over de moeder. Meer recent zijn nog wel verschillende zorgmeldingen gedaan met betrekking tot de moeder. Er was sprake van conflicten met stemverheffingen tussen de moeder en haar man. In het rapport is de nieuwe woonsituatie van de moeder niet betrokken. Er bestaan ten aanzien van de moeder nog steeds zorgen. De nieuwe man van de moeder heeft veel moeite met de rouwverwerking vanwege het verlies van hun kindje en daardoor is er veel spanning tussen hem en de moeder. Ten aanzien van de man van de moeder is de GI van mening dat hij hulp moet zoeken voor het verwerken van de rouw om hun dochter, anders zal de moeder moeten besluiten dat zolang zij samen is met haar man, voor [kind b] bij de moeder geen perspectief is.

3.5

De vader wil graag dat de kinderen bij hem komen wonen, in ieder geval voor [kind a] is hij bereid te zorgen. Hij vindt de huidige omgang met [kind a] goed gaan en brengt hem met de auto naar zijn huidige school. De vader heeft een woning, werk en een auto en komt op alle afspraken betreffende de kinderen. Zijn moeder en zus kunnen hem helpen met de opvoeding wanneer dat nodig is.

3.6

De grootmoeder heeft ter zitting in hoger beroep van 12 november 2018 aangegeven altijd klaar te staan voor de ouders en de kinderen.

3.7

De raad heeft ter zitting in hoger beroep van 12 november 2018 geadviseerd de beschikkingen waarvan beroep te bekrachtigen.

3.8

Het hof overweegt als volgt.

In zijn vorige beschikkingen van respectievelijk 7 november 2017 en 27 maart 2018 heeft het hof overwogen dat het, met het oog op de te nemen beslissing over de uithuisplaatsing van [kind a] , [kind b] en [kind c] en gelet op het vervolg van de zaak, van belang is om onderzoek te doen naar de opvoedvaardigheden en de persoonlijkheid van de moeder, de opvoeding en mogelijke terugplaatsing van de kinderen bij de moeder en de ontwikkeling en het functioneren van de kinderen. Bij beschikking van 27 maart 2018 heeft het hof, zoals gezegd, drs. Klein Wassink benoemd tot deskundige om aan de hand van de in de beschikking genoemde vragen een onderzoek te verrichten, daarover te rapporteren en te adviseren.

3.9

Uit de rapportage van drs. Klein Wassink van oktober 2018 blijkt ten aanzien van de pleegmoeder het volgende. Bij de pleegmoeder thuis is het gezellig. De grootmoeder woont naast de pleegmoeder waardoor de kinderen ook veel contact met haar hebben. [kind c] is volledig op haar plaats in het gezin van de pleegmoeder en zij is sterk gericht op de grootmoeder. De pleegmoeder en de grootmoeder willen [kind c] graag bij zich houden zolang de moeder nog niet alles op een rijtje heeft. [kind c] weet niet beter dan dat ze bij de pleegmoeder woont. Volgens de pleegmoeder zou het voor [kind b] goed zijn zo snel mogelijk bij de moeder te worden geplaatst zonder van school te hoeven wisselen. De pleegmoeder en de grootmoeder willen de moeder graag ondersteunen bij de opvoeding en zij zien graag dat de moeder bij hen in de buurt in [plaats] komt wonen.

