Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:149

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
200.252.959/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Beschikking
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen beschikking houdende verlof ex art. 700 Rv dat deels is geweigerd. Uitgangspunten om geoorloofdheid object-keuze beslaglegger te toetsen. Omstandigheden voldoende om verlof uit te breiden naar andere vermogensbestanddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.252.959/01

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 januari 2019

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.F.M. Verheij te Amsterdam,

tegen:

[gerekwestreerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gerekwestreerde,

niet opgeroepen.

Partijen wordt hierna [appellant] en [gerekwestreerde] genoemd.

1 Procesverloop

[appellant] is bij beroepschrift met productie, dat op 18 januari 2019 is ontvangen ter griffie van het hof, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2019. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk zal vernietigen en alsnog het door [appellant] verzochte verlof tot het leggen van conservatoir beslag op de onroerende zaak aan de [adres 1] zal verlenen.

De mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019, waarbij mr. Verheij voornoemd het verzoek van [appellant] nader heeft toegelicht.

Vervolgens is uitspraak bepaald.

2 Beoordeling

2.1.

[appellant] heeft met betrekking tot de aard en het beloop van de door hem gestelde geldvordering op [gerekwestreerde] , kort gezegd, het volgende aangevoerd.

(i) [appellant] , handelend onder de naam Woonmodern Bouwgroep Amsterdam, heeft opdracht gegeven aan Mondo-Advice Building Consultancy B.V. (verder: Mondo) – een vennootschap waarvan [gerekwestreerde] enig aandeelhouder en bestuurder is – om in onderaanneming werkzaamheden te verrichten voor een aantal projecten. Mondo heeft geen van de projecten opgeleverd binnen de daarvoor overeengekomen termijn, evenmin heeft zij dat gedaan op nader tussen partijen overeengekomen opleverdata. In een tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 20 december 2018 heeft deze onder meer overwogen (onder 5.5) dat voorshands ervan moet worden uitgegaan dat [gerekwestreerde] persoonlijk aansprakelijk is voor door Mondo veroorzaakte schade en verbeurde boetes. Mondo beschikt zelf niet over financiële middelen en laat haar onderaannemers structureel onbetaald.

(ii) Bij beschikking van 30 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam aan [appellant] verlof verleend om ten laste van [gerekwestreerde] voor een (inclusief rente en kosten) begrote vordering van € 66.400,= conservatoir beslag te leggen op de onroerende zaken aan de [adres 1] en de [adres 2] (verder: de onroerende zaak aan de [adres 1] respectievelijk de onroerende zaak aan de [adres 2] ) en een derdenbeslag te leggen onder de Rabobank, welk laatste beslag geen doel heeft getroffen. Bij voormeld vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van 20 december 2018 is de vordering van [appellant] tot betaling van een voorschot op de schade en de verbeurde boetes in conventie toegewezen tot een bedrag van € 59.600,= en is in reconventie de vordering van [gerekwestreerde] tot opheffing van de conservatoire beslagen afgewezen. [appellant] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij dit hof.

