Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1610

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
200.220.773/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Parool heeft artikelen gepubliceerd over de kopers van politiepanden op de Wallen, en hun banden met criminelen.

De betrokken kopers vorderen te verklaren dat publicatie van de artikelen onrechtmatig is.

Tevens vorderen zij de artikelen offline te halen, een rectificatie in de krant te publiceren en immateriële schade te vergoeden.

De rechtbank oordeelde dat publicatie van de artikelen niet onrechtmatig was.

Het hof oordeelt nu dat één bewering in het laatste artikel onrechtmatig was wegens het ontbreken van nuancering en/of wederhoor.

De artikelen worden verder rechtmatig bevonden.

Plaatsing van een rectificatie bij het laatste artikel in het digitale archief volstaat.

De overige vorderingen zijn niet toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0716
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.220.773/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/614117 / HA ZA 16-846

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 mei 2019

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellant sub 2],

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

1 HET PAROOL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [geïntimeerde sub 2],

domicilie kiezend te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde sub 3],

domicilie kiezend te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde sub 4],

domicilie kiezend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. C. Wildeman te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant sub 1] , [appellant sub 2] , Het Parool, [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] genoemd. Appellanten gezamenlijk worden ook wel aangeduid als [appellanten] , geïntimeerden gezamenlijk als Het Parool c.s.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 12 juli 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en Het Parool c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 27 juni 2018 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van de zijde van [appellanten] zijn bij die gelegenheid nog producties overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover hun vorderingen in eerste aanleg zijn afgewezen en, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog hun in hoger beroep op onderdelen opnieuw geformuleerde vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van Het Parool c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

Het Parool c.s. hebben geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.19 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Het Parool geeft een dagblad uit dat, behalve aan nationale en internationale nieuwsfeiten, aandacht aan gebeurtenissen en situaties in Amsterdam besteedt. [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 3] treden daarbij geregeld als verslaggevers op. [geïntimeerde sub 2] is hoofdredacteur van Het Parool.

2.2

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben sinds 1996 gezamenlijk een vastgoedportefeuille in Amsterdam. Bij de uitvoering van hun projecten maken zij gebruik van diverse aannemers. Een van hen was gedurende enige tijd [A] (hierna: [A] ).

2.3

Na wegens drugshandel enkele jaren celstraf te hebben ondergaan, richtte [A] in 2005 [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) op. Hij bood zijn diensten aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan. Tevens huurde hij van hen voor zijn bedrijf een werkplaats met kantoor grenzend aan hun kantoor. Het door [A] gehuurde had een eigen ingang; men kon echter ook binnendoor elkaars bedrijfsruimten bereiken. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] verstrekten [A] daarnaast ten behoeve van zijn woonhuis in [plaats 1] een hypothecaire geldlening. Per 1 augustus 2007 zegde [A] de huur van zijn bedrijfsruimte op. Op 16 oktober 2007 werd [bedrijf 1] in staat van faillissement verklaard.

2.4

In 2007 begonnen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] met de verbouwing van de panden [a-straat huisnummer 1] , [a-straat huisnummer 2] en [a-straat huisnummer 3] in Amsterdam , sinds 2006 hun eigendom. Aanvankelijk verrichtte [bedrijf 1] de werkzaamheden daar; na haar faillietverklaring geschiedde dat met behulp van oud-werknemers van [A] .

2.5

Op [a-straat huisnummer 1] -III werd een luxe bovenwoning (hierna: de bovenwoning) gecreëerd. De bovenwoning, die voor de verhuur was bestemd, omvatte de etages drie, vier en vijf. De bovenwoning was in twee afzonderlijke eenheden verdeeld (etage drie en etage vier/vijf), maar had één gezamenlijke toegang. Het beheer was, net als bij andere woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] , in handen van [bedrijf 2] B.V., die op hetzelfde adres als [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kantoor hield. Op 18 maart 2008 sloot [bedrijf 2] voor de (gemeubileerde) bovenwoning namens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] als verhuurders schriftelijk een huurovereenkomst met [B] .

2.6

Op 28 augustus 2010 hield de politie de voortvluchtige crimineel [C] in de bovenwoning aan. [C] , die [A] uit de gevangenis kende, bleek daar enkele jaren te hebben verbleven.

2.7

Op 30 augustus 2010 publiceerde Vrij Nederland een artikel onder de titel “Huurbaas [C] ‘wist van niets’”. In dit artikel staat onder meer:

“De vrijdag opgepakte crimineel [C] verschool zich in een woning van [appellant sub 2] . De [plaats 3] vastgoedbelegger schrok zich rot toen hij hoorde waar de wereldwijd gezochte crimineel werd gearresteerd. […] ‘We hebben het [pand] opgeknapt en laten verhuren door bemiddelingsbedrijf [bedrijf 2] . Met de bewoners hebben we niets te maken.’”

