Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1476

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
23-001495-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne. Overweging over betrouwbaarheid verklaringen medeverdachte en medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001495-18

Datum uitspraak: 15 maart 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-205235-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te Curaçao op [geboortedag] 1991,

laatst opgegeven woon- op verblijfplaats: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

1 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 oktober 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing met betrekking tot de bewijsvraag komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachte tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn en niet kunnen worden meegenomen in de bewijsvoering. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de door de medeverdachte ingevoerde cocaïne, dat zijn opzet op het ten laste gelegde ontbreekt en geen sprake is van medeplegen.

Het hof overweegt als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen medeverdachte

Het hof ziet, anders dan de raadsman, geen reden te twijfelen aan de strekking van de verklaringen die de medeverdachte [medeverdachte] op 17 oktober 2017 in het kader van zijn inverzekeringstelling en op

20 oktober 2017 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Deze twee verklaringen komen op essentiële onderdelen overeen en sluiten onmiskenbaar aan bij de overige bewijsmiddelen.

Andere, latere verklaringen die [medeverdachte] heeft afgelegd en die ten dele afwijken van de genoemde verklaringen tasten de betrouwbaarheid ervan niet aan, aangezien het hof het aannemelijk acht dat [medeverdachte] uit angst voor de verdachte zijn eerdere verklaringen over diens betrokkenheid heeft gewijzigd. Het hof zal de inhoud van de genoemde verklaringen dan ook bezigen voor het bewijs.

Feiten en omstandigheden

Vast staat dat [medeverdachte] op 17 oktober 2017 vanuit Curaçao een koffer met daarin ruim 2 kilo cocaïne, verpakt in roze slikkersbollen, Nederland heeft binnengebracht. [medeverdachte] heeft verklaard dit in opdracht van de verdachte te hebben gedaan, hij de bolletjes op Aruba van de verdachte heeft ontvangen en het de bedoeling was dat hij de drugs op Schiphol (weer) aan de verdachte zou overdragen.

De verklaring van [medeverdachte] vindt steun in het feit dat uit onderzoek van de telefoon van de verdachte is gebleken dat de verdachte en [medeverdachte], omstreeks de dag dat [medeverdachte] de cocaïne zou hebben ontvangen (het hof begrijpt: op 11 oktober 2017), met elkaar tijd doorbrachten op Aruba. In de telefoon van de verdachte zijn ook de reisgegevens van [medeverdachte] en een printscreen van de duidelijk herkenbare pet die [medeverdachte] op Schiphol droeg, aangetroffen.

Op 16 en 17 oktober 2017 hebben de verdachte en [medeverdachte] via WhatsApp contact gehad over de terugreis van [medeverdachte] naar Nederland. Op 17 oktober 2017 is de verdachte op Schiphol aanwezig. Vlak na aankomst van de vlucht van [medeverdachte] heeft de verdachte via WhatsApp gevraagd of [medeverdachte] al bij de bagagebanden was. [medeverdachte] heeft twee keer geantwoord dat de verdachte niet meer moest appen. Twintig minuten later heeft de verdachte hem gevraagd: “Waar is de koffer”. [medeverdachte] is even later aangehouden, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in de vondst van roze bolletjes met cocaïne in zijn koffer.

Wetenschap en opzet

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte wist dat [medeverdachte] op 17 oktober 2017 cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland bracht. Nu de verdachte deze cocaïne op Aruba aan [medeverdachte] heeft geleverd, over de reisgegevens van [medeverdachte] beschikte, op de dag van de invoer op Schiphol aanwezig was en met [medeverdachte] communiceerde over het verloop van de reis en de locatie van de koffer op Schiphol, acht het hof bewezen dat de verdachte opzet had op de invoer van de cocaïne.

Medeplegen

Op grond van het voorgaande neemt het hof aan dat de verdachte zodanig was betrokken bij de invoer van de cocaïne dat hij daarbij in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] heeft gehandeld en dus als medepleger is aan te merken.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 oktober 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tezamen met een ander schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ruim 2 kilo cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 februari 2019 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof heeft gelet op de straffen die door rechters bij de invoer van een dergelijke hoeveelheid aan harddrugs plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin wordt een gevangenisstraf van 24 maanden tot 30 maanden genoemd. Dit neemt het hof tot uitgangspunt.

In hetgeen de raadsman omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte heeft aangevoerd vindt het hof geen aanleiding een mildere of andersoortige straf op te leggen, nu dit geen recht zou doen aan de ernst van het bewezenverklaarde feit.

Het hof acht, alles afwegende, de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten één Telefoon Apple iPhone (kleur roze) en vier bankbiljetten van € 100,00.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welke beslissing afzonderlijk zal worden geminuteerd.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. H.A. van Eijk en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

15 maart 2019.

mr. H.A. van Eijk is buiten staat dit arrest te ondertekenen

=========================================================================

[…]