Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1580

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
07-02-2020
Zaaknummer
200.220.005/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis. Strijd met beginsel van hoor en wederhoor? Andere grond voor vernietiging? Bekrachtiging van afwijzing van de vordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.220.005/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/609864/HA ZA 16-587

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 mei 2019

inzake

de vennootschap naar Sloveens recht

NOŽI RAVNE PODJETJE ZA PROIZVODNJO NOŽEV IN REZIL D.O.O,

gevestigd te Ravne na Koroškem (Slovenië),

appelante,

advocaat mr. R. van de Klashorst te ’s-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASKO B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geintimeerde,

advocaat mr. J.Ph. de Korte te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Noži Ravne en Asko genoemd.

Noži Ravne is bij dagvaarding van 14 juli 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Noži Ravne als eiseres en Asko als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 27 juni 2018 doen bepleiten, Noži Ravne door mrs. A. Muhammad, advocaat te Den Haag en Van de Klashorst voornoemd en Asko door mr. De Korte voornoemd, allen aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Noži Ravne heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en

- uitvoerbaar bij voorraad - haar vorderingen alsnog zal toewijzen en Asko zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en wettelijke rente.

Asko heeft geconcludeerd dat het hof Noži Ravne niet ontvankelijk zal verklaren, althans het hoger beroep zal afwijzen, en - zo begrijpt het hof - het bestreden vonnis eventueel met verbetering van de gronden zal bekrachtigen en Noži Ravne zal veroordelen in de proceskosten.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Noži Ravne is een Sloveens staalbedrijf, gespecialiseerd in de productie van industriële messen voor de hout-, metaal- en papierindustrie en vervaardigt ook slijtvaste stalen platen (solid and compound steel) voor het gebruik in machines en productielijnen.

2.2

Asko is een Nederlands bedrijf, dat onder meer slijtvaste stalen platen (solid and compound steel liners and wear plates) voor metaalwalsen vervaardigt.

2.3

Noži Ravne en Asko en hebben op 20 november 2000 een zogenaamde Letter of Intent (hierna: de LOI) en vervolgens op 20 juni 2001 een Manufacturing Agreement (hierna: de overeenkomst) gesloten. Artikel 8.4 van de overeenkomst bevat onder meer een rechtskeuze voor Nederlands recht en een arbitrageclausule waarbij wordt verwezen naar de regels van het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: NAI).

2.4

Asko heeft door middel van een Request for Arbitration op 2 december 2013 een arbitrage procedure tegen Noži Ravne aanhangig gemaakt wegens schending van de LOI en de overeenkomst. De plaats van arbitrage was Amsterdam. Door partijen zijn vervolgens de volgende processtukken ingediend: op 9 april 2014 een Statement of Claim and Document Production Request door Asko, op 21 mei 2014 een Statement of Defence door Noži Ravne, op 2 oktober 2015 een Statement of Reply door Asko en op 30 oktober 2015 een Statement of Rejoinder door Noži Ravne. Nadere bewijsstukken (additional exhibits) zijn op 3 december 2015 door Asko en op 11 december 2015 door Noži Ravne ingediend.

2.5

Over het verdere procesverloop is in het op 4 april 2016 door het scheidsgerecht gewezen arbitraal vonnis (hierna: het vonnis) het volgende opgenomen:

2.5

Asko heeft bij e-mail van 5 januari 2015 van haar toenmalige advocaat mr. S. Putter, verzonden om 14:15 uur, aan het NAI en, onder anderen, aan mrs. Van de Klashorst en Muhammad, een pdf-bestand met de naam presentation violations.pdf (hierna: de presentatie) gestuurd met daarbij het volgende bericht:

“Asko seeks to present the attached presentation during the hearing on Friday 8 january 2016. You are kindly requested to make the necessary preparations (i.e. set up a beamer, a screen and a laptop). Thank you in advance for your cooperation.”