Twee weken later berichtte Vrij Nederland in een artikel getiteld ”Onderduiken doe je niet alleen” onder meer:

“Volgens bronnen uit het milieu is de woning heringericht door de Amsterdamse aannemer [A] . […] Feit is dat [A] verschillende klussen opknapte voor vastgoedhandelaar [appellant sub 2] . […] [C] zat in 2003 enkele maanden vast wegens wapenbezit. Volgens een kennis van [A] hield deze sindsdien contact met [C] . […]”

2.8

In augustus 2015 werden [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in een consortium met een aantal zakenpartners geselecteerd voor de aankoop van de panden [b-straat huisnummer 4] en [c-straat huisnummer 5] te Amsterdam . In beide panden waren voorheen politiebureaus gevestigd. Deze waren eigendom van de (later Nationale) Politie.

2.9

[b-straat] en [c-straat] liggen in het postcodegebied [nummer] . Bij het verlenen van (bouw)vergunningen in dit deel van de stad past de gemeente Amsterdam de zgn. Bibob-screening en de Van Traa-screening criteria toe. Daarmee probeert zij te voorkomen dat panden direct of indirect in handen komen van of worden gefinancierd door criminelen. De politie hanteerde deze screeningcriteria bij de selectie van het consortium met [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voor de verkoop van de voormalige politiebureaus niet, maar verrichtte een eigen onderzoek naar de kandidaat-kopers.

2.10

Medio januari 2016 voerden [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 3] een viertal gesprekken met elkaar. Dit was op verzoek van [geïntimeerde sub 3] , met het oog op mogelijke publicaties in Het Parool, om inlichtingen over het onderzoek van de politie naar [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en hun zakenpartners nadat dezen zich voor de aankoop van de voormalige politiebureaus hadden gemeld.

2.11

Op 21 januari 2016 legde [geïntimeerde sub 3] een concept-artikel voor Het Parool aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voor. Hun advocaat sommeerde Het Parool bij brief van 22 januari 2016 van publicatie van dit artikel af te zien.

2.12

Op 23 januari 2016 publiceerde Het Parool een artikel van de hand van [geïntimeerde sub 3] onder de kop “Link kopers politiepand met crimineel”. Voorafgaand aan die kop staat als introductie de volgende tekst:

‘Twee oude politiebureaus op [d-straat] zijn nu in handen van vastgoedduo [appellant sub 1] en [appellant sub 2] . Eerder verbleef de toen voortvluchtige beroepscrimineel [C] in een van hun panden.’

In dit artikel, dat grotendeels overeenkomt met het hiervoor onder 2.11. bedoelde concept, staat onder meer het volgende:

“Een nachtmerrie zou het zijn, als de beroemde politiebureaus [c-straat] en [b-straat] op [d-straat] in handen zouden vallen van ‘malafide kopers’. De politie en de gemeente kondigden bij de verkoop van de panden dan ook aan potentiële kopers streng te zullen screenen. Maar is dat goed gegaan? Over de contacten van de mannen die samen met [korpschef [korpschef] ] op de verkoopakte staan, is één en ander op te merken. Twee van de kopers, vastgoedmannen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] , zijn de eigenaren van het appartement waar topcrimineel [C] tussen 2006 en 2010 onderdook tijdens zijn jarenlange vlucht voor de politie. Zij onderhielden bovendien nauwe banden met de man die [C] hielp tijdens zijn vlucht: aannemer [A] . Desondanks konden [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in augustus de politiepanden kopen, voor 9,5 miljoen euro.

(…)

Begin 2006 worden een aantal handelingen verricht die later cruciaal zullen blijken voor de vlucht van [C] . [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kopen de panden op de [a-straat] en [A] begint [ [bedrijf 1] ], dat hij onderbrengt in de inpandige garage van het kantoor van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] (…).

[A] verbouwt de zolderverdieping van de [a-straat] , waar [C] komt te wonen. (…) Ook privé zijn geldstromen: in dezelfde tijd koopt de vrouw van [A] een huis. De financiers: [appellant sub 1] en [appellant sub 2] , op persoonlijke titel.

(…)

In die tijd beschikt [A] over veel geld. Dagelijks neemt hij grote geldbedragen op van de bankrekening van zijn bedrijf: de ene dag achtduizend euro, de volgende dag negenduizend. (…) In een jaar trekt hij ruim zes ton uit [bedrijf 1] , waarvan een ton volstrekt niet is te herleiden. Mogelijk is de rekening van tevoren gespekt en wordt [C] met dat geld onderhouden. In elk geval overhandigt [A] met regelmaat de huur van de [a-straat huisnummer 1] : 3200 euro per maand, contant. Ook ene ‘ [B] ’ levert geld af, maar wie zij is, is onbekend. (…)

In die jaren zijn de drie panden voor [appellant sub 1] en [appellant sub 2] een intensief project. (…) Een bouwvakker die in die tijd aan de panden werkt, kan op een dag door een raam naar binnen kijken. “Daar zag ik hem zitten. [C] . Toen dacht ik wel even: oké … Ik herkende hem omdat ik hem wel eens bij [A] op kantoor had gezien. Daar liepen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ook in en uit.” (…)

De truc met het contante geld dat [A] uit [bedrijf 1] trekt, gaat lang goed. Totdat bij de politie een tip binnenkomt dat ‘bolle [A] naar [C] gaat om geld te brengen’. De methode wordt te riskant en [A] kan (…) [bedrijf 1] niet meer gebruiken. De geldopnames stoppen en [bedrijf 1] gaat prompt failliet.(…)

