Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1512

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-04-2019
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
200.227.048/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De overgangsregeling, op grond waarvan de pensioenleeftijd van piloten van KLM stapsgewijs wordt verhoogd van 56 jaar naar 58 jaar, levert geen verboden leeftijdsonderscheid op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.227.048/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 5073062 CV EXPL 16-15450

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 april 2019

inzake

1 [X] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [appellant sub 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [appellant sub 3] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

4. [appellant sub 4] ,

wonende te [woonplaats 4] , gemeente [gemeente] ,

5. [appellant sub 5] ,

wonende te [woonplaats 5] ,

6. [appellant sub 6] ,

wonende te [woonplaats 6] ,

appellanten,

advocaat: mr. M. Heemskerk te Amsterdam,

tegen

1 KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

advocaat: mr. J.M. van Slooten te Amsterdam,

2. VERENIGING VAN NEDERLANDSE VERKEERSVLIEGERS,

gevestigd te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,

geïntimeerden,

advocaat: mr. E.H.A. Schram te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten gezamenlijk worden [X] c.s. genoemd; geïntimeerden KLM respectievelijk VNV.

[X] c.s. is bij dagvaarding van 21 september 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 27 juni 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [X] c.s. als eisers en KLM gedaagde met VNV als tussenkomende partij.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens inhoudende vermeerdering van eis, met producties;

- akte houdende bezwaar tegen de vermeerdering van eis zijdens VNV;

- akte houdende bezwaar tegen de vermeerdering van eis zijdens KLM;

- antwoordakte vermeerdering van eis;

waarna in een rolbeslissing, gehoord de thans arrest wijzende combinatie, het bezwaar tegen de eiswijziging is afgewezen.

Partijen hebben vervolgens nog ingediend:

- memorie van antwoord zijdens VNV;

- memorie van antwoord met producties zijdens KLM.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 19 november 2018 doen bepleiten aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd, [X] c.s. door mr. Heemskerk voornoemd, KLM door mr. Van Slooten voornoemd en door mr. J.S. Hidajat-Engelsman, advocaat te Amsterdam en VNV door mr. Schram voornoemd en door mr. E.M.T. Huijzer, advocaat te Amsterdam. [X] c.s. heeft nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] c.s. heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad -

i. voor recht zal verklaren dat het door KLM en VNV overeengekomen pensioenontslagbeding van [X] c.s. in strijd is met het verbod van leeftijdsdiscriminatie, zoals uitgewerkt in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (verder: Wgbl);

ii. voor recht zal verklaren dat het door KLM gegeven of te geven pensioenontslag aan [X] c.s. nietig is of zal zijn;

iii. voor recht zal verklaren dat de arbeidsovereenkomsten van appellanten bij KLM blijven voortduren tot 65 jaar, althans tot rechtsgeldige pensioenontslagleeftijd, althans de laatst mogelijke leeftijd waarop de vliegers geboren op of na 1 juli 1962 pensioenontslag krijgen;

iv. KLM zal gebieden hen toe te laten tot hun werkzaamheden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag waarop KLM na betekening van het arrest geheel of gedeeltelijk daarmee in gebreke;

v. KLM zal veroordelen aan [X] c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

- het volledige loon per maand, inclusief vakantietoeslag en alle overige emolumenten in de breedste zin van het woord, vanaf de pensioenontslagdata van [X] c.s. tot aan de rechtsgeldige pensioenontslagdata;

- een bedrag ter grootte van het financiële pensioen- en fiscaal nadeel dat [X] c.s. lijdt doordat zij geen pensioen meer opbouwen, vast te stellen door een onafhankelijke actuaris, binnen vier weken dan wel een in goede justitie te bepalen langere termijn, na dagtekening van het arrest, op straffe van een dwangsom van €1000,- voor elke dag of deel daarvan dat KLM het arrest niet nakomt.

- de wettelijke verhoging wegens vertraging over het achterstallig loon en/of het achterstallig pensioen op grond van artikel 7:625 BW;

- de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de som van de hierboven onder v. vermelde bedragen, vanaf de respectievelijke verzuimdata tot aan de dag der algehele voldoening;

- de buitengerechtelijke kosten vermeerderd met rente;

- de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

KLM heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [X] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep.