Noži Ravne heeft bij e-mail van 5 januari 2015 van mr. F. Bolkenstein, verzonden om 15:33 uur, de arbiters verzocht te bepalen dat de door Asko op 5 januari 2015 ingediende presentatie buiten beschouwing blijft omdat die nieuwe informatie bevat en aangemerkt dient te worden als een nieuw bewijsstuk (“a whole new exhibit”) en Asko met de indiening daarvan in strijd heeft gehandeld met Procedural order no. 12.

Over het verdere verloop van de procedure staat in het vonnis:

2.6

Het scheidsgerecht heeft - voor zover voor de beoordeling van belang - in het vonnis het volgende overwogen en beslist:

2.7

Het vonnis is op 6 april 2016 bij de rechtbank Amsterdam gedeponeerd.

3 Beoordeling

3.1

Noži Ravne vordert, uitvoerbaar bij voorraad, dat het vonnis zoals gedeponeerd ter griffie van de Rechtbank Amsterdam onder nummer 2016/94, met inbegrip van alle daaraan voorafgaande uitspraken van het scheidsgerecht, zo daarin een beslissing zou moeten worden gelezen, wordt vernietigd en voor recht wordt verklaard dat, nadat de in deze zaak gegeven uitspraak onherroepelijk zal zijn geworden, de bevoegdheid van de gewone rechter om te oordelen over het geschil zal herleven, met veroordeling van Asko is de proceskosten.

3.2

Noži Ravne heeft als gronden voor de vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis aangevoerd dat de inhoud van het vonnis en de wijze van totstandkomen in strijd zijn met de openbare orde, dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden en dat het dictum van het vonnis op het punt van de wettelijke rente in strijd is met dwingend recht, dan wel niet met redenen is omkleed.

Asko heeft dit alles weersproken.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen van Noži Ravne afgewezen en Noži Ravne veroordeeld in de proceskosten van Asko. De rechtbank heeft daartoe - verkort weergegeven en voor zover voor de beoordeling van de grieven relevant - het volgende overwogen. Volgens de rechtbank is het in beginsel aan de beoordeling van het scheidsgerecht overgelaten of en in welke mate het partijen is toegestaan bewijs van hun stellingen te leveren. Het is daarbij niet gebonden aan de regels van het Nederlandse procesrecht. De vrijheid van het scheidsgerecht om eigen procedurele regels te stellen, vindt slechts daar haar grens waar die strijd oplevert met de eisen van een goede procesorde of andere fundamentele beginselen van een eerlijk proces. De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op de tegenstijdige weergave van de feiten door Noži Ravne en Asko over hetgeen is voorgevallen tijdens de hearing, en het feit dat uit het vonnis noch uit de pleitnota van Noži Ravne blijkt dat na het tonen van de presentatie Noži Ravne nog steeds bezwaar had tegen de toelating daarvan of het scheidsgerecht om een termijn heeft verzocht om schriftelijk op de presentatie te mogen reageren, Noži Ravne er niet in is geslaagd te bewijzen dat de presentatie schending van een fundamenteel rechtsbeginsel oplevert waardoor het vonnis niet in stand kan blijven. Daarom is het beroep van Noži Ravne op de beginselen van fair play, de gelijkheid van partijen en hoor en wederhoor verworpen. Voor zover Noži Ravne zich op het standpunt heeft gesteld dat het scheidsgerecht de eigen regels heeft geschonden door de presentatie, die in haar ogen een nieuw schriftelijk processtuk was, toe te laten, heeft de rechtbank overwogen dat daarvan geen sprake was omdat de presentatie geen nieuw processtuk was maar slechts een ordening inhield van eerder gepresenteerde feiten en omstandigheden waaraan het verweer dat Noži Ravne in haar rejoiner had gevoerd, was toegevoegd. Het enkele feit dat het scheidsgerecht de toelating van de presentatie in het vonnis zelf niet heeft gemotiveerd, kan volgens de rechtbank niet tot vernietiging leiden omdat het scheidsgerecht de presentatie tijdens de hearing, nadat daarover was gediscussieerd, heeft toegelaten en Noži Ravne daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en evenmin om een nadere motivering van die beslissing heeft verzocht. Het scheidsgerecht is volgens de rechtbank niet buiten zijn opdracht getreden omdat het niet meer of anders heeft toegewezen dan gevorderd. Ten aanzien van de wettelijke handelsrente is de rechtbank van oordeel dat zelfs indien de toewijzing daarvan in strijd zou zijn met dwingend recht, dit niet tot vernietiging van het vonnis leidt omdat het bepaalde in de artikelen 6:119 en 6:119a BW in een zaak als de onderhavige niet een zo fundamenteel karakter heeft dat niet naleving daarvan strijd met de openbare orde oplevert.