[A] gaat verder met een andere bv, en blijft gewoon kantoor houden bij [appellant sub 1] en [appellant sub 2] . De banden tussen de drie heren zijn dan nog uitstekend. Ook na zijn faillissement blijft [A] voor hen werken. In 2009 krijgt de vrouw van [A] een tweede hypotheek op hun huis in [plaats 1] . Opnieuw treden [appellant sub 1] en [appellant sub 2] als geldverstrekkers op. Maar [A] komt danig in de knel. Ook zijn nieuwe bedrijfjes gaan failliet. (…) Terwijl de druk op [A] toeneemt, moet hij [C] blijven onderhouden. (…)

Als het stof van de arrestatie is opgetrokken, worden in 2010 in Vrij Nederland vragen gesteld. [appellant sub 2] voert het woord en zegt geschrokken te zijn van het nieuws. “We hebben het opgeknapt en laten verhuren door bemiddelingsbedrijf [bedrijf 2] . Met de bewoners hebben wij niet direct te maken.” Dat is merkwaardig: [bedrijf 2] is het bedrijf dat wordt ingezet om de portefeuille van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te beheren.

Bovendien blijkt nu dat het bewuste bemiddelingskantoor óók is ingeschreven op het kantoor van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] . Het bedrijf beheert uitsluitend woningen uit hun portefeuille. Wie de eigenaren zijn, is niet te achterhalen: administratiekantoren beheren de vennootschap. Eén ding is zeker: het telefoonnummer van [bedrijf 2] is hetzelfde als dat van de bv waarmee [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de politiepanden kochten. (…)

Toen in oktober 2014 werd besloten dat politiebureaus werden verkocht, bedong de gemeente bij de politie dat kopers aan een integriteitsscreening zouden worden onderworpen. De panden vallen in [nummer] , de angst voor louche kopers was groot. Voor de bureaus [b-straat] - en [c-straat] melden zich allerlei geïnteresseerden (…). Maar de voorkeur gaat naar [appellant sub 1] en [appellant sub 2] , terwijl zij tot zijn verdwijning nauwe banden met [A] onderhielden die zijn vriend [C] jaren in hun pand verborgen hield.”

2.13

[geïntimeerde sub 3] twitterde op 23 januari 2016, met een hyperlink naar het hiervoor geciteerde artikel:

“Wie kochten de beroemde politiebureaus op [d-straat] ? De kopers hebben een link met zware criminaliteit.”

2.14

Op 28 januari 2016 berichtte Het Parool – met [geïntimeerde sub 3] als auteur – onder meer het volgende:

“Van der Laan gaf antwoord op raadsvragen van PvdA-raadslid Dennis Boutkan. Die wilde weten hoe het screeningsproces van de kopers was verlopen. Vastgoedondernemers [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kochten de panden voor 9,5 miljoen euro van de Nationale Politie. De gemeente gaf toestemming voor de verkoop. Dat is opvallend: [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn de eigenaars van het pand waar [C] tussen 2006 en 2010 onderdook voor politie en justitie én hadden nauwe banden met de man die [C] tijdens zijn vlucht ondersteunde. [C] wordt door justitie beschouwd als een kopstuk van de Amsterdamse onderwereld. De connectie tussen de nieuwe eigenaren en zware criminaliteit bleek uit onderzoek van Het Parool.”

2.15

Op 23 juni 2016 publiceerde Het Parool – met [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] als auteurs – een artikel met de kop “Kopers van overheidspanden strenger gescreend”, met onder meer de volgende tekst:

“De Nationale Politie gaat potentiële kopers van politiepanden voortaan zelf controleren aan de hand van de wet Bibob. (…) Dat schrijft burgemeester Eberhard van der Laan in een brief aan de gemeenteraad. De PvdA en de SP hadden vragen gesteld naar aanleiding van het nieuws in deze krant dat twee kopers van de gesloten politieposten bureau [c-straat] en bureau [b-straat] op [d-straat] banden hadden met crimineel [C] . Het ging om vastgoedinvesteerders [appellant sub 2] en [appellant sub 1] . [C] is veroordeeld voor drugshandel en wordt verdacht van het geven van moordopdrachten. Hij zat eerder ondergedoken in een pand aan de [a-straat] dat eigendom was van de vastgoedhandelaren. (…)

Overigens hebben de omstreden vastgoedhandelaren (…) zich inmiddels teruggetrokken uit de directie van de onderneming die het voormalige politiebureau in de [c-straat] had gekocht.”

2.16

In de loop van 2016 trokken [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zich terug uit het consortium dat de beide voormalige politiebureaus had gekocht. De gemeente verstrekte de overgebleven leden van het consortium een omgevingsvergunning voor deze percelen.