VNV heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [X] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [X] c.s. voert in grief I aan dat de kantonrechter heeft beslist op onvolledige en onjuiste feiten, maar uit de toelichting op deze grief blijkt dat de grief geen betrekking heeft op de onder 1.1 tot en met 1.18 vastgestelde feiten maar op hetgeen de kantonrechter heeft overwogen in de overwegingen 11 en 13 (over studieschuld, doorstroming, conjunctuur, flankerende maatregelen en loonoffer). Die overwegingen betreffen de inhoudelijke beoordeling van de zaak. De door [X] c.s. daartegen in de toelichting op grief I ingebrachte bezwaren zullen bij de bespreking van de grieven aan de orde komen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

KLM is een luchtvaartmaatschappij met ruim 2.845 vliegers in dienst.

2.2

VNV is als enige werknemersvereniging partij aan werknemerszijde bij de

collectieve arbeidsovereenkomst voor KLM-vliegers op vleugelvliegtuigen

(hierna: de cao).

2.3

Appellant sub 1 (hierna: [X] ), geboren [in] 1959, is op 22 januari 1990 bij

KLM in dienst getreden en was voor KLM laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type B747.

2.4

Appellant sub 2 (hierna: [appellant sub 2] ), geboren [in] 1959, is op 16 februari

1989 bij KLM in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van

gezagvoerder type B777.

2.5

Appellant sub 3 (hierna: [appellant sub 3] ), geboren [in] 1958, is op 9 juli 1992 bij KLM in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type A330.

2.6

Appellant sub 4 (hierna: [appellant sub 4] ), geboren [in] 1959, is op 9 februari 1990 bij KLM in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type B777.

2.7

Appellant sub 5 (hierna: [appellant sub 5] ), geboren [in] 1960, is op 9 juli 1992 bij KLM in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van gezagvoerder type B777.

2.8

Appellant sub 6 (hierna: [appellant sub 6] ), geboren [in] 1959, is op 5 februari 1991

bij KLM in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van

gezagvoerder type A330.

2.9

De arbeidsovereenkomsten van [X] c.s. bevatten een incorporatiebeding op

grond waarvan de cao op de arbeidsovereenkomst van toepassing is.

2.10

De cao geldend tot 1 januari 2015 kent de volgende bepalingen, voor zover

hier van belang:

Artikel 5.4 - Einde arbeidsovereenkomst

Behalve op de in de wet geregelde of uit de wet voortvloeiende wijzen van

beëindiging neemt de arbeidsovereenkomst in ieder geval een einde zonder dat

daartoe opzegging is vereist:

(1) Met ingang van de 56e verjaardag van de vlieger respectievelijk de leeftijd

van de vlieger voortvloeiend uit art. 5.8 (2)b;

Artikel 5.8 — Verminderde productie en deeltijdpensioen

(...)

(2) Op de ingangsdatum van de verminderde productie, zoals bedoeld in punt

2a, wordt de 56-jarige pensioenleeftijd van de vlieger verhoogd met het

aantal dagen vanaf deze datum tot de 56e verjaardag, vermenigvuldigd met

een factor 0,25 (80% productie), 0,5 (66 2/3% productie), 0,54 (65%

productie) dan wel 1 (productiefactor 50%,) en vervolgens algebraïsch

afgerond op hele dagen. De pensioendatum wordt gecorrigeerd afhankelijk

van de periodes en de bijbehorende tewerkstellingspercentages onder deze

regeling voor de leeftijd van 56. Bij deze berekening wordt een jaar gesteld

op 360 dagen en een maand op 30 dagen. De verhoogde pensioendatum

bedraagt in alle gevallen uiterlijk de dag waarop de 60-jonge leeftijd wordt

bereikt.

2.11

Omdat [X] c.s. allen in deeltijd werkten en gebruik maakten van de regeling verminderde productie gold voor hen de volgende data van verplichte

pensionering:

• [X] : 22 maart 2017

• [appellant sub 2] : 10 juli 2017

• [appellant sub 3] : 4 april 2017

• [appellant sub 4] : 7 oktober 2018

• [appellant sub 5] : 24 juni 2018

• [appellant sub 6] : 26 mei 2017

2.12

Eind oktober/begin november 2015 hebben KLM en VNV een nieuwe cao getekend en aangemeld bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De nieuwe cao is op 1 januari 2015 in werking getreden en daarin is onder meer geregeld dat de pensioenontslagleeftijd stapsgewijs wordt verhoogd van 56 naar 58 jaar. Dit is geregeld in de overgangsregeling (hierna: de Overgangsregeling). Deze luidt als volgt, voor zover hier van belang:

“ De pensioenleeftijd zal vanaf 1 juli 2016 in 4 stappen van 6 maanden worden opgehoogd tot een pensioenleeftijd van 58 jaar. De mate van individuele verhoging is afhankelijk van de geboortedatum van de vlieger. De ophoging is onafhankelijk van het al dan niet deeltijd vliegen of gevlogen hebben conform art. 5.8 (verminderde) productie van de cao.

