Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1549

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
23-001635-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen witwassen. Partiële vrijspraak witwassen. Vrijspraak heling van auto-onderdelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001635-18

Datum uitspraak: 8 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-860131-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 13 juni 2017 te Wormerveer, gemeente Zaanstad en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) van een voorwerp, te weten een hoeveelheid (contant) geld (te weten ongeveer 3.314.129,05 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad, en/of

een hoeveelheid (contant) geld (te weten ongeveer 3.314.129,05 euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die hoeveelheid (contant) geld geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf en/of van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben witgewassen in de uitoefening van zijn/hun beroep of bedrijf;

feit 2:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 13 juni 2017 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een hoeveelheid goederen, te weten een of meer voertuigonderde(e)l(en) en/of voertuig(en), te weten:

(zaaksdossier 1)

- een airbag en/of meer koplamp(en) en/of een bumper (waarvan de stickers waren verwijderd) en/of een motorkap (waaruit het nummer was verwijderd) en/of een kabelboom en/of twee veerpoten, afkomstig uit een (gestolen) voertuig (merk Mercedes-Benz, type C200 met kenteken [kenteken 1]), en/of

(zaaksdossier 2)

- twee veerpoten, afkomstig uit een (gestolen) voertuig (merk BMW, type 118d met kenteken [kenteken 2] ), en/of

(zaaksdossier 3)

- een fronthoek van een carrosserie, afkomstig uit een (gestolen) voertuig (merk Volkswagen, type Golf met kenteken [kenteken 3] ), en/of

(zaaksdossier 4)

- deuren en/of een achterklep en/of een bumper, afkomstig uit een (gestolen) voertuig (merk Volkswagen, type UP met kenteken [kenteken 4] ), en/of

(zaaksdossier 5)

- een radiateur, afkomstig uit een (gestolen) voertuig (merk BMW, type 118i met kenteken [kenteken 5] ), en/of

(zaaksdossier 6)

- een radiateur, afkomstig uit een (gestolen) voertuig (merk BMW, type 118i met kenteken [kenteken 6] ), en/of

(zaaksdossier 7)

- deuren en/of een voorfront en/of een achterklep, afkomstig uit een (gestolen) voertuig (merk Volkswagen, type Polo met kenteken [kenteken 7] ), en/of

(zaaksdossier 8)

- losse interieuronderdelen, afkomstig uit een (gestolen) voertuig (merk Volkswagen, type Golf met kenteken [kenteken 8] ), en/of

(zaaksdossier 9)

- een motorblok en/of een voor- en achterbumper, afkomstig uit een (gestolen) voertuig (merk Volkswagen, type Up met kenteken [kenteken 9] ), en/of

(zaaksdossier 10)

- een portier, afkomstig uit een (gestolen) voertuig (merk Volkswagen, type Golf met kenteken [kenteken 10] ), en/of

(zaaksdossier 11)

- een personenauto (merk Mini, type Cooper met chassisnummer [chassisnummer] ),

heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van voornoemd(e) goed(eren) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen) en/of van opzetheling een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Partiële vrijspraak feit 1

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van) witwassen van het geld dat is aangetroffen, met uitzondering van het geld dat aanwezig was in de “ [naam] ” tas die de verdachte mee naar buiten nam. Uit onderzoek blijkt dat op een knoop van de in de zes autobanden aangetroffen boterhamzakjes een DNA-spoor is aangetroffen die matcht met het DNA van de verdachte. Het hof acht echter van belang dat het gaat om een zogenoemd mengspoor op een verplaatsbaar voorwerp op een locatie waar DNA-sporen van de verdachte kunnen worden verwacht, een garage waar de verdachte werkt. Het hof is op grond van het beschikbare bewijs niet tot de overtuiging gekomen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het aangetroffen geldbedrag in de garage, de criminele herkomst daarvan én dat tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan.

Vrijspraak feit 2

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken, omdat niet is voldaan aan het bewijsminimum. In de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten wordt vermeld dat deskundigen van het Landelijk Instituut Voertuigcriminaliteit (LIV) stellen dat de auto en auto-onderdelen gestolen zijn. Een proces-verbaal van bevindingen dat een deskundige tot een bepaalde conclusie komt kan niet vallen onder artikel 344, tweede lid, sub 2 Sv, nu daarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat het moet gaan om een mededeling van feiten en omstandigheden die door de verbalisant zelf zijn waargenomen of ondervonden. De raadsvrouw heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om de LIV-rapporten toe te voegen aan het dossier, indien het hof de processen-verbaal van bevindingen gebruikt voor het bewijs.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken, omdat hij geen wetenschap heeft gehad dat de onderdelen van diefstal afkomstig zijn.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw zich eveneens op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen nu niet vastgesteld kan worden dat de verdachte ten tijde van het verwerven wetenschap had dat de goederen van diefstal afkomstig waren.