3 Beoordeling

3.1

[appellanten] hebben in eerste aanleg gevorderd, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang:

( a) primair te verklaren voor recht dat de hiervoor (deels) geciteerde artikelen in Het Parool van 23 januari, 28 januari en 23 juni 2016 (hierna ook: de artikelen) onrechtmatig jegens hen zijn,

alsmede dat door hen genoemde citaten uit de artikelen van 23 januari en 23 juni 2016 en de inhoud van de door [geïntimeerde sub 3] op 23 januari 2016 verstuurde tweet onrechtmatig jegens hen zijn,

en subsidiair te verklaren voor recht dat de in de genoemde artikelen geuite beweringen dat zij gelieerd zijn aan zware criminaliteit en banden hadden met crimineel [C] onrechtmatig jegens hen zijn;

( b) primair Het Parool te veroordelen de artikelen offline te halen, opdat deze niet meer via internet worden openbaar gemaakt en niet langer digitaal opvraagbaar zijn,

subsidiair Het Parool te veroordelen het ertoe te leiden dat de artikelen onvindbaar zijn via zoekmachine Google, althans deze publicaties te anonimiseren,

meer subsidiair Het Parool te bevelen het ertoe te leiden dat de artikelen niet langer in de zoekresultaten van Google.nl en Google.com worden getoond gebruikmakend van hun namen als zoekterm, althans het ertoe te leiden dat de hierna bedoelde rectificatie bij het tonen van de artikelen in een pop-up venster zal worden getoond;

( c) Het Parool (en in hoger beroep tevens: [geïntimeerde sub 2] ) te veroordelen in de zaterdageditie van de papieren versie van Het Parool alsmede gedurende drie (in hoger beroep: twee) weken op de voorpagina en op de homepage van de website www.parool.nl en permanent in het digitale archief van Het Parool de in de inleidende dagvaarding verwoordde (en in hoger beroep enigszins aangepaste) rectificatietekst bij de artikelen te plaatsen op in die dagvaarding nader uitgewerkte wijze;

( d) Het Parool c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding wegens immateriële schade aan elk van beide appellanten een bedrag van € 10.000,-,

de veroordelingen onder (b) en (c) te versterken met een dwangsom, en met hoofdelijke veroordeling van Het Parool c.s. in de proceskosten.

Zij hebben hiertoe aangevoerd dat afweging van de relevante feiten en omstandigheden ertoe leidt dat het recht op bescherming van hun eer en goede naam dient te prevaleren boven de vrijheid van meningsuiting van Het Parool c.s. Zij hebben in verband daarmee erop gewezen dat de in de artikelen geuite verdachtmakingen geen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, dat sprake is van ernstige verdachtmakingen die een grote impact op hen hebben gehad en door de permanente aanwezigheid op internet nog steeds hebben, dat geen sprake is van een misstand, dat Het Parool een gezaghebbend medium is en dat zij geen publieke figuren zijn.

3.2

De rechtbank heeft overwogen, kort gezegd, dat de artikelen niets anders weergeven dan wat tussen partijen vaststaat en dat daarom niet kan worden gezegd dat de uitlatingen de eer en goede naam van [appellanten] aantasten. De uitingen betreffen het zakelijke bestaan van [appellanten] als vastgoedinvesteerders zodat in het midden kan blijven of zij publieke figuren zijn. Voor zover hun persoonlijke levenssfeer al in het geding is, weegt de bescherming daarvan niet op tegen het belang van Het Parool bij publicatie van de artikelen over de verkoop van de voormalige politiebureaus. Van een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is dan ook geen sprake. Er is geen grond voor toewijzing van de vorderingen, aldus de rechtbank, zodat deze worden afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

3.3

De grieven zijn gericht tegen de afwijzing van de vorderingen en tegen de overwegingen die tot die afwijzing hebben geleid. [appellanten] voeren daarbij aan, samengevat, dat in het artikel van 23 januari 2016 bewust de suggestie is opgenomen dat zij betrokken waren bij het schuilhouden van [C] . In het artikel van 23 juni 2016 wordt zelfs zonder verdere uitleg gesteld dat zij een band hadden met [C] . Er is ten onrechte geoordeeld dat de inhoud van de artikelen geen aantasting vormt van hun eer en goede naam en niet raakt aan hun persoonlijke leven. De rechtbank heeft niet de juiste uitgangspunten en wegingsfactoren gehanteerd bij de toepasselijke belangenafweging en heeft ten onrechte geoordeeld dat de publicaties rechtmatig zijn, aldus nog steeds [appellanten] Zij concluderen dat hun vorderingen zoals in hoger beroep op onderdelen opnieuw geformuleerd toewijsbaar zijn. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling en het hof overweegt naar aanleiding daarvan het volgende.

3.4

Aan de orde is of publicatie van de artikelen en het twitterbericht onrechtmatig zijn jegens [appellanten] Bij de beoordeling daarvan staat voorop dat het recht van Het Parool c.s. op vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 EVRM slechts kan worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Een dergelijke beperking is gerechtvaardigd indien de uitlatingen van Het Parool onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van Het Parool c.s. is er met name in gelegen dat zij zich als uitgever en medewerker(s) van een journalistiek medium in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken, terwijl het belang van [appellanten] erin is gelegen dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan verdachtmakingen en dat hun privacy niet onnodig wordt geschonden. Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. In het onderhavige geval is daarbij van belang de mate waarin de publicaties steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal. Tevens is van belang de aard en ernst van de beschuldigingen, de inkleding daarvan, en de vraag of al dan niet sprake is van een bijdrage aan het publieke debat. Voorts is van betekenis in welke mate sprake is geweest van wederhoor. Ook speelt mee of [appellanten] ‘public figures’ zijn, hetgeen mee zou kunnen brengen dat zij zich meer publiciteit moeten laten welgevallen dan een willekeurig ander persoon. Tot slot is van belang in hoeverre sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