3.4

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Noži Ravne met vijf grieven op. Verkort weergegeven komen de grieven op het volgende neer. Grief 1 klaagt erover dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden. Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de presentatie geen nieuwe elementen bevatte en als een pleitnota moet worden gekwalificeerd. Grief 3 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het scheidsgerecht de beslissing om de presentatie te accepteren, niet hoefde te motiveren. Grief 4 betreft de omvang van de opdracht en strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte niet beoordeeld heeft of het arbitrale vonnis in overeenstemming is met de opdracht aan het scheidsgerecht. Met grief 5 tenslotte betoogt Noži Ravne dat de toewijzing door het scheidsgerecht van de wettelijke handelsrente strijdig is met dwingend recht en dat het scheidsgerecht de ingangsdatum van die rente onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.5

In de toelichting op de grieven 1 en 2 betoogt Noži Ravne dat het scheidgerecht in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, dat op die grond de wijze waarop het arbitrale vonnis tot stand is gekomen in strijd is met de openbare orde en dat het arbitrale vonnis op grond van artikel 1065 lid 1 onder e Rv vernietigd dient te worden. Het hof zal beide grieven gezamenlijk behandelen.

3.6

Noži Ravne heeft betoogd dat zij gelet op de aard, de omvang en het tijdstip van ontvangst van de presentatie, onvoldoende gelegenheid heeft gehad tot behoorlijke kennisneming daarvan en deugdelijke voorbereiding van haar verweer daartegen. De kern van haar betoog is dat Asko in de presentatie drie nieuwe elementen had toegevoegd aan een reeds eerder door haar ingediende tabel met gebeurtenissen. Die elementen betreffen twee nieuwe kolommen (Substaniation en Rebuttal of Defences) en het in kleur groeperen van citaten. De kolom Substaniation bevat volgens Noži Ravne voor het eerst de noodzakelijke feitelijke onderbouwing en substantiëring van de door Asko gestelde inbreuken. De kolom Rebuttal of Defences bevat het integrale weerwoord van Asko op het door Noži Ravne in de statement of rejoiner gevoerde verweer en was daarmee volgens Noži Ravne een triptiek, een derde conclusie, en geen pleitnota. Met de kleurgroepering werd voor het eerst duidelijk welke citaten volgens Asko alleen of tezamen genomen ter toelichting dienen van een inbreuk waardoor contractuele boetes zijn verbeurd. Vanwege deze cruciale en omvangrijke inhoud, had Noži Ravne, zoals door haar verzocht, in de gelegenheid gesteld moeten worden om daarop schriftelijk te reageren, temeer omdat de statement of rejoiner reeds op 30 oktober 2015 door Noži Ravne genomen was en Asko haar reactie op het verweer veel eerder in het geding had kunnen brengen dan drie dagen voorafgaand aan de hearing.