3.10

Uit de rapportage van drs. Klein Wassink van oktober 2018 blijkt ten aanzien van de moeder het volgende. De moeder heeft complexe persoonlijkheidsproblematiek, bestaande uit trauma, beperkte cognitieve vermogens en emotieregulatie- en gedragsproblemen. Deze problematiek leidt ertoe dat zij haar leven niet op orde en georganiseerd heeft. Achter haar externaliserend gedrag schuilen depressieve gevoelens en het niet kunnen omgaan met verdriet. Dit alles zorgt voor een chaotisch, onrustig leven, wisselingen in (niet altijd gelukkige) partnerkeuzes en het niet om kunnen gaan met afspraken. De moeder is niet in staat rust en continuïteit in haar leven te realiseren zonder permanente professionele hulp van buitenaf. Deze hulp moet zich richten op het verwerken van de trauma’s, reguleren van emoties en het praktisch op orde brengen en houden van haar huishouden en leven. Bijkomend probleem is dat met de moeder moeilijk afspraken te maken zijn en contact langdurig te handhaven. Er is bij de moeder eerder sprake van onmacht dan van onwil, ook al doet haar gedrag soms anders vermoeden. Door de relatief goede verbale capaciteiten van de moeder wordt zij overschat; op onderdelen als werkgeheugen, verwerkingssnelheid en perceptueel redeneren functioneert zij op licht verstandelijk beperkt tot verstandelijk beperkt niveau. Zij mist overzicht, heeft moeite met plannen, haar plannen om te zetten in praktisch handelen en oorzaak en gevolg zien. Concluderend kan worden gezegd dat de moeder alleen met langdurige ondersteuning haar leven op de rit kan krijgen en stabiliteit kan waarborgen, gezien de geconstateerde beperkingen in haar verstandelijke vermogens en haar emotionele disregulatie. Bij de moeder zijn vanaf de middelbare school problemen ontstaan in schoolgang, met familie en in sociale contacten. Zij heeft een gebrek aan impulsbeheersing waardoor zij spanning zoekt, verkeerde sociale contacten legt en conflicten en politiecontacten heeft. Alle daaropvolgende gebeurtenissen zijn daar een gevolg van en hebben een versterkende werking gehad in haar problematiek. Dit gecombineerd met de beperkte vermogens van de moeder en het ontbreken van steun in haar dagelijks leven, zowel praktisch als in sociaal opzicht, zorgen voor een onrustig en chaotisch gedragsbeeld.

De moeder is niet in staat op eigen kracht haar eigen financiën te regelen. Voor de moeder is vastigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid meer een probleem dan beschikbaarheid. De moeder weet wat leeftijdsadequate spullen zijn voor de kinderen en wat zij leuk vinden. Zij biedt hen emotionele warmte en is zeer betrokken. Maar zij kan geen gestalte geven aan continuïteit in bezoeken en het bieden van een regelmatig leven aan de kinderen. De moeder vindt het moeilijk aan te sluiten bij de problematiek van de kinderen, al doet zij daar haar best voor. De moeder is bereid hiervoor hulp te accepteren.

Voor zover op dit moment te overzien acht drs. Klein Wassink terugplaatsing bij de moeder niet in het belang van de kinderen.

3.11

Uit de rapportage van drs. Klein Wassink van oktober 2018 blijkt ten aanzien van [kind a] het volgende. [kind a] heeft complexe problematiek, zoals trauma, gehechtheidsproblemen en een achterstand in zijn ontwikkeling zowel op cognitief als op sociaal/emotioneel gebied. Het gedrag van [kind a] is impulsief, meer gericht op zichzelf dan de ander. Het gedrag van [kind a] staat op dit moment het leren in de weg. Hij laat geen depressieve gevoelens zien. Hij is gericht op eigen behoefte en gewin en heeft een positief zelfbeeld, hij legt de schuld buiten zichzelf neer. Hij houdt contactgroei met anderen af en wil zijn omgeving simpel houden. Zijn cognitieve, sociale en identiteitsontwikkeling lopen twee jaar achter. Hij kan niet reflecteren op zijn eigen gedrag. [kind a] heeft op alle vlakken een achterstand in te halen. Hij heeft daarin veel ondersteuning en hulp nodig, met name op het gebied van structuur, rust, duidelijkheid en begrenzing van een aanwezige volwassene die hem de veiligheid biedt om zich te ontwikkelen in een goede richting en niet af te glijden door grensoverschrijdend en impulsief gedrag. Hij wil graag bij de vader wonen, met wie hij zich identificeert. In de weekenden wil hij de moeder bezoeken. Het is de vraag of hij nu in staat is een huishouden samen met de vader op te bouwen en aan de vader een juiste identificatiefiguur heeft. De vader toont zijn goede wil, maar hij zal [kind a] veiligheid, continuïteit, voorspelbaarheid en grenzen moeten bieden zodat hij leert omgaan met grenzen, sociale interacties en conflicten. Het herstel van de relatie tussen de moeder en [kind a] is eveneens een punt van aandacht. [kind a] heeft moeite het gezag ofwel de regels van de moeder te accepteren. Contact met beide ouders is nodig en moet van buitenaf op dit moment geregeld worden, wil duidelijkheid en voorspelbaarheid enigszins gewaarborgd zijn. Het verdient de voorkeur dat er voorlopig geen schoolwisselingen meer plaatsvinden en [kind a] zijn plaats op zijn huidige school [de school] kan continueren.