Steun in het feitenmateriaal

3.6

[appellanten] werpen in de eerste plaats op dat de publicaties onvoldoende steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal. Het hof overweegt wat dit aangaat het volgende. In het artikel van 23 januari 2016 wordt in de eerste plaats gemeld dat [appellanten] eigenaren waren van het appartement waar [C] tussen 2006 en 2010 onderdook omdat hij werd gezocht door de politie. Dat is, op de jaartallen na, een met de feiten strokende mededeling. [appellanten] klagen erover dat het pand tussen 2007 en 2008 werd verbouwd en pas met ingang van 18 maart 2008 door hen werd verhuurd aan een zekere “ [B] ” die, volgens de eigen stellingen van [appellanten] , naar later bleek de levenspartner was van een oud-werknemer van [A] en tezamen met die levenspartner onderdak aan [C] verschafte. Het hof merkt in dit verband op dat in het kader behorend tot het artikel, waarin het weerwoord van [appellanten] is weergegeven, is vermeld dat volgens [appellanten] de verbouwing pas in 2008 heeft plaatsgevonden. Ook is in dit verband van belang dat [appellant sub 1] in het gesprek dat hij op 14 januari 2016 met [geïntimeerde sub 3] heeft gevoerd, en waarvan Het Parool een transcriptie heeft overgelegd, zelf heeft gezegd dat [A] de huurders (bedoeld is voornoemde [B] en haar partner) van het appartement in 2006 of 2007 aan hem heeft voorgedragen. [appellanten] maken bovendien niet duidelijk waarom de exacte duur van het verblijf van [C] in het appartement van wezenlijk belang zou zijn voor de interpretatie van het artikel. Kern van de boodschap is immers dat [C] gedurende enige jaren heeft gewoond in een appartement dat aan [appellanten] toebehoorde.

3.7

Een tweede feitelijke kern van het artikel is dat [appellanten] nauwe banden onderhielden met de aannemer [A] , de man die [C] met zijn vlucht hielp. [appellanten] hebben niet betwist dat zij banden onderhielden met [A] , en evenmin dat [A] [C] bij zijn vlucht heeft geholpen. Zij hebben evenmin de gedetailleerde feitelijkheden betwist die in het artikel zijn beschreven omtrent de band die zij met [A] hadden. Integendeel, deze feiten zijn door [appellant sub 1] in zijn gesprekken met [geïntimeerde sub 3] juist grotendeels bevestigd en staan ook deels in het tot het artikel behorende kader met de titel: “Reactie [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ” als de inhoud van hun wederhoor beschreven. [appellanten] waren, zo valt uit de weergave van dat wederhoor af te leiden, op de hoogte van de eerdere veroordeling van [A] voor drugshandel; zij wilden hem immers een ‘tweede kans’ geven. [appellanten] hebben voorts niet betwist dat [A] zijn bedrijf had ondergebracht in de inpandige garage van hun kantoor, dat hij met zijn bedrijf verbouwingswerkzaamheden voor hen uitvoerde en dat zij uit hun eigen middelen een huis hebben gefinancierd voor (de echtgenote van) [A] . Ook blijkt uit de mededelingen van [appellant sub 1] in zijn gesprek met [geïntimeerde sub 3] dat [A] de huurder van het appartement aan hen had voorgedragen. [appellanten] hebben voorts bevestigd dat [A] regelmatig de huur, een bedrag van € 3.200,-, contant betaalde en dat zij ook na het faillissement van het bedrijf van [A] met hem bleven samenwerken en bovendien een tweede hypotheek aan zijn echtgenote hebben verstrekt. Ook de in het artikel vermelde feiten over het bemiddelingsbedrijf [bedrijf 2] worden door [appellanten] niet weersproken. Een en ander maakt voldoende duidelijk dat [appellanten] een nauwe band onderhielden met [A] en dat zij persoonlijk waren betrokken bij de verhuur van het appartement aan de door [A] voorgestelde huurders. Die feitelijkheden, en met name de financiering van de woning en het voortzetten van de samenwerking na faillissement, wijzen in de richting dat niet alleen sprake was van een nauwe zakelijke relatie maar ook van een verdergaande band van meer persoonlijke aard.

3.8

Een en ander maakt in elk geval dat de inhoud van het artikel van 23 januari 2016 in voldoende mate steun vindt in het feitenmateriaal. [appellanten] klagen nog over de kop van dat artikel luidend ‘Link kopers politiepand met crimineel’. Met name als deze kop wordt gelezen in verband met de voorafgaande introductie van het artikel, slaat deze link met een crimineel op een link met [C] . Die link bestaat niet, aldus [appellanten] Het hof overweegt dat aan [appellanten] valt toe te geven dat, mede gelet op genoemde introductie, van de kop de suggestie uitgaat dat zij een link zouden hebben met [C] . Hoewel een directe link tussen hen en [C] ontbreekt, en het hof voorbij gaat aan de daartoe door het Parool c.s. ingebrachte verklaringen van anonieme getuigen nu deze te vaag van aard zijn, hecht het hof geen groot gewicht aan de klacht van [appellanten] over de kop van het artikel. De inhoud van het artikel maakt immers voldoende duidelijk dat bedoeld wordt dat er een band is tussen [appellanten] en [A] , en tevens een band tussen [A] en [C] , welke banden erin hebben geresulteerd dat [C] in een pand van [appellanten] ondergedoken heeft gezeten. Het is aldus voor de lezer van het artikel helder op welke wijze de term ‘link’ dient te worden uitgelegd. Dat de kop mogelijk op dit punt een iets te grove samenvatting van de inhoud van het artikel geeft hangt bovendien samen met de functie van een kop om met een (zeer) korte tekst de aandacht te trekken van het lezende publiek.