3.7

Asko heeft dit alles bestreden. Zij heeft vooropgesteld dat de kern van de door haar bij het scheidsgerecht ingestelde vordering de boetes betrof die door Noži Ravne verschuldigd waren geworden vanwege het feit dat na een bewijsbeslag was gebleken dat twee ex-werknemers, de heren [werknemer 1] en [werknemer 2], een grote hoeveelheid bedrijfsgevoelige informatie aan Noži Ravne hadden doorgespeeld. Ter substantiëring van de vordering heeft zij bij Statement of Claim een Overview of Evidence met als subtitel Minimum penalties incurred under the LOI and Manufacturiung Agreement ingediend waaruit blijkt welke onderdelen van welk bewijs om welke redenen hoeveel keer het verbeuren van boetes opleveren en waarin de totale boete wordt berekend op € 13.950.000,-. Asko heeft gesteld dat Noži Ravne had verzuimd om in haar Statement of Defence gedetailleerd en specifiek op de gestelde overtredingen te reageren en dat zij bij Statement of Reply een geactualiseerd Supplemental Overview I heeft ingediend. Door middel van bijlage R6 heeft Noži Ravne bij Statement of Rejoiner voor het eerst gereageerd op Asko’s overzicht van incidenten. Asko heeft gesteld dat zij ten behoeve van een efficiënte behandeling ter zitting van het scheidsgerecht ervoor heeft gekozen om de inhoud van het Supplemental Overview I (in een eerste kolom) en van Bijlage R6 (in een derde kolom) met een beperkte herschikking in één document samen te voegen en daaraan per boete-incident de inhoud van het betreffende deel van haar pleidooi (in een tweede en vierde kolom) toe te voegen. Volgens Asko is voorafgaand aan de hearing het bezwaar van Noži Ravne tegen de presentatie besproken en heeft het scheidsgerecht die bezwaren verworpen. Vervolgens is overeenkomstig de kolommen 2 en 4 gepleit, heeft Noži Ravne op alles voldoende gereageerd en kunnen reageren en heeft Noži Ravne daarna het scheidsgerecht niet verzocht om een aanhouding van de zaak voor het nemen van een nader conclusie.

3.8

Het hof is, gelet op deze gang van zaken, van oordeel dat van schending van het beginsel van hoor en wederhoor geen sprake is geweest en dat de beslissing van het scheidsgerecht om toe te staan dat Asko’s advocaten tijdens de hearing aan de hand van de presentatie mochten pleiten, daarom geen strijd met de openbare orde oplevert. Ter toelichting dient het volgende. Omdat de kern van de procedure tussen Asko en Noži Ravne betrekking had op overtreding door werknemers van Noži Ravne van de Secrecy and Non-diclosure clausule van de overeenkomst en de daardoor verbeurde boetes, was te voorzien dat de overtredingen die Asko aan haar vordering ten grondslag had gelegd tijdens de hearing besproken zouden gaan worden. De hearing heeft tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten naar voren te brengen en daarmee hun recht op een oral hearing te waarborgen. Dit betekent dat Asko het pleidooi mocht gebruiken om te reageren op specifieke, op de boete-incidenten betrekking hebbende verweren van Noži Ravne zoals zij die voor het eerst in de Statement of Rejoiner had gevoerd. Het stond Asko vrij om ter ondersteuning van haar pleidooi en het efficiënte verloop daarvan, een presentatie te maken waarin, gespecificeerd per boete-incident, het reeds gevoerde debat tussen partijen in de eerste en derde kolom werd weergegeven en tevens dat wat zij ter gelegenheid van het pleidooi daaraan in de tweede en vierde kolom wenste toe te voegen. De goede procesorde verplichtte Asko niet haar presentatie ten behoeve van het pleidooi eerder aan Noži Ravne te sturen dan - zoals zij heeft gedaan - tegelijkertijd met de toezending daarvan aan het scheidsgerecht ter voorbereiding van de technische ondersteuning van de presentatie. Dit alles zou slechts anders zijn geweest in het geval van nieuwe feiten of stellingen waarmee Asko haar vordering op een veel eerder moment in de procedure had kunnen en moeten substantiëren. Dat de kolommen 2 en 4 dergelijke essentiële nieuwe feiten of stellingen bevatten, volgt onvoldoende uit de stellingen van Noži Ravne. Het aantal pagina’s van de presentatie noch het tijdstip waarop Noži Ravne die ontving, leiden tot een ander oordeel. Daar komt bij dat Noži Ravne niet heeft gesteld en evenmin feitelijk heeft onderbouwd welk specifiek verweer zij niet heeft kunnen voeren maar wel gevoerd zou hebben indien het scheidsgerecht haar daarvoor nog de gelegenheid zou hebben gegeven. Dat Noži Ravne tijdens de hearing in voldoende mate in staat is geweest op het pleidooi van Asko zoals dat in de kolommen 2 en 4 van de presentatie tot uitdrukking kwam te reageren, blijkt overigens ook uit de in rov. 2.6 van dit arrest weergegeven alinea 55 van het vonnis van het scheidsgerecht. Dit betekent dat grieven 1 en 2 falen.

