Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1542

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
23-000292-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan. Inzamelen oud ijzer. Verweer dat niet-beroepsmatig is ingezameld, wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2019/104 met annotatie van Meulen, T. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000292-18

datum uitspraak: 18 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-994074-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1997,

ter terechtzitting opgegeven adres: [adres 1].

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het openbaar ministerie, door de verdachte te vervolgen wegens een misdrijf op grond van de Wet Economische Delicten in samenhang met de Wet Milieubeheer, een disproportioneel zwaar middel gebruikt om normen van de gemeente Amsterdam die beogen verontreiniging van de omgeving en geluidsoverlast tegen te gaan, te handhaven. Aldus heeft het openbaar ministerie zich schuldig gemaakt aan een schending van de beginselen van een goede procesorde en in het bijzonder het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie (hierna: OM) de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

Dat sprake is van – gelet op hetgeen is vooropgesteld - aperte onevenredigheid van de vervolgings-beslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, valt uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet af te leiden. Het hof verwerpt het verweer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juli 2018 en 4 februari 2019.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 december 2017, althans in of omstreeks de maand december 2017, te Amstelveen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, (onder meer) één (metalen) kast en/of een flinke hoeveelheid (metalen) strips en/of een aantal (aluminium) buizen en/of één koelkast, in ieder geval bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen heeft ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 21 december 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een (metalen) kast, een hoeveelheid metalen strips, en een aantal aluminium buizen, in ieder geval bedrijfsafvalstoffen heeft ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging gesteld dat indien het hof bewezen acht dat de verdachte zonder vermelding op een lijst van inzamelaars bedrijfsafvalstoffen dan wel gevaarlijke afvalstoffen heeft ingezameld, dit niet bedrijfsmatig (het hof begrijpt: beroepsmatig) is gebeurd, waardoor krachtens artikel 8 van het Besluit inzamelen afvalstoffen het verbod uit artikel 10.45 van de Wet Milieubeheer niet op de onderhavige situatie van toepassing is.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt. Het door de verdediging aangehaalde artikel uit het Besluit inzamelen afvalstoffen luidt als volgt:

‘Het verbod, bedoeld in artikel 10.45, eerste lid, van de Wet milieubeheer, om zonder vermelding op een lijst van inzamelaars bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen, geldt niet voor het niet-beroepsmatig inzamelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.’

In de Nota van Toelichting bij het besluit wordt het volgende opgemerkt:

‘Bij beroepsmatig inzamelen kan worden gedacht aan inzamelaars waarvoor het inzamelen van afvalstoffen een essentieel onderdeel van hun bedrijfsvoering is, zoals dat het geval is bij inzamelaars waarbij het inzamelen de hoofdactiviteit is en bij afvalverwerkende bedrijven die hoofdzakelijk afvalstoffen als grondstof gebruiken en deze daarom zelf ophalen bij degenen die zich van die afvalstoffen ontdoen. Bij niet-beroepsmatig inzamelen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een loonwerkbedrijf dat bermen maait en het gemaaide gras afvoert of een hovenier die de afvalstoffen die zijn ontstaan bij het onderhouden van tuinen of plantsoenen met zich meeneemt. In deze gevallen is strikt genomen wel sprake van het inzamelen van bedrijfs-afvalstoffen. Deze activiteiten worden echter niet beroepsmatig verricht, doch slechts als serviceverlening bij een geheel andere activiteit die op zich niets met het inzamelen van afvalstoffen heeft te maken.’