3.9

Hetzelfde geldt voor de inhoud van het op dezelfde dag door [geïntimeerde sub 3] verzonden twitterbericht. Ook een dergelijk bericht heeft tot doel met een korte tekst de aandacht van het publiek te trekken. Het twitterbericht bevat bovendien een hyperlink waardoor het publiek direct toegang heeft tot de inhoud van dat artikel. Dat relativeert de betekenis van de tekst ‘link met zware criminaliteit’. Wel zal het hof meewegen dat die tekst een zware beschuldiging inhoudt.

3.10

Het artikel dat op 28 januari 2016 is gepubliceerd gaat enerzijds over de vragen die naar aanleiding van het artikel van 23 januari 2016 in de gemeenteraad van Amsterdam zijn gesteld en de reactie van de burgemeester op die vragen, en bevat anderzijds een korte samenvatting van de inhoud van dat eerder verschenen artikel. [appellanten] voeren niet aan dat de verslaglegging over de raadsvragen niet op de feiten is gegrond. Voor zover het artikel van 28 januari 2016 een samenvatting bevat van het eerdere artikel, vindt dit gelet op het hiervoor overwogene voldoende steun in het feitenmateriaal. Wel kan de vraag worden gesteld of ‘de connectie tussen de nieuwe eigenaren en zware criminaliteit’ in de gegeven context niet een te zware beschuldiging inhoudt. Het hof komt daarop terug.

3.11.

Ook het artikel van 23 juni 2016 gaat deels over de reactie van politiek en bestuurlijk Amsterdam op de eerdere berichtgeving en vindt in zoverre steun in het feitenmateriaal. Datartikel meldt dat de kopers van de voormalige politiebureaus, [appellanten] , ‘anden hadden met crimineel [C] ’. Het enige wat in dit artikel over die ‘banden’ wordt vermeld is dat [C] zat ondergedoken in een pand dat eigendom was van [appellanten] . Verdere uitleg, al dan niet in de vorm van wederhoor of een verwijzing naar de eerdere artikelen, ontbreekt in het artikel. Een uitleg in een van die vormen had gelet op de zwaarte van de beschuldiging en hetgeen bij Het Parool c.s. over de positie van [appellanten] bekend was, wel voor de hand gelegen. Van het publiek valt niet te verwachten dat zij de inhoud van de enige maanden daarvoor verschenen artikelen bij het lezen van dit artikel meenemen. De term ‘banden’ zoals het publiek deze aldus krijgt voorgeschoteld, gaat dan ook verder dan gelet op de kenbare feiten te rechtvaardigen is. Het hof komt ook daar in het navolgende op terug.

Ernst beschuldiging en publiek debat

3.12

Het gaat in dit geval om ernstige beschuldigingen. Het hebben van een band met [A] , die eerder is veroordeeld in verband met drugshandel en kennelijk ook een actieve rol heeft gespeeld bij het verbergen van [C] , is op zichzelf beschouwd al een zware beschuldiging. Die beschuldiging ligt echter besloten in de in de artikelen vermelde feiten waarover het publiek zelf een oordeel kan vellen. Daarnaast worden [appellanten] in verband gebracht met [C] . Dat is een nog zwaardere beschuldiging gelet op de bekende rol van [C] in de zware criminaliteit. Een dergelijke beschuldiging behoeft dan ook nadere uitleg, te meer omdat de gebleken banden tussen [appellanten] en [C] slechts indirect zijn omdat deze via [A] zijn verlopen.

3.13

Tegenover de ernst van die beschuldigingen staat echter dat juist het verband tussen de vastgoedhandel, de zakelijke activiteit van [appellanten] , en criminaliteit maakt dat de inhoud van de artikelen bij kan dragen aan het publieke debat. Het is algemeen bekend dat het lokale bestuur zich grote zorgen maakt over de invloed van het criminele circuit op de handel in vastgoed, en dan met name over het verwerven door dat criminele circuit van panden in [d-straat] van Amsterdam. Het is ook bekend dat de gemeente al jaren onderzoek doet naar het bestaan van deze banden, mede in verband met beslissingen die in het kader van de Wet Bibob kunnen worden genomen. Dat de artikelen bijdragen aan het publieke debat blijkt bovendien uit de reacties van de plaatselijke politiek op die artikelen. . [appellanten] gebruiken die reactie weliswaar als grond voor de onrechtmatigheid van de artikelen, maar uit het hiervoor overwogene blijkt dat Het Parool c.s. de politiek niet hebben gevoed met onjuiste of ongegronde beweringen zodat die reactie Het Parool c.s. niet is aan te rekenen.

