Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1486

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
23-003753-17
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:551
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte niet-ontvankelijk in verzet tegen strafbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003753-17

datum uitspraak: 20 maart 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-139870-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

6 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek

van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 juli 2015 te Amsterdam, zonder toestemming van het college het Amsterdamse Taxxxilogo, zoals weergegeven in bijlage II van de Taxiverordening Amsterdam 2012, in en/of op en/of aan het voertuig (gekentekend [kenteken]) heeft gebruikt; de hierboven voorkomende termen worden - voor zover van toepassing - gebruikt in de zin van de Taxiverordening Amsterdam 2012.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het verzet tegen de opgelegde strafbeschikking

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard

in zijn verzet tegen de strafbeschikking.

Het hof overweegt als volgt.

Aan de verdachte is op 14 juli 2016 een strafbeschikking gezonden van in totaal € 507 omdat hij

op 17 juli 2015 het Amsterdamse Taxxxilogo heeft gebruikt zonder toestemming van het College.

In de toelichting op deze strafbeschikking staat - naar de kern samengevat - dat de verdachte of de advocaat van de verdachte schriftelijk verzet kan instellen. In persoon kan dit verzet ook worden ingesteld aan de balie bij het dichtstbijzijnde parket - aldus de toelichting - door de verdachte, zijn advocaat of door een persoon die schriftelijk daartoe door de verdachte gemachtigd is.

Op 28 juli 2016 is door [naam] namens de verdachte schriftelijk verzet ingesteld tegen voornoemde beschikking. Aan dit verzetschrift is een schriftelijke machtiging gehecht, waarin de verdachte de heer [naam] heeft gemachtigd als gemachtigde op te treden ter gelegenheid van de behandeling van verschillende zaken c.q. geschillen bij (overheids)instanties. Ook heeft hij [naam] volmachten verleend de verdachte zowel in woord als geschrift te vertegenwoordigen en de verdachte in rechte bij te staan.

Op grond van artikel 257e lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan zowel een verdachte, als een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gemachtigd, schriftelijk verzet doen bij een aan de officier van justitie gerichte en ondertekende brief. Het verzet kan daarnaast mondeling worden gedaan in persoon op het parket door de verdachte, een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd, en een persoon die bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigd is. Voornoemde toelichting is op dit artikel gestoeld.

Artikel 257f lid 4 Sv bepaalt (onder andere) dat indien het verzet onbevoegdelijk is gedaan,

het niet-ontvankelijk wordt verklaard.

In de memorie van toelichting bij de invoering van de Wet OM-afdoening1 is over deze regeling het volgende opgenomen:

In het voorgestelde artikel 257f, vierde lid, Sv tenslotte is vastgelegd dat het verzet niet ontvankelijk wordt verklaard indien het niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan of indien niet aan de vereisten van het voorgestelde artikel 257e, vierde lid, Sv is voldaan. Deze uitspraak spoort met de uitspraak die wordt gegeven indien rechtsmiddelen tegen rechterlijke uitspraken ontijdig of incorrect worden aangewend, al is zij voor dat geval niet wettelijk vastgelegd. De reden om de beslissing het verzet niet ontvankelijk te verklaren in deze regeling wel expliciet neer te leggen is dat de duidelijkheid daardoor wordt bevorderd.”

Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde verzet tegen de strafbeschikking, nu het verzet tegen de strafbeschikking door een door de verdachte ingeschakelde adviseur schriftelijk is ingesteld, terwijl deze adviseur daartoe niet bevoegd was.

Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. In het arrest van de Hoge Raad2 waar de raadsman naar heeft verwezen, gaat het om een situatie waarin wel door een bevoegdelijk persoon op de juiste wijze hoger beroep was ingesteld, maar waarin een gebrek kleefde aan de bijzondere volmacht die hersteld kon worden ter terechtzitting. Dit betreft een andere situatie dan de onderhavige, waarin iemand hoger beroep heeft ingesteld op een wijze die niet is voorgeschreven door de wet, hetgeen maakt dat het verzet onbevoegdelijk is ingesteld.

Ook de overige door de raadsman aangedragen omstandigheden leiden, mede gelet op het hiervoor aangehaalde gedeelte uit de wetsgeschiedenis, niet tot een ander oordeel.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart de verdachte in het verzet tegen de strafbeschikking d.d. 14 juli 2016,

CJIB-nummer 3132 5420 0265 2092, niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting

hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van

mr. N.E.M Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 maart 2019.

Mr. A.M. van Amsterdam is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Kamerstukken 29849, nr. 3, Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2004-2005.

2 ECLI:NL:HR:2014:132.