3.9

In de toelichting op grief 3 betoogt Noži Ravne dat het scheidsgerecht de beslissing tot toelating van Akso’s presentatie had moeten motiveren en dat het die plicht heeft geschonden omdat in het vonnis de redenen van die beslissing niet zijn opgenomen. Asko heeft naar voren gebracht, ten eerste dat Noži Ravne te laat is met deze klacht en, ten tweede, dat de beslissing tot toelating van de presentatie in internationale arbitrages geldt als een heel gebruikelijke Procedural Order, die geen nadere motivering behoeft.

3.10

Het hof overweegt als volgt. Het scheidsgerecht heeft naar aanleiding van de discussie over de presentatie die aan de hearing voorafging Procedural Order no. 13 (zie rov. 2.5) uitgevaardigd en daarin toegelicht wat de verdere gang van zaken tijdens de hearing zal zijn. Tijdens de hearing is, kennelijk na een nadere toelichting door partijen, beslist de presentatie toe te laten. Dat die procedurele beslissing in het arbitrale vonnis niet meer nader is gemotiveerd, is gelet op de verdere gang van zaken tijdens de hearing niet aan te merken als een zodanig wezenlijk motiveringsgebrek dat kan worden gezegd dat het arbitrale vonnis niet met redenen is omkleed als bedoeld in artikel 1065 Rv.

3.11

Artikel 1064 lid 5 Rv (oud) bevat bovendien het voorgeschrift dat alle gronden tot vernietiging van een arbitraal vonnis op straffe van verval van het recht daartoe, in de dagvaarding moeten worden opgenomen. Een vernietigingsgrond die niet in de inleidende dagvaarding is opgenomen, kan in beginsel later in de procedure niet meer worden aangevoerd. Het beroep op vernietiging wegens toelating van Asko’s presentatie is gegrond op artikel 1065 lid 1 onderdeel d Rv. In nr. 7.4 van de inleidende dagvaarding heeft Noži Ravne zich op die vernietigingsgrond slechts beroepen in verband met de toewijzing door het scheidsgerecht van de wettelijke handelsrente. Zo al de beslissing van het scheidsgerecht tot toelating van Asko’s presentatie voor vernietiging in aanmerking komt, was het recht van Noži Ravne om zich op de vernietigbaarheid daarvan te beroepen vervallen omdat zij de desbetreffende beslissing niet in de inleidende dagvaarding ter vernietiging heeft voorgedragen. Op dit een en ander stuit grief 3 af.

3.12

In de toelichting op grief 4 stelt Noži Ravne dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of het arbitrale vonnis wel in overeenstemming is met de opdracht zoals die uit de arbitrageovereenkomst blijkt. Volgens Noži Ravne heeft het scheidsgerecht zich niet aan de opdracht gehouden omdat het dictum onderdelen bevat die niet beperkt zijn tot liners and wear plates terwijl de reikwijdte van de arbitrageovereenkomst daartoe wel beperkt is omdat de overeenkomst - waarvan het arbitrale beding deel uitmaakt – alleen daarop betrekking heeft en niet ook op industriële messen. Asko heeft het uitgangspunt dat aan grief 4 ten grondslag ligt bestreden en betoogd dat de opdracht aan het scheidsgerecht niet bepaald wordt door de arbitrageovereenkomst maar door de eis van haar als claimant waartegen Noži Ravne in de arbitrageprocedure geen bevoegdheidsincident heeft opgeworpen met een beroep op de - in haar ogen tot liners ans wear plates beperkte - reikwijdte van de arbitrageclausule.