Wederhoor

3.14

In het artikel van 23 januari 2016 is in ruime mate tegemoet gekomen aan het recht op wederhoor. De schrijver van het artikel, [geïntimeerde sub 3] , heeft voorafgaand aan publicatie niet alleen meermalen contact gezocht met [appellant sub 1] , maar heeft ook een concept van het artikel aan [appellanten] toegezonden. In een ruim opgezet kader bij het artikel is hun reactie weergegeven. [appellanten] hebben niet aangevoerd dat hun standpunt daarin onjuist of onvolledig is weergegeven. Het artikel van 28 januari 2016 is kort daarna verschenen en borduurt slechts voort op het eerdere artikel. Dat een expliciete weergave van het standpunt van [appellanten] daarin ontbreekt, is dan ook niet van relevant belang. [appellanten] hebben bovendien over het ontbreken daarvan in dat artikel niet specifiek geklaagd. Verder leent een twitterbericht zich naar zijn aard niet voor wederhoor, terwijl het gewraakte bericht bovendien een link bevat naar het artikel van 23 januari 2016 waarin wel het standpunt van [appellanten] is opgenomen.

3.15

Het voorgaande ligt anders bij het artikel van 23 juni 2016. Daarin ontbreekt het standpunt van [appellanten] . Ook een directe verwijzing naar dat standpunt ontbreekt. Het voert te ver om te verwachten dat dit standpunt enkele maanden na het verschijnen van de eerdere artikelen bij het algemene publiek bekend is. In dit artikel ontbreekt dan ook het evenwicht tussen enerzijds de zware beschuldiging en anderzijds de nuancering daarvan of de ontkenning door [appellanten] van betrokkenheid bij het verbergen van [C] .

Publieke figuren en inbreuk persoonlijke levenssfeer

3.16

Bij het te geven oordeel is voorts van belang dat [appellanten] zich actief op de onroerend goed markt begeven, ook in het Amsterdamse [d-straat] . Zij hebben in het kader van hun zakelijke activiteiten de voormalige politiebureaus in (middellijk) eigendom verworven in de wetenschap dat zij voorwerp van onderzoek door de politie zouden worden; de politie zou immers een screening van de kopers uitvoeren. Ook zullen zij vanwege hun beroepsactiviteiten meer in het algemeen wetenschap hebben van het publieke debat over de eigendom van onroerend goed op [d-straat] . Een en ander bij elkaar genomen leidt ertoe dat zij ‘public figures’ zijn in die zin dat zij zich door hun zakelijke activiteiten meer publiciteit moeten laten welgevallen dan een willekeurig ander persoon.

3.18

Het Parool c.s. hebben in de artikelen niets anders aan de orde gesteld dan de zakelijke activiteiten van [appellanten] Voor zover de relatie met [A] meer dan een zakelijke was, bijvoorbeeld de financiering van de woning van [A] uit eigen middelen, volgt dat uit de beschreven feiten, waarvan de juistheid niet in geschil is. . Enige verdere mededeling over het persoonlijke leven van [appellanten] ontbreekt. Er is dan ook geen sprake van een indringende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellanten]

Afweging

3.19

Het hof komt tot het volgende afweging. De inhoud van de artikelen van 23 januari 2016 en 28 januari 2016 is voldoende gegrond in het beschikbare feitenmateriaal. Ook is in die artikelen op passende wijze aandacht besteed aan de standpunten van [appellanten] De artikelen bevatten op het eerste oog weliswaar een ernstige aantijging maar de inhoud daarvan is voldoende genuanceerd in die zin dat daaruit voldoende duidelijk wordt dat een rechtstreekse band bestaat tussen [appellanten] en [A] en slechts een indirecte band tussen hen en [C] . Voorts is te concluderen dat [appellanten] door hun zakelijke activiteiten in de publieke belangstelling zijn komen te staan en dat Het Parool c.s. mede daarom aanleiding hebben kunnen zien om als bijdrage aan het publieke debat de onderhavige artikelen te publiceren. Ook staat vast dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet van indringende aard is. Een en ander maakt dat, hoewel sprake is van een zware beschuldiging en de teksten - inclusief de tekst van het twitterbericht - hier en daar genuanceerder hadden kunnen zijn, in dit geval de weegschaal dient uit te slaan in het voordeel van het recht op vrijheid van meningsuiting aan de zijde van Het Parool c.s. zodat het belang van [appellanten] om niet te worden blootgesteld aan dergelijke teksten daarvoor dient te wijken.

3.20

Dat ligt anders voor wat betreft het artikel van 23 juni 2016, voor zover daarin is beweerd dat [appellanten] banden hadden met crimineel [C] . Het gaat om een zware beschuldiging terwijl iedere uitleg of nuancering van deze bewering ontbreekt in dit artikel. Dat had wel in de rede gelegen nu de beschreven feitelijkheden enkel wijzen op een indirecte band tussen [appellanten] en [C] . Het voert te ver om de uitleg of nuancering van de ‘banden’ bij het publiek bekend te veronderstellen. Ook iedere vorm van wederhoor ontbreekt. In het licht daarvan bevindt de beschuldiging van [appellanten] in dit artikel zich over de grens van het toelaatbare. Voor het overige is het artikel overigens niet onrechtmatig te achten jegens [appellanten]

