Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1541

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
23-002403-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10.23, eerste lid, van de Wet Milieubeheer. Afvalstoffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002403-18

datum uitspraak: 18 februari 2019

VERSTEK

Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 96-024922-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1976,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2019.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 12 maart 2017 te Amsterdam, op/aan het Javaplantsoen, zijnde een locatie gelegen buiten een daarvoor door het college van burgemeester en wethouders bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer, (een) afvalstof(fen), stof(en) en/of voorwerp(en), te weten een vuilniszak met slachtafval op of in de bodem heeft gebracht, gestort, gehouden, achtergelaten of anderszins geplaatst, op een wijze die aanleiding kon geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar een grote vuilniszak leeggegooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 maart 2017 te Amsterdam, op het Javaplantsoen, zijnde een locatie gelegen buiten een daarvoor door het college van burgemeester en wethouders bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer, een afvalstof, te weten slachtafval, op de bodem heeft gebracht en gestort, op een wijze die aanleiding kon geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu, immers heeft hij toen aldaar een grote vuilniszak leeggegooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10.23, eerste lid, van de Wet Milieubeheer.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250 subsidiair 5 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200 subsidiair 4 dagen hechtenis indien deze geldboete niet wordt voldaan, waarvan € 100 subsidiair 2 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich ontdaan van slachtafval op een plek die zich daarvoor niet leent, te weten op de grond in de publieke ruimte. Aldus heeft de verdachte de omgeving vervuild. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 januari 2019 is hij eerder ter zake van dit soort milieuvervuilende of -belastende feiten onherroepelijk veroordeeld. Uit de regelmaat waarmee de verdachte blijkens voornoemd uittreksel dergelijk feiten lijkt te plegen, leidt het hof af dat hij geen inzicht heeft in de schadelijkheid van zijn handelen. Dit neemt het hof de verdachte kwalijk.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Het hof zal een gedeelte van de geldboete voorwaardelijk opleggen, enerzijds als stok achter de deur en anderzijds om tegemoet te komen aan de beperkte financiële draagkracht van de verdachte, zoals die door de verdachte in het grievenformulier van 4 juli 2018 is gesteld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 10.23 van de Wet milieubeheer en de artikelen 16 en 22 van de Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 20 maart 2017 onder CJIB-nummer 1132542002886949.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 100,00 (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 februari 2019.

mr. R.P. den Otter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]