  • -

    Voor vliegers geboren voor 1 juli 1960 verandert de pensioenleeftijd niet. Voor deze groep blijft een pensioenrichtleeftijd van 56 jaar gelden.

  • -

    Voor vliegers geboren op of na 1 juli 1960 en voor 1 januari 1961 wordt de pensioenleeftijd verhoogd met 6 maanden. Voor deze groep vliegers geldt een pensioenrichtleeftijd van 56,5 jaar.

  • -

    Voor vliegers geboren op of na 1 januari 1961 en voor 1 juli 1961 wordt de pensioenleeftijd verhoogd met 6 maanden. Voor deze groep vliegers geldt een pensioenrichtleeftijd van 57 jaar.

  • -

    Voor vliegers geboren op of na 1 juli 1961 en voor 1 januari 1962 wordt de pensioenleeftijd verhoogd met 6 maanden. Voor deze groep vliegers geldt een pensioenrichtleeftijd van 57,5 jaar.

  • -

    Voor vliegers geboren op of na 1 januari 1962 wordt de pensioenleeftijd verhoogd met 6 maanden. Voor deze groep vliegers geldt een pensioenrichtleeftijd van 58 jaar.”

2.13

In de cao is ook een bijdrage van de werknemers overeengekomen teneinde

KLM in staat te stellen de komende jaren een kostenbesparing te realiseren. Sinds 2016 leveren de vliegers hun pensioenpremietoelage in. In de Overgangsregeling is geregeld dat de stijging van de pensioenleeftijd gelijke tred houdt met het inleveren van pensioenpremietoelage. Een vlieger die bijvoorbeeld op grond van de Overgangsregeling 6 maanden langer doorvliegt levert 6 maanden pensioenpremietoelage in.

2.14

Op grond van de Overgangsregeling is de datum van het verplichte pensioenontslag voor appellanten ongewijzigd gebleven, zij zijn immers alle geboren voor 1 juli 1960, en wel op de data zoals in 2.11 aangegeven. Appellanten hebben niet langer doorgevlogen en mitsdien geen pensioenpremietoelage hoeven in te leveren.

2.15

Bij brief van 30 december 2015 heeft de gemachtigde van [X] c.s. zich op het standpunt gesteld dat de nieuw gekozen pensioenregeling gebaseerd op geboortedata nietig is omdat op grond daarvan piloten geheel dan wel gedeeltelijk van de doorvliegregeling worden uitgesloten en benadeeld worden ten opzichte van collega vliegers en dat er geen objectieve rechtvaardiging voor dat onderscheid bestaat.

2.16

Bij brief van 20 januari 2016 heeft KLM daarop gereageerd, stellende dat - kort

gezegd - de Hoge Raad tot tweemaal toe heeft geoordeeld dat het leeftijdsontslag met 56 jaar niet in strijd met de Wgbl is omdat daar legitieme doelen voor bestaan.

3 Beoordeling

3.1

[X] c.s. heeft in eerste aanleg, kort samengevat, gevorderd (i) een verklaring voor recht dat het in de Overgangsregeling gehanteerde leeftijdonderscheid niet objectief gerechtvaardigd is, daarmee in strijd is met de Wgbl en daarom nietig is, alsmede (ii) een verklaring voor recht dat het KLM niet zal worden toegestaan om de vliegers in strijd met het ontslagrecht en de cao met vervroegd pensioen te sturen althans dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op basis van de pensioenleeftijd van 56 jaar nietig is, (iii) een verklaring voor recht dat [X] c.s. hun pensioendatum ook op 58 jaar mag baseren; (iv) KLM te gebieden [X] c.s. ook na het bereiken van de leeftijd van 56 jaar tot het werk toe te laten , tot het bereiken van de leeftijd van 58 jaar, (v) KLM te veroordelen tot betaling van het salaris – vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente - vanaf het bereiken van de leeftijd van 56 jaar totdat de arbeidsovereenkomsten van rechtswege zijn geëindigd, en (vi) KLM te veroordelen in de proceskosten. Deze vorderingen zijn gebaseerd op de door [X] c.s. ingeroepen nietigheid van de Overgangsregeling vanwege een verboden leeftijdsonderscheid en dat het pensioenontslag van [X] c.s. op 58-jarige leeftijd dient plaats te vinden.