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het (mede) verwerven of het (mede) voorhanden krijgen van de betreffende goederen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig waren.

Nu het subsidiaire verweer tot vrijspraak leidt behoeft het primaire verweer geen nadere bespreking. Evenmin behoeft het voorwaardelijk verzoek tot het toevoegen aan het dossier van de LIV-rapporten bespreking, nu aan de voorwaarde niet is voldaan.

Bewijsmiddelen

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op de feiten en de omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze hierna zijn weergegeven.

Ten aanzien van feit 1

1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2019.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

U vraagt mij naar het geldbedrag in de [naam] tas. [medeverdachte 1] vroeg of ik de tas kon meenemen. [medeverdachte 1] zei tegen mij dat het in de koelbox lag. Ik had zomaar geld gepakt, ik had geen tijd om het te tellen, ik wist niet hoeveel ik had gepakt. Ik kon niet alles meenemen en heb ook geld achtergelaten.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 744).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op 13 juni 2017 werd een vijftal personen in het pand aan de [adres 2] te Wormerveer aangetroffen. Dit betrof onder meer [verdachte] . [verdachte] kreeg de gelegenheid om zich van zijn werkkleding te ontdoen en in zijn vrijetijdskleding het pand te verlaten. Nadat [verdachte] de kleedruimte verliet zagen wij dat hij een rode plastic tas met het opschrift ‘ [naam] ’ in zijn hand droeg. Wij zagen dat in de tas werkkleding zat. Tevens zagen wij door de vorm die het plastic aannam dat er hoekige objecten in de tas aanwezig waren. Wij verbalisanten constateerden dat er een grote hoeveelheid contant geld in de tas aanwezig was.

3. Een proces-verbaal van bevindingen geldtellen van 6 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (pagina’s 369-373).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op dinsdag 13 juni 2017 werden bij de zoeking in het bedrijfspand [adres 2] Wormerveer, alwaar gevestigd [bedrijf] , verschillende geldbedragen in beslag genomen.

Plastic [naam] tas [verdachte] :

OG-01 Plastic [naam] tas € 110.000

Bewijsoverweging

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat een grote hoeveelheid geld werd bewaard op een ongebruikelijke plek. Aan de verdachte is door een medeverdachte, tijdens een inval van de politie, gevraagd om geld mee te nemen. De verdachte heeft een deel van dit geld in een tas gedaan en heeft deze tas meegenomen.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, heeft de verdachte het geld voorhanden gehad. De verdachte had een zodanige feitelijke zeggenschap over het geld dat hij het geld ‘voorhanden heeft gehad’ in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Een verklaring over een legale herkomst van het geld is achterwege gebleven. Het hof stelt dan ook vast dat het niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. Ook is het hof van oordeel dat de verdachte onder deze omstandigheden willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld betrof dat door misdrijf was verkregen, zodat opzet bewezen is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij in de periode van 1 juni 2016 tot en met 13 juni 2017 te Wormerveer, tezamen en in vereniging met een ander, een hoeveelheid contant geld, te weten 110.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat die hoeveelheid contant geld geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt van een of meer feiten, geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in eerste aanleg boven de eis is gestraft, zijn gezin het meest heeft geleden door deze zaak en de verdachte inmiddels in het kader van zijn fasering overdag mag werken waardoor hij zijn familie financieel helpt. Voorts is een aanvullende taakstraf niet meer nodig, omdat hij al lang in voorarrest heeft gezeten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tezamen met een ander schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 110.000,00. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie en de fiscus te onttrekken wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De verdachte heeft hier met zijn handelen aan bijgedragen.

Voor fraudedelicten met een benadelingsbedrag van € 70.000,00 tot € 125.000,00 wordt op grond van de zogenoemde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een gevangenisstraf voor de duur van 5 tot 9 maanden of een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf gehanteerd als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het hof neemt daarbij als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking dat de verdachte, terwijl de politie aanwezig was, heeft geprobeerd om een groot geldbedrag aan het zicht van justitie te onttrekken.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P. den Otter, mr. A.P.M. van Rijn en mr. J.H.C. van Ginhoven, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 maart 2019.