In de onderhavige zaak is de verdachte op 21 december 2017 gecontroleerd terwijl hij met [medeverdachte] in een busje reed waarin in de laadruimte oud ijzer werd aangetroffen. Bij controle van de gegevens van deze [medeverdachte] in de beschikbare politieregistratiesystemen werd geconstateerd dat deze verschillende malen was geregistreerd met betrekking tot het inzamelen en transporteren van afval en oud ijzer en dat enkele van die registraties van recente datum waren. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 23 december 2017 reden de verdachte en [medeverdachte] diverse hofjes in en uit aan de doorgaande weg, [weg], te Amstelveen. De verbalisant [verbalisant] heeft daarbij opgemerkt dat het hem een onlogische route leek, zeker gelet op de verklaring van [medeverdachte] dat de verdachte hem ([medeverdachte]) een lift naar huis gaf, terwijl het busje juist uit de richting van de woning van [medeverdachte] in Amsterdam West reed. Het door de verdachte met een bestelbusje in en uit rijden van hofjes aan een doorgaande weg op een moment dat daar grof huisvuil ter inzameling door de gemeente werd aangeboden waarbij in het busje oud ijzer wordt aangetroffen, past naar de uiterlijke verschijningsvorm bij het onbevoegd inzamelen van afvalstoffen.

Uit het proces-verbaal van 21 december 2017 komt verder naar voren dat de verdachte is gestopt ter hoogte van [adres 2] en dat hij mondeling contact maakte met een man die bij dat perceel stond. Die laatste vertelde de verdachte dat hij de koelkast die voor [adres 3] stond, mocht meenemen. De verdachte heeft dienaangaande verklaard dat hij de koelkast via iemand die hij kende naar Afrika wilde laten transporteren, hetgeen duidt op een beroepsmatige activiteit. Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dit te hebben gezegd en vervolgens verklaard dat de koelkast was bedoeld voor eigen gebruik, maar die laatste verklaring acht het hof, gelet op de omstandigheden van het geval, ongeloofwaardig. De vrijstelling uit artikel 8 van het Besluit inzamelen afvalstoffen is daarom niet op de verdachte van toepassing. Het hof verwerpt het verweer.

Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 1.000, subsidiair 20 dagen hechtenis indien deze geldboete niet wordt voldaan, en heeft de Ford Transit met kenteken [kenteken] verbeurd verklaard.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft – zonder vermelding op de lijst voor inzamelaars – bedrijfsafvalstoffen in de zin van de artikelen 10.36 en 10.45 Wet Milieubeheer ingezameld. Deze lijst wordt in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat beheerd door de NIWO (Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie) en heeft als doel de kwaliteit en betrouwbaarheid van bedrijven die zich met de handel in of transport van dergelijke stoffen bezighouden, te garanderen. Het handelen van de verdachte doorkruist dit doel en draagt bovendien bij aan de overlast die wordt veroorzaakt als gevolg van het (door)zoeken van grof vuil door personen die daartoe niet gerechtigd zijn, zoals het ontstaan van verkeersopstoppingen en de verspreiding van afvalstoffen op de openbare weg. Dit neemt het hof de verdachte kwalijk. In beginsel is een geldboete zoals door de economische politierechter opgelegd, een passende reactie. De verdachte heeft evenwel een gebrekkige draagkracht: hij heeft geen legaal inkomen en is in financieel opzicht volledig van zijn ouders afhankelijk. Daarom zal het hof – mede gelet op het feit dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep een adres in Nederland heeft opgegeven waar de verdachte te bereiken is – een taakstraf van na te melden duur opleggen.

Ten aanzien van het beslag overweegt het hof als volgt. Allereerst heeft het hof geen aanleiding eraan te twijfelen dat de bestelbus met kenteken [kenteken] toebehoort aan de moeder van de verdachte. Een goed dat niet aan de verdachte toebehoort kan alleen verbeurd worden verklaard indien – kort gezegd – degene aan wie het toebehoort ten minste redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat hiermee het strafbare feit werd gepleegd. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [naam] ofwel wist dat met haar bus oud ijzer werd opgehaald, ofwel dat zij dit redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Aldus is niet voldaan aan de eisen die artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht voor verbeurdverklaring van voorwerpen stelt, waardoor die bijkomende straf niet kan worden opgelegd. Het hof komt tot de conclusie dat de bestelbus dient te worden geretourneerd aan de rechthebbende.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.45 van de Wet milieubeheer.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Gelast de teruggave aan [naam] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1.00 STK Personenauto [kenteken] FORD TRANSIT Ford Transit kenteken [kenteken] goednr 4536848.

Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 februari 2019.

mr. R.P. den Otter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]