3.2

KLM en VNV hebben zich tegen de vorderingen verweerd en daartoe aangevoerd dat het in de Overgangsregeling gehanteerde leeftijdonderscheid objectief gerechtvaardigd is, daarom niet in strijd met de Wgbl en dus geldig is.

3.3

De kantonrechter heeft de vorderingen van [X] c.s. afgewezen, en daartoe kort samengevat het volgende overwogen. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 8 oktober 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AP0424) en 13 juli 2012 (ECLI:NL:HR:2012BW3367) geoordeeld dat het pensioenontslag voor vliegers bij het bereiken van de leeftijd van 56 jaar objectief gerechtvaardigd is. De doelen die KLM en VNV aanvoeren voor de Overgangsregeling, zijn dezelfde als die door de Hoge Raad legitiem werden geacht. De kantonrechter achtte ook relevant dat het College voor de Rechten van de Mens (hierna: CRM) heeft geoordeeld dat het door KLM gemaakte leeftijdonderscheid in de Overgangsregeling objectief gerechtvaardigd is. De kantonrechter is ook dat oordeel toegedaan. Het belangrijkste doel voor KLM en VNV met de stapsgewijze verhoging van de pensioenleeftijd is een gezond doorstroombeleid met een spreiding van de stagnatie onder jongere vliegers. Dat doel is legitiem, en de Overgangsregeling is passend en noodzakelijk om dat doel te bereiken. De Overgangsregeling is proportioneel en KLM en VNV hebben de belangen van de verschillende leeftijdscategorieën zorgvuldig afgewogen en daarbij flankerende maatregelen genomen om de pijn voor de verschillende categorieën vliegers zoveel mogelijk te verzachten als gevolg waarvan [X] c.s. niet de onder 2.13 genoemde bijdrage hebben hoeven te leveren. Een facultatieve verhoging van de pensioenleeftijd, zoals door [X] c.s. was voorgesteld, zou tot te veel stagnatie hebben geleid omdat naar verwachting alle vliegers dan voor doorvliegen zouden hebben gekozen. Gelet op de zeer hoge organisatiegraad heeft de besluitvorming - de Overgangsregeling maakt deel uit van collectieve onderhandelingen - ook voldoende zorgvuldig plaatsgevonden. De door [X] c.s. genoemde alternatieven bieden onvoldoende soelaas voor de problematiek. Het betoog van [X] c.s., dat de Overgangsregeling een verkapte reorganisatie vormt, wordt verworpen, aldus nog steeds de kantonrechter.

3.4

Tegen dit vonnis keert [X] c.s. zich, en voert daartoe vijf grieven aan. Tevens vermeerdert [X] c.s. zijn eis. De eis in hoger beroep komt erop neer te verklaren voor recht dat het tussen KLM en VNV overeengekomen pensioenontslagbeding verboden leeftijdsdiscriminatie betreft en het door KLM gegeven of te geven pensioenontslag nietig is, en dat de arbeidsovereenkomst met [X] c.s. dient voort te duren tot 65 jaar, althans tot een rechtsgeldige pensioenleeftijd, althans de laatst mogelijke leeftijd waarop de vliegers geboren op of na 1 juli 1962 pensioenontslag krijgen. Voorts wordt gevorderd KLM te gebieden [X] c.s., voor zover met hen aldus nog een arbeidsovereenkomst bestaat, hen tot het werk toe te laten, op straffe van een dwangsom, en het daarbij behorende loon te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Bij grief I wijzen [X] c.s. op een aantal volgens hen onjuiste feitelijkheden in de door de kantonrechter geformuleerde overwegingen. Met zijn tweede grief betoogt [X] c.s. dat KLM en VNV voor het leeftijdsonderscheid geen legitiem doel hebben, met de derde grief dat het leeftijdsonderscheid niet passend is, met de vierde grief dat het onderscheid niet noodzakelijk is en met de laatste grief dat het leeftijdsonderscheid niet proportioneel wordt toegepast. De grieven I tot en met V lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.5