Drs. Klein Wassink adviseert, kijkend naar de problematiek van [kind a] , te onderzoeken of de vader op de korte en langere termijn de opvoeding, die [kind a] nodig heeft, kan bieden. Het opbouwen van een band met de vader lijkt op dit moment belangrijk voor [kind a] en de vader. Gezien de lange afwezigheid van de vader in het leven van [kind a] , vraagt dit tijd en begeleiding. De GI heeft daarin een belangrijke taak.

De moeder kan [kind a] de hiervoor genoemde vereiste omstandigheden niet bieden, niet op de korte termijn en ook niet op de lange termijn. Plaatsing van [kind a] bij de pleegmoeder acht drs. Klein Wassink eveneens niet wenselijk.

De afgelopen maanden heeft [kind a] redelijk tot goed gefunctioneerd in de leefgroep. Continuering van de plaatsing en de opvoeding daar is op dit moment het beste voor [kind a] totdat het duidelijk is of hij bij de vader kan wonen of niet.

3.12

Uit de rapportage van drs. Klein Wassink van oktober 2018 blijkt ten aanzien van [kind b] het volgende. [kind b] heeft complexe problematiek, inhoudende trauma’s en onveilige gehechtheid. Zij is een in ernstige mate onveilig gehecht, getraumatiseerd meisje. Ze heeft een achterstand van zeker een jaar in cognitieve capaciteiten. In cognitief opzicht ontbreekt het [kind b] aan overzicht met als vraag voor de toekomst hoe haar cognitieve capaciteiten werkelijk zijn. Nu haar IQ niet kan worden getest omdat zij onvoldoende taakgericht, begrips- en gedragsmatig te jong, haar denken te associatief en te fragmentarisch voor haar leeftijd is en zij niet geconcentreerd en te zelfbepalend is, om de opdrachten te vervullen. Ook in de sociale en emotionele ontwikkeling, behalve op zelfredzaamheid, loopt [kind b] achter op haar leeftijdgenoten. Chaos, impulsiviteit, het ontbreken van overzicht, het niet weten wat toelaatbaar gedrag is en wat niet, zijn daarvan het gevolg. [kind b] weet zich veilig bij de pleegmoeder en de oma en heeft een hechte band met de moeder en de moeder met haar. Het herstel van de relatie met de moeder heeft tijd en begeleiding nodig vanuit [kind b] ’s perspectief alvorens [kind b] permanent bij de moeder kan gaan wonen. De moeder staat daarin open voor begeleiding. Voor zowel de moeder als [kind b] zal dit een hele opgave zijn. De moeder toont daarin haar goede wil. Een perspectief van wonen bij de moeder betreft niet alleen een goede woning en het op orde hebben van de financiën, maar dient met al deze aspecten rekening te houden.