(iii) [gerekwestreerde] heeft op 20 november 2018 de onroerende zaak aan de [adres 1] verkocht aan een derde, waarbij de datum voor levering is vastgesteld op 24 januari 2019. Nadat [gerekwestreerde] [appellant] op 7 januari 2019 had gedagvaard in kort geding tot opheffing van de (inmiddels) executoriale beslagen op de beide onroerende zaken, is tijdens de mondelinge behandeling op 15 januari 2019 tussen partijen overeengekomen dat [appellant] zal meewerken aan opheffing van deze beslagen als [gerekwestreerde] via de notaris op 24 januari 2019 dan wel zoveel later als het transport plaatsvindt een bedrag van € 66.400,= betaalt en [appellant] dit bedrag heeft ontvangen. [appellant] heeft hiermee ingestemd onder de uitdrukkelijke aanzegging dat hij een nieuw verzoek tot het leggen van conservatoir beslag zou doen om te bewerkstelligen dat de overwaarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] blijft “gesequestreerd”. [appellant] heeft op 16 januari 2019 de voorzieningenrechter verlof gevraagd om tot zekerheid van zijn vordering – met inbegrip van rente en kosten door hem begroot op € 504.336,= – ten laste van [gerekwestreerde] conservatoir beslag te leggen op de onroerende zaak aan de [adres 1] en de onroerende zaak aan de [adres 2] en een derdenbeslag te leggen onder [X] , wonend in de onroerende zaak aan de [adres 2] , op alles wat zij aan [gerekwestreerde] verschuldigd is of zal worden.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft, kort gezegd, overwogen dat de vordering van [appellant] zoals opgesomd in diens verzoekschrift, summierlijk niet geheel deugdelijk voorkomt, omdat de meerkosten van de [straat A] van € 51.380,= weliswaar summierlijk deugdelijk zijn, maar de herstelkosten van de [straat A] van € 15.000,= dit onvoldoende zijn, de huur vervangende woonruimte [Y] deugdelijk is tot een bedrag van € 4.800,= en de boete voor de [straat A] dat eveneens is voor een bedrag van € 3.400,=, maar de boete van de [straat B] voorshands niet deugdelijk is in verband met matiging, waarna zij de totale vordering summierlijk deugdelijk heeft geacht tot een bedrag van € 59.580,=. De voorzieningenrechter heeft vervolgens, voor zover thans van belang, verlof verleend voor het leggen van beslag ten laste van [gerekwestreerde] op de onroerende zaak aan de [adres 2] en (in de vorm van een derdenbeslag) onder [X] voornoemd, met begroting van de vordering op € 77.400,= met inbegrip van rente en kosten. De voorzieningenrechter heeft het gevraagde verlof tot het leggen van conservatoir beslag op de onroerende zaak aan de [adres 1] afgewezen omdat zij oordeelde dat, nu de vordering van [appellant] aanzienlijk lager moet worden begroot dan in het verzoekschrift verzocht, in verband met de proportionaliteit het aantal beslagobjecten moet worden verminderd.

2.3.

In hoger beroep bestrijdt [appellant] voornoemde overwegingen van de voorzieningenrechter en de daarop rustende beslissing voor zover daarbij zijn verzoek om beslag te leggen op de onroerende zaak aan de [adres 1] is afgewezen. Naar het oordeel van het hof dient dat onderdeel van die beslissing van de voorzieningenrechter als een (gedeeltelijk) afwijzende beslissing op het verzoek van [appellant] te worden aangemerkt. [appellant] kan derhalve overeenkomstig artikel 700 lid 2 Rv in zijn hoger beroep worden ontvangen.

2.4.

Bij de inhoudelijke behandeling van dit hoger beroep stelt het hof voorop dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat de vordering van [appellant] zoals deze thans door de voorzieningenrechter is begroot (inclusief rente en kosten op een bedrag van € 77.400,=) een andere vordering is dan de vordering van [appellant] zoals deze bij het verleende verlof op 30 oktober 2018 door haar is begroot (inclusief rente en kosten op een bedrag van € 66.400,=) en waarop de (inmiddels) executoriale beslagen op de beide onroerende zaken thans – na de overeenkomst tussen partijen tijdens de mondelinge behandeling op 15 januari 2019 – betrekking hebben. Bij de begroting van de vordering in het kader van het onderhavige beslagverlof heeft de voorzieningenrechter het bedrag tot betaling waarvan [gerekwestreerde] is veroordeeld bij het (onder 2.1 sub (ii) genoemde) vonnis van de voorzieningenrechter van 20 december 2018 (vier maanden vervangende woning ad € 2.400,= per maand en voorschot boetebedrag ad € 50.000,=, tezamen dus € 59.600,=) expliciet buiten beschouwing gelaten.

2.5.