[X] c.s. vordert in hoger beroep, met zijn vermeerderde eis, samengevat, te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomsten blijven voortduren tot de leeftijd van 65 jaar, omdat een eerdere gedwongen pensioenontslag een verboden vorm van leeftijdonderscheid betekent. Die vordering wijkt substantieel af van de vordering in eerste aanleg die uitging van de geldigheid van pensioenontslag op 58 jarige leeftijd en die uitsluitend de geldigheid van het leeftijdsonderscheid in de Overgangsregeling aanvocht. De door KLM en VNV aangevoerde redenen voor de gedwongen pensionering bij, thans 58 jaar, voor degenen geboren na 1 juli 1962, en voor het leeftijdsonderscheid in de Overgangsregeling, hebben betrekking op het doorstromingsbeleid, een evenwichtige personeelsopbouw en daarbij kostenbeheersing.

3.6

De Hoge Raad heeft zowel op 8 oktober 2004, als op 13 juli 2012, in tegen KLM en VNV aanhangig gemaakte procedures, geoordeeld dat voor de toenmalige gedwongen pensioenleeftijd voor vliegers van 56 jaar, objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig waren. Ook toen legden KLM en VNV aan de pensionering, die een leeftijdsonderscheid vormde, het doorstromingsbeleid en een evenwichtige personeelsopbouw ten grondslag, welke rechtvaardigingsgronden door de Hoge Raad valide werden geacht.

3.7

[X] c.s. betoogt niet dat en waarom genoemde arresten van de Hoge Raad onjuist zijn. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van die arresten.

3.8

Ten opzichte van de situatie waarover de Hoge Raad in voornoemde arresten heeft beslist doet zich in ieder geval een belangrijk verschil voor, en dat is dat KLM en VNV de door de Hoge Raad gesanctioneerde pensioenleeftijd van 56 jaar op grond van de Overgangsregeling stapsgewijs hebben verhoogd naar 58 jaar. De vliegers geboren na 1 januari 1962 krijgen een pensioenleeftijd van 58 jaar; voor degenen geboren tussen 1 juli 1960 en 1 januari 1962 wordt de pensioenleeftijd van 56 jaar stapsgewijs verhoogd naar 58 jaar. [X] c.s. beroept zich voorts op twee feitelijke verschillen met de eerder beoordeelde situatie, te weten: (i) een thans bestaand tekort aan piloten en (ii) een ander systeem van opleidingskosten. Het hof zal eerst beoordelen of laatstgenoemde twee feitelijke verschillen een ander oordeel rechtvaardigen.

3.8.1

KLM en VNV hebben weersproken dat er thans een tekort aan piloten bestaat. Het is volgens hen juist dat de eigen opleidingsschool van KLM onvoldoende capaciteit heeft om in de noodzakelijke aanwas van nieuwe piloten te voorzien, maar op zich zijn er voldoende nieuwe piloten te vinden, aldus KLM en VNV: voor elke vacature zijn honderden sollicitanten. [X] c.s. hebben dit onvoldoende gemotiveerd bestreden, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Op dit punt verschilt de huidige situatie daarom niet wezenlijk van die waarover de Hoge Raad in 2012 arrest gewezen heeft.

3.8.2

[X] c.s. heeft aangevoerd dat de hoge opleidingskosten voor jonge piloten geen argument meer vormen voor het door KLM en VNV verdedigde doorstromingsbeleid. [X] c.s. voert aan dat studenten thans geen financieel risico meer lopen indien hen geen baan in een KLM-cockpit aangeboden wordt, terwijl de oudere piloten zoals [X] c.s. dat risico wel hebben gelopen. KLM en VNV hebben daar tegenover gesteld dat aanstaande vliegers een studieschuld hebben van maximaal € 85.000,-, terwijl alle appellanten geen studieschuld hadden bij indiensttreding omdat zij hun opleiding bij de luchtmacht hebben genoten. [X] c.s. heeft dat niet weersproken. Wat hier ook van zij, voldoende is komen vast te staan dat jonge piloten in het algemeen hoge opleidingskosten moeten maken die in de loop van hun werkende bestaan moeten worden afgelost. De noodzaak tot aflossing vormt onverminderd een aspect om rekening mee te houden daar waar het gaat om een evenwichtige personeelsopbouw. Op dit punt verschilt de huidige situatie daarom niet wezenlijk van die waarover de Hoge Raad in 2012 geoordeeld heeft.