Drs. Klein Wassink adviseert, kijkend naar de zwaarte van de problematiek van [kind b] , dat voor [kind b] het wonen bij de pleegmoeder en de oma de meeste kans op een goede ontwikkeling en het inhalen van haar achterstanden geeft. Voor [kind b] is qua wonen een rustige, stabiele omgeving noodzakelijk om haar achterstand in te lopen. Daarnaast is individuele psychologische begeleiding en begeleiding samen met de moeder noodzakelijk. Deze moet gericht zijn op stabilisatie, traumabehandeling en gehechtheidsproblematiek. Contact met de moeder kan geïntensiveerd worden, zodat herstel van de band met de moeder kan plaatsvinden. Te denken valt op termijn aan het wonen doordeweeks bij de pleegmoeder en in het weekend bij de moeder. Tussendoor kan binnen de familie informeel contact geregeld worden doordat de moeder bijvoorbeeld mee naar school gaat of [kind b] op komt zoeken doordeweeks. Dit alles in een opbouwende fase met als doel te kijken of [kind b] in de toekomst mogelijk bij de moeder kan gaan wonen, nu is dat nog te vroeg.

Het contact me de vader moet voor [kind b] overzichtelijk in tijd en ruimte gestalte worden gegeven in een omgangsregeling. Onrust en onduidelijkheid moet daarin vermeden worden.

3.13

Uit de rapportage van drs. Klein Wassink van oktober 2018 blijkt ten aanzien van [kind c] het volgende. [kind c] ontwikkelt zich naar behoren. Er vallen geen achterstanden of stoornissen te constateren. [kind c] voelt zich veilig bij de pleegmoeder en de oma. De band met de moeder is nauwelijks zichtbaar. Het opbouwen van een band met de moeder heeft tijd nodig. Vanuit [kind c] ’s perspectief woont zij bij de pleegmoeder en de oma. Dat is haar thuis. Family-life met de vader en de moeder heeft zij niet/nauwelijks opgebouwd en niet bewust meegemaakt. Voor [kind c] is het wenselijk de plaatsing bij de pleegmoeder te continueren, ook op de langere termijn om een breuk in de hechting van [kind c] te voorkomen. [kind c] is gehecht aan de pleegmoeder en haar gezin en aan de oma, zij is veel minder gehecht aan de moeder. Contact en opbouw van de relatie met de moeder is wenselijk in de vorm van een ruime bezoekregeling. De vader is voor [kind c] een relatieve vreemde. Zij heeft hem niet bewust gekend. Hij was van jongs af aan een afwezige in haar leven. [kind c] dient te weten wie haar vader is en haar vader wie zij is. Contact met de vader in een beperkte bezoekregeling lijkt daarin passend op dit moment. Contact met beide ouders is nodig en moet van buitenaf op dit moment geregeld worden wil duidelijkheid en voorspelbaarheid enigszins gewaarborgd zijn.

3.14

Uit het verhandelde ter zitting op 12 november 2018 is gebleken dat naar aanleiding van de bevindingen van drs. Klein Wassink, de omgang tussen de vader en [kind a] reeds tot vier dagen per week is opgebouwd en goed verloopt en de opbouw van de omgang tussen de moeder en [kind b] in de weekenden is aangevangen. Het contact tussen de moeder en de grootmoeder is hersteld, evenals het contact tussen de GI en de ouders, dat inmiddels goed is. Alle betrokkenen hebben ter zitting in hoger beroep van 12 november 2018 ingestemd met de vaststelling dat de kinderen in de uitvoering van de uithuisplaatsingen uiteindelijk goed terecht zijn gekomen.

3.15

Gelet op het voorgaande en op hetgeen in de beschikking van 7 november 2017 is overwogen, is het hof - met de moeder, de GI, de vader, de grootmoeder en de raad - van oordeel dat in de periode van 22 mei 2017 tot 28 april 2018 (zijnde de periode waarop de bestreden beschikking van 22 mei 2017 ziet), de gronden voor de uithuisplaatsing van de kinderen, welke bij beschikking van 12 juni 2017 is gewijzigd in plaatsing van [kind a] en [kind b] in een accommodatie jeugdhulpverlener, aanwezig waren. Het hof verwijst hiertoe naar hetgeen hiervoor is beschreven onder rechtsoverwegingen 3.10, 3.11, 3.12 en 3.13 en naar hetgeen in rechtsoverweging 5.7 van de beschikking van 7 november 2017 is overwogen. Uit deze overwegingen volgt dat vele zorgen omtrent de moeder, de kinderen en de opvoedsituatie bij de moeder bestonden, die reeds existent waren op 22 mei 2017.