3.13

Het hof overweegt als volgt. De klacht van Noži Ravne betreft de grenzen van de rechtsstrijd van de arbitrageprocedure. Die grenzen worden niet bepaald door de arbitrageovereenkomst, maar door de vorderingen van Asko als eisende partij en de verweren van Noži Ravne. Reeds omdat Noži Ravne niet heeft gesteld dat zij een bevoegdheidsincident heeft opgeworpen of dat het scheidsgerecht meer of anders heeft toegewezen dan gevorderd, faalt haar beroep op artikel 1065 lid 1 onder c Rv. Grief 4 heeft geen succes .

3.14

Ter toelichting op grief 5 heeft Noži Ravne betoogd dat het scheidsgerecht ambtshalve had moeten beoordelen dat de wettelijke handelsrente niet van toepassing was omdat artikel 6:119a BW van dwingend recht is. Om die reden had de rechtbank - zo begrijpt het hof de door Noži Ravne gegeven toelichting - bij de beoordeling van het beroep op artikel 1065 lid 1 onder e Rv niet in het midden mogen laten of de regeling van de wettelijke handelsrente van dwingend recht is. Asko heeft aangevoerd dat het het scheidsgerecht vrij stond om de wettelijke handelsrente toe te wijzen omdat, zoals uit de in rov. 2.6 weergegeven alinea 124 van het vonnis van het scheidsgerecht ook blijkt, tegen de toepasselijkheid van die rente door Noži Ravne geen verweer is gevoerd. Tevens heeft Asko betwist dat het dwingendrechtelijke karakter van artikel 6:119a BW betekent dat de - door Noži Ravne gestelde en door Asko betwiste - onjuiste toepassing daarvan door het scheidsgerecht tot gevolg heeft dat het arbitrale vonnis op dit punt in strijd is met de openbare orde.

3.15

Het hof overweegt als volgt. Van strijd met de openbare orde in de zin van artikel 1065 lid 1 onder e Rv is sprake indien de inhoud van het arbitrale vonnis in strijd is met dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat naleving daarvan niet achterwege mag blijven ook al is op dat punt geen verweer gevoerd. De regeling van artikel 6:119a BW heeft volgens Noži Ravne een dergelijk fundamenteel karakter omdat de ambtshalve beoordeling van de wettelijke rente strekt tot de bescherming van algemene belangen. Dat algemene belang betreft volgens Noži Ravne dat de wettelijke handelsrente niet zonder grond mag worden toegewezen omdat het percentage daarvan significant hoger is dan de wettelijke rente. Deze redenering komt er in de kern op neer dat het verschil in rentepercentage maakt dat de toepassing van artikel 6:119a BW van openbare orde is. Dit is evenwel niet juist en strookt evenmin met de terughoudende toepassing waartoe artikel 1065 lid 1 onder e Rv noopt.

3.16

Noži Ravne betoogt bij grief 5 ook nog dat het arbitrale vonnis geen afdoende motivering bevat ten aanzien van de ingangsdatum van de rente. Zij verwijst daartoe naar hetgeen zij bij haar inleidende dagvaarding heeft aangevoerd. Het hof wijst erop dat de arbiters met betrekking tot die ingangsdatum hebben overwogen ‘Claimant did not specify or substantiate the dates as per which, in its view, each of the penalties became or become due’ en dat een en ander daarom zal worden toegewezen als gevorderd. Het hof ziet niet dat daarmee sprake is van een zodanige gebrekkige motivering dat dit tot vernietiging van het arbitrale vonnis zou moeten leiden. Dat wordt niet anders doordat, wat daarvan verder zij, in de arbitrage is gevorderd de wettelijke handelsrente vanaf de datum dat de boetes ‘became due’ en dat is toegewezen de rente vanaf de datum dat de boetes ‘become due’ en dat partijen kennelijk van mening verschillen over de betekenis daarvan. Grief 5 faalt.

3.17

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Noži Ravne zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Noži Ravne in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Noži Ravne begroot op € 716,- aan verschotten en € 16.503,- voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.M. Steenberghe, A.S. Arnold en D. Kingma en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2019.