Voorts stelt het hof voorop dat ingevolge artikel 3:276 BW een schuldeiser zijn vordering op de schuldenaar mag verhalen op al diens goederen, welk uitgangspunt voor het beslagrecht wordt herhaald in artikel 435 lid 1 Rv. Die keuzevrijheid van de schuldeiser vindt zijn grens waar sprake is van misbruik van recht (artikel 3:13 BW). Of een of meer beslagen misbruik van recht oplevert/opleveren en daarom als onrechtmatig moet/moeten worden aangemerkt, hangt af van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen (vgl. HR 24 november 1995, NJ 1996/161). Ook moet daarbij in aanmerking worden genomen dat een beslag hier te lande geen prioriteit schept, zodat een schuldeiser, indien een medecrediteur cumulatief beslag legt, de opbrengst van de executie krachtens artikel 3:277 BW met die medecrediteuren moet verdelen naar rato van de omvang van ieders vordering. Hiervan uitgaande overweegt het hof als volgt.

2.6.

In het onderhavige geval moet op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voorshands het volgende worden aangenomen. De onroerende zaak aan de [adres 2] is in 2015 voor een vraagprijs van € 169.000,= te koop gezet, [gerekwestreerde] zal bij aankoop ervan een koopprijs hebben betaald die daar niet althans niet veel boven heeft gelegen en op deze onroerende zaak rust een hypothecaire inschrijving van € 150.000,=, zodat niet uitgesloten is dat deze onroerende zaak, die bovendien in verhuurde staat verkeert, bij executie weinig tot geen overwaarde zal opleveren. Ook de huursom die maandelijks door de huurster aan [gerekwestreerde] wordt betaald (€ 800,=) zal, zo dit al mogelijk is, in elk geval niet snel tot verhaal voor [appellant] van zijn vordering kunnen leiden. Daar komt bij dat er medecrediteuren zijn met substantiële vorderingen op [gerekwestreerde] , waaronder een loodgietersbedrijf ( [Z] Loodgieter) met een vordering van € 17.000,= en een vordering van een onderaannemer (SDL Totaalbouw). Ten slotte bestaat, gelet op diens betalingsgedrag, aanleiding om aan de solvabiliteit van [gerekwestreerde] te twijfelen. Al met al vormen deze omstandigheden (meer dan) voldoende grond om beslag ook op een of meer andere vermogensbestanddelen toe te staan dan waarvoor het onderhavige verlof reeds is verleend.

2.7.

Uit het vorenstaande volgt dat voldoende grond bestaat het verzoek van [appellant] om (tevens) beslag te leggen op de onroerende zaak aan de [adres 1] toe te wijzen, zodat alsnog verlof hiertoe zal worden verleend. Omdat de vordering van [appellant] op [gerekwestreerde] inmiddels is opgelopen wegens een vordering van een bewoner van de [straat B] die via de VvE [appellant] – in verband met een brand die op de verdieping waar de bouwwerkzaamheden werden verricht heeft gewoed – heeft aangesproken voor een schadevordering van rond € 15.000,= ter zake waarvan [appellant] [gerekwestreerde] in vrijwaring kan oproepen en wegens het (zeer snel) toenemen van het boetebedrag, zal het hof voor het verlof tot het leggen van dit beslag de vordering van [appellant] begroten op € 100.000,=, inclusief rente en kosten.

2.8.

Het hof zal de beschikking waarvan beroep deels vernietigen en, opnieuw recht doende, beslissen als hierna te melden.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij het verlof tot het leggen van conservatoir beslag op de onroerende zaak aan de [adres 1] ) Amsterdam is afgewezen,

en in zoverre opnieuw recht doende:

verleent [appellant] verlof om ten laste van [gerekwestreerde] conservatoir beslag te leggen op de onroerende zaak aan de [adres 1] , onder vaststelling van het bedrag waarvoor dit verlof wordt verleend, met inbegrip van de rente en kosten waarin [gerekwestreerde] zal kunnen worden veroordeeld, op € 100.000,= (zegge: honderdduizend euro);

verklaart dit verlof uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J. van der Kwaak, J.C.W. Rang en D. Kingma en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2019.