Mede met het oog op de melding van Veilig Thuis in februari 2018, in verband met politiecontact bij de moeder en haar man thuis, is het hof van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing tot 28 april 2018 aanwezig waren. Ook blijkt uit voormelde overwegingen genoegzaam dat ten tijde van de bestreden beschikking van 12 juni 2017 vanwege de bij hen geconstateerde (gedrags)problemen grond bestond om [kind a] en [kind b] in een accommodatie jeugdhulpverlener te plaatsen teneinde door middel van observatie te kunnen bepalen wat zij nodig hebben en wat een goede plaatsing voor hen zal zijn. Vanwege alle bestaande zorgen was de uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. De slotsom is dan ook dat de bestreden beschikkingen zullen worden bekrachtigd.

3.16

Het hof merkt daarbij op dat ter zitting in hoger beroep van 12 november 2018 voornamelijk is gesproken over de toekomst. Wat betreft [kind a] verloopt de combinatie van zijn verblijf bij [kinderopvang] met de intensieve omgang bij de vader thuis, goed. In het contact tussen de vader en [kind a] zijn derhalve reeds flinke stappen gezet en daarin zal stap voor stap dienen te worden bezien hoe het contact met de vader zich verder kan ontwikkelen.

Zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.10 beschreven, dient nog een en ander concreet en blijvend in de situatie van moeder te veranderen en dienen de bestaande zorgen te worden weggenomen, alvorens [kind b] bij haar zou kunnen worden teruggeplaatst, nog afgezien van de ontwikkeling en belastbaarheid van [kind b] die daaraan mogelijk in de weg kunnen staan. Ten aanzien van de omgang tussen de moeder en [kind b] zijn stappen gemaakt in de opbouw, en zal met de tijd moeten worden bezien of en hoe deze omgang geleidelijk meer gestalte kan krijgen.

Voor [kind c] geldt dat zij op haar plek is in het gezin van de pleegmoeder.

3.17

Ten aanzien van de kosten van het NIFP onderzoek overweegt het hof als volgt. Nadat het hof in de beschikking van 7 november 2017 had overwogen dat onvoldoende objectieve gegevens beschikbaar waren om te beoordelen of aan de gronden voor een uithuisplaatsing was voldaan en dat het in het belang van de kinderen wordt geacht dat het observatietraject bij [jeugdzorginstelling] wordt afgerond en zo mogelijk wordt uitgebreid zodat ook naar de opvoedvaardigheden van de moeder en de omgang tussen de kinderen en de moeder kan worden gekeken, heeft de GI enkel summiere informatie van de school van [kind a] en [kind b] overgelegd. Er was geen nader onderzoek meer gedaan. Om die reden achtte het hof zich nog immer onvoldoende voorgelicht om een beslissing in deze zaak te kunnen nemen en heeft het hof het verzoek van de moeder tot het gelasten van een onderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv toegewezen. Gelet op deze gang van zaken ziet het hof aanleiding de moeder niet om een eigen bijdrage in de kosten van het onderzoek te vragen. De volledige kosten zullen ten laste van ’s Rijks kas door de griffier aan de deskundige worden betaald.

3.18

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep;

bepaalt dat de kosten van de deskundige, bedragende € 17.272,60 (ZEVENTIENDUIZEND TWEEHONDERD TWEËENZEVENTIG EURO EN ZESTIG CENT), ten laste van ’s Rijks kas door de griffier aan de deskundige worden betaald.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.A.M. Tijhuis, mr. H.A. van den Berg en mr. J.A. van Keulen, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 22 januari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.