3.8.3

Het hof is van oordeel dat de gewijzigde arbeidsmarkt, evenmin als een wijziging in de financiering van de opleiding van vliegers, ieder afzonderlijk noch in onderling verband, een zodanige wijziging oplevert ten opzichte van de situatie zoals door de Hoge Raad in 2012 beoordeeld, dat thans tot een ander oordeel moet worden gekomen.

3.9

De vraag resteert daarmee of KLM en VNV voldoende in rechte te respecteren gronden hadden om de pensioenleeftijd van 56 jaar naar 58 jaar te verhogen.

3.10.1

KLM en VNV beroepen zich er op dat – afgezien van de Overgangsregeling - verhoging van de pensioenleeftijd van 56 jaar naar 58 jaar noodzakelijk is, vanwege maatschappelijke ontwikkelingen en de langere levensverwachting. [X] c.s. heeft die noodzaak niet bestreden. Juist in 2015 deed zich volgens KLM en VNV de mogelijkheid voor om de pensioenleeftijd stapsgewijs te verhogen. Dat kwam in de eerste plaats doordat vanaf dat jaar pensioenopbouw boven € 100.000,- per jaar niet langer fiscaal werd gefaciliteerd; het meerdere werd om die reden als pensioentoelage uitbetaald, en juist die pensioentoelage kon worden gebruikt om de verhoging van de pensioenleeftijd mede te bekostigen. Die bekostiging leverde voor KLM ook een naar eigen zeggen noodzakelijke cash-injectie op. Bovendien werd in die tijd de Boeing 787 geleverd, hetgeen aanleiding gaf tot extra te volgen opleidingen, zodat er ook tijdelijke behoefte was aan meer personeel. KLM en VNV voeren aan dat verhoging van de pensioenleeftijd ineens naar 58 jaar niet mogelijk is, omdat dat het doorstromingsbeleid en de evenwichtige personeelsopbouw zou verstoren. Dit argument zal hierna worden besproken.

3.10.2

Zoals hierboven overwogen heeft [X] c.s. niet bestreden dat er aanleiding is de pensioenleeftijd van 56 jaar te verhogen. Zij vinden thans dat dat tot 65 jaar dient te geschieden, daar waar zij in eerste aanleg betoogden dat dit ook voor hen tot 58 jaar zou moeten gebeuren. Het hof acht de door KLM en VNV aangevoerde gronden om op zich tot verhoging van de pensioenleeftijd te komen valide.

3.10.3

De vervolgvraag is dan of de stapsgewijze verhoging ook een objectieve rechtvaardigingsgrond kent, of dat ook voor [X] c.s. een pensioenleeftijd van 58 jaar zou moeten gelden.

3.10.4

KLM en VNV betogen dat indien de pensioenleeftijd in een keer van 56 jaar naar 58 jaar zou worden verhoogd, dat in de praktijk zou betekenen dat gedurende twee jaar geen of vrijwel geen pensionering van vliegers meer zal plaatsvinden. Omdat iedere gepensioneerde vlieger het voor meerdere jongere vliegers mogelijk maakt op een groter vliegtuig te gaan vliegen (het zogenaamde cascade-systeem), betekent dit dat het gedurende twee jaar uitstellen van pensionering van vliegers, voor een veelvoud van jongere vliegers tot stagnatie van hun loopbaan zal leiden. [X] c.s. heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Bij een stapsgewijze verhoging van de pensioenleeftijd doet het nadeel van stagnatie van loopbaanmogelijkheden van jongere vliegers zich in veel mindere mate voor. Gelet op de op zich legitieme doelstellingen van het doorstromingsbeleid en een evenwichtige personeelsopbouw, acht het hof de stapsgewijze verhoging van de pensioenleeftijd daarom objectief gerechtvaardigd. Hoewel iedere leeftijdsgrens iets arbitrairs heeft, is de stapsgewijze opbouw gelet op de argumenten van KLM en VNV ook passend te noemen. KLM en VNV hebben betoogd dat een wezenlijk andere opbouw tot onoverkomelijke kosten voor KLM zou leiden. Dat is door [X] c.s. niet gemotiveerd weersproken, anders dan met het argument dat kosten geen rechtvaardigingsgrond kunnen vormen. Het hof acht dat laatste niet juist. Juist omdat de sociaal partners zijn overeengekomen dat ook de vliegers een financiële bijdrage leveren aan de Overgangsregeling, is het legitiem mede met de omstandigheid van de beheersbaarheid van de kosten rekening te houden.