Gevolgen

3.21

Een en ander leidt tot de volgende beslissing. De vordering onder (a) primair dient te worden afgewezen omdat deze ertoe strekt te verklaren voor recht dat alle artikelen in hun geheel, dan wel, zo begrijpt het hof: één daarvan, alsmede de in de vordering geciteerde beweringen en het daarin geciteerde twitterbericht onrechtmatig zijn jegens [appellanten] Er is immers overwogen dat geen van de artikelen als geheel en evenmin het twitterbericht onrechtmatig zijn. De vordering onder (a) subsidiair zal worden toegewezen voor zover deze betreft de bewering in het artikel van 23 juni 2016 dat [appellanten] banden hadden met crimineel [C] . Al met al is dus de conclusie dat één bewering in het artikel van 23 juni 2016 onrechtmatig is jegens [appellanten] Het voert dan te ver om Het Parool te veroordelen het (gehele) artikel offline te halen of op enige wijze onvindbaar te (doen) maken via de zoekmachine van Google, zoals onder (b) gevorderd. Het voert tevens te ver om van Het Parool te verlangen Google te bewegen een pop-up venster te plaatsen bij zoekresultaten, zoals [appellant sub 1] met hun vordering onder (b) kennelijk mede beogen. Het hof komt verder tot een algehele afwijzing van het onder (b) gevorderde omdat de hierna te verwoorden veroordeling tot rectificatie een voldoende redres vormt voor het onrechtmatig geoordeelde handelen van Het Parool c.s.

3.22

Het hof ziet voorts aanleiding de vordering onder (c) toe te wijzen op de navolgende wijze. De door [appellanten] voorgestelde rectificatietekst past niet bij de gedeeltelijke toewijzing van de vordering onder (a). Het hof zal in het dictum van dit arrest dan ook een passende alternatieve tekst formuleren. Het hof acht de onrechtmatigheid voorts van onvoldoende gewicht om Het Parool te veroordelen een rectificatie te plaatsen in de papieren editie van de zaterdagkrant of in een pop-up venster bij ieder bezoek aan de website, zoals is gevorderd. De veroordeling zal dan ook slechts het plaatsen van een rectificatie in het digitale archief betreffen. Het hof ziet geen grond om naast Het Parool tevens [geïntimeerde sub 2] persoonlijk te veroordelen tot rectificatie. De op te leggen dwangsommen worden voorts gematigd en gemaximeerd als na te melden.

3.23

De onrechtmatigheid betreft niet alle artikelen maar slechts (een onderdeel van) het artikel van 23 juni 2016, terwijl [appellanten] zich op die datum al hadden teruggetrokken uit de onderneming die de politiebureaus had gekocht. De terugtrekking mist dan ook een voldoende oorzakelijk verband met het onrechtmatig handelen van Het Parool. [appellanten] hebben voorts onvoldoende toegelicht dat en op welke wijze zij door de inhoud van laatstgenoemd artikel in hun eer en goede naam zijn aangetast, laat staan op welke wijze dit alsnog tot immateriële schade heeft geleid. Al met al is naar het oordeel van het hof gelet op alle omstandigheden de toe te wijzen veroordeling tot rectificatie een voldoende redres voor het onrechtmatig handelen van Het Parool c.s. De vordering strekkende tot vergoeding van immateriële schade zal dan ook worden afgewezen.

3.24

De slotsom is dat de grieven deels slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en er zal worden beslist als volgt. De kosten zullen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep worden gecompenseerd nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de door Het Parool in het artikel met, naar het hof begrijpt, de kop ‘Kopers van overheidspanden strenger gescreend’ d.d. 22 en 23 juni 2016 geuite bewering dat [appellanten] banden hadden met crimineel [C] onrechtmatig is jegens hen;

veroordeelt Het Parool op de website www.parool.nl de hiernavolgende rectificatietekst te plaatsen binnen zeven dagen na betekening van dit arrest, in lettertype Arial, minimale lettergrootte 12, vetgedrukt, duidelijk leesbaar in zwarte tekst op een witte achtergrond, in omlijnd kader en zonder wijziging, toevoeging of commentaar en dat deze rectificatie zal worden getoond in het digitale archief bij het artikel met de kop ‘Kopers van overheidspanden strenger gescreend’ d.d. 23 juni 2016:

‘RECTIFICATIE inzake vastgoedinvesteerders [appellant sub 1] en [appellant sub 2]

In dit artikel heeft het Parool gesuggereerd dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] banden hadden met crimineel [C] . In het artikel ontbreekt de nuancering dat slechts sprake is geweest van een indirecte band. In het artikel ontbreekt tevens dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben ontkend dat zij wetenschap hadden van het verblijf van [C] in een pand dat hun eigendom was. Het gerechtshof Amsterdam heeft bepaald dat Het Parool hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en heeft bij arrest van 14 mei 2019 bevolen deze rectificatie te publiceren.’

veroordeelt Het Parool tot verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke dag dat het verzuimt het bevel tot plaatsen van de rectificatie geheel of gedeeltelijk na te komen, tot een maximum van € 25.000,-;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering van [appellanten] voor het overige af;

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten van de eerste aanleg draagt,

en voorts:

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten in het hoger beroep draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.M. Steenberghe, A.S. Arnold en D. Kingma en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.