3.11

Ten betoge dat de Overgangsregeling dan wel de gehele gedwongen pensionering eerder dan bij 65 jaar niet noodzakelijk zou zijn, noemt [X] c.s. zes alternatieven.

3.11.1

Het eerste alternatief betreft een vaste pensioenleeftijd, van 58 jaar of hoger. Dit alternatief voldoet niet, omdat dit – zoals hierboven is overwogen – zou leiden tot een onaanvaardbare stagnatie in de doorstroming van personeel. [X] c.s. wijst op de bij andere luchtvaartmaatschappijen bestaande pensioenleeftijd van 65 jaar. Zij weerspreken echter niet hetgeen door KLM en VNV wordt aangevoerd, dat de salariëring, en daarmee doorstromingsbehoefte bij deze maatschappijen, wezenlijk verschillen van die bij KLM. Dit alternatief is daarmee niet reëel.

3.11.2

Het tweede alternatief betreft het aan de vliegers geven van de mogelijkheid om na de vastgestelde pensioenleeftijd te kunnen doorwerken. KLM en VNV hebben onweersproken, gesteld dat vrijwel alle vliegers (95%) die op grond van de Overgangsregeling de mogelijkheid hebben gehad langer door te werken, dat ook hebben gedaan. De verwachting is daarom gerechtvaardigd dat bij het geven van de mogelijkheid aan andere vliegers om na hun pensioenleeftijd door te werken, daar op zodanig grote schaal gebruik van zal worden gemaakt, dat dat feitelijk neerkomt op het verder verhogen van de pensioenleeftijd, met de nadelige gevolgen voor het doorstroombeleid en de personeelsopbouw van dien. Het hof acht dit alternatief daarom niet reëel.

3.11.3

Het derde alternatief betreft vrijwillige pensionering. Hiervoor geldt hetzelfde als hierboven onder 3.11.2 is overwogen.

3.11.4

Het vierde alternatief betreft pensionering op grond van dienstjaren, en niet op grond van leeftijd. KLM heeft aangevoerd dit alternatief destijds serieus te hebben overwogen maar om diverse redenen te hebben verworpen. En van die redenen was dat dit zou leiden tot een veelheid aan (in theorie: voor alle vliegers verschillende) pensioenleeftijden. Dit alternatief zou ook betekenen dat voor sommigen zeer lage pensioenleeftijden zouden gaan gelden, van bijvoorbeeld 53 jaar. KLM heeft onweersproken gesteld dat dit, behalve technisch zeer ingewikkeld, juist ook verboden leeftijdsonderscheid zou kunnen opleveren. Zulks is door [X] c.s. niet gemotiveerd weersproken. Het hof acht dit geen reëel alternatief.

3.11.5

Het vijfde alternatief gaat uit van de mogelijkheid om na de gedwongen pensionering in deeltijd te kunnen doorwerken. Zoals KLM onweersproken heeft gesteld, geldt thans al dat deeltijdwerk tot een beperkte verhoging van de pensioenleeftijd leidt. Het door [X] c.s. genoemde alternatief is naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet om als reëel alternatief te kunnen dienen.

3.11.6

Het laatste alternatief gaat uit van een pensionering met 65 jaar. Hierboven is reeds overwogen dat dat niet verenigbaar is met de legitieme doelstellingen van KLM en VNV.

3.12

Dat de huidige regeling, ten opzichte van de situatie dat [X] c.s. tot zijn 62e of 65e zou kunnen doorwerken, zoals met grief V wordt betoogd, een groot inkomensverschil oplevert, doet aan het voorgaande niet af.

3.13

Het hof acht voor de Overgangsregeling daarom, net als het College voor de Rechten van de Mens, een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig.

3.14

De conclusie is dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [X] c.s. zal, als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van KLM en VNV begroot op voor ieder € 716,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, D. Kingma en H.M.M. Steenberghe en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 april 2019.