Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1452

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2019
Datum publicatie
08-07-2019
Zaaknummer
200.201.897/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toerekenbare tekortkoming werkgever bij de nakoming van de arbeidsovereenkomst en de daarin geïncorporeerde de pensioenovereenkomst met haar voormalige werknemers door de ter uitvoering van de pensioenovereenkomst met haar pensioenfonds gesloten uitvoeringsovereenkomst op te zeggen zonder zwaarwegend belang en zonder (voldoende) rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van haar voormalige werknemers (bestaande uit het verlies aan enig indexatieperspectief). Eenzijdig einde maken aan overeengekomen herstelbetalingen en bijdragen aan administratiekosten van het pensioenfonds is in de gegeven omstandigheden in strijd met goed werkgeverschap. Dubbele redelijkheidstoetsing. Ongelijke behandeling door het bieden van indexatieperspectief aan de actieve deelnemers voor pensioenaanspraken opgebouwd voor beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst en niet aan de gewezen deelnemers en gepensioneerden voor diezelfde pensioenaanspraken en -rechten.

Relevante wetgeving

Artikelen 19, 23 en 58 en 7:611 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2019/72 met annotatie van J. van Slooten
AR-Updates.nl 2019-0734
Ondernemingsrecht 2019/139 met annotatie van A.G. van Marwijk Kooy
JOR 2019/254 met annotatie van Vermeeren-Keijzers, I.H.
PR-Updates.nl PR-2019-0103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.201.897/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 2990426 CV EXPL 14-11251

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 april 2019

inzake

EURONEXT AMSTERDAM N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.H.E. Voûte te Amsterdam,

tegen

1 VERENIGING PENSIOENGERECHTIGDEN EURONEXT AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

2. [X] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [geïntimeerde sub 3] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

4. [geïntimeerde sub 4] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

5. [geïntimeerde sub 5] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

6. [geïntimeerde sub 6] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

advocaat: mr. A.W. van Leeuwen te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Euronext en VPE c.s. genoemd. Geïntimeerde/appellante sub 1 wordt ook aangeduid als VPE en geïntimeerden/appellanten sub 2 tot en met 6 als [X] c.s.

Euronext is bij dagvaarding van 21 september 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 24 juni 2016 (hierna: het vonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen VPE c.s. als eisers en Euronext als gedaagde. De memorie van grieven zijdens Euronext bevat zes grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel tevens houdende akte wijziging eis zijdens VPE c.s.;

- memorie van antwoord in incidenteel appel zijdens Euronext;

Euronext heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen voor zover de vorderingen van VPE c.s. zijn toegewezen en, opnieuw rechtdoende, VPE c.s. niet ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen jegens Euronext, althans de vorderingen van VPE c.s. alsnog volledig zal afwijzen, met bepaling dat indien Euronext reeds aan het betreffende vonnis heeft voldaan, VPE c.s. zal worden veroordeeld tot terugbetaling van het betaalde bedrag en met hoofdelijke veroordeling van VPE c.s. in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten.

VPE c.s. hebben in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis voor zover het betreft het oordeel van de kantonrechter dat Euronext tekort is geschoten jegens de leden van VPE, althans [X] c.s. in de nakoming van de pensioenovereenkomst en de veroordeling van Euronext tot vergoeding van de schade die [X] c.s. dientengevolge lijden, op te maken bij staat.

VPE c.s. hebben in incidenteel appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis voor het overige zal vernietigen en opnieuw rechtdoende Euronext zal veroordelen een nieuwe uitvoeringsovereenkomst (hierna: UVO) met Delta Lloyd (hierna: DL) dan wel met een andere pensioenuitvoerder aan te gaan welke gelijk is aan of tenminste gelijke rechten en waarborgen biedt als de UVO 2007-2012, dan wel de UVO 2013, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per dag dat Euronext na betekening van het vonnis niet voldoet aan deze veroordeling, subsidiair, Euronext zal veroordelen een zodanig geldbedrag te betalen aan DL dan wel een andere pensioenuitvoerder, dat de voormalige werknemers van (de rechtsvoorgangers van) Euronext (de oud-deelnemers) in dezelfde positie worden gebracht als waarin zij zouden hebben verkeerd als de UVO 2007-2012, althans de UVO 2013, ongewijzigd zou zijn voortgezet, waarbij in ieder geval wordt voorzien in (1) vergoeding van de uitvoeringskosten, (2) maatregelen ter opheffing van het dekkingstekort en (3) consistentie en solidariteit tussen actieven en inactieven, welk geldbedrag wordt vastgesteld door een te benoemen actuaris en Euronext zal veroordelen dit bedrag binnen een week na die vaststelling aan DL dan wel een andere pensioenuitvoerder te betalen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per dag dat Euronext niet aan die veroordeling voldoet, meer subsidiair VPE c.s. ontvankelijk zal verklaren in haar vordering tot veroordeling van Euronext tot vergoeding van de schade van haar leden nader op te maken bij staat en deze vordering, opnieuw rechtdoende, toe zal wijzen.

VPE c.s. hebben in principaal en incidenteel appel geconcludeerd tot veroordeling van Euronext in de proceskosten van beide instanties.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 24 november 2017 doen bepleiten door hun genoemde advocaten, aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij die gelegenheid is aan beide partijen akte verleend van het nog in het geding brengen van producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.21 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2

Euronext heeft met haar werknemers een pensioenovereenkomst gesloten. Ter uitvoering van die pensioenovereenkomst had Euronext tot en met 31 december 2013 een of meer elkaar opvolgende UVO’s gesloten met Stichting Pensioenfonds Mercurius Amsterdam (hierna: PMA). PMA was ook UVO’s overeengekomen met vier andere werkgevers. De UVO’s tussen PMA enerzijds en Euronext en de andere vier werkgevers anderzijds zijn geëindigd per 31 december 2013. Euronext heeft met ingang van 1 januari 2014 een nieuwe UVO gesloten met DL ter uitvoering van de pensioenovereenkomst met haar (vanaf 1 januari 2014) actieve werknemers.

2.3

Anders dan de twee andere grote werkgevers, die een UVO met PMA hadden, heeft Euronext besloten om geen verzoek te doen aan PMA tot overdracht van de opgebouwde pensioenrechten en -aanspraken van haar (gewezen) deelnemers en gepensioneerden van Euronext naar DL. PMA heeft in de loop van 2013 besloten tot liquidatie van het fonds en tot overdracht van de resterende opgebouwde pensioenrechten en -aanspraken van alle (gewezen) deelnemers en gepensioneerden van Euronext en de twee resterende werkgevers aan DL. Die collectieve waardeoverdracht (hierna: CWO) van PMA aan DL is per 1 januari 2014 geeffectueerd.

2.4

Tot 1 januari 2012 was de door Euronext met haar individuele werknemers gesloten pensioenovereenkomst - door verwijzing in de arbeidsovereenkomsten - schriftelijk vastgelegd in het Handboek Personeel Euronext Amsterdam N.V. (hierna: personeelshandboek). Met ingang van 1 januari 2012 is de pensioenovereenkomst tussen Euronext en haar op of na 1 januari 2012 actieve werknemers vastgelegd in de CAO inzake pensioenen NYSE Euronext met een looptijd tot 31 december 2016 (hierna: CAO 2012).

2.5

PMA had de uit hoofde van de UVO’s met Euronext voortvloeiende pensioenverplichtingen tegenover (gewezen) werknemers en gepensioneerden van Euronext vastgelegd in een pensioenreglement 2006 en pensioenreglement 2012. Volgens pensioenreglement 2012 is dat reglement uitsluitend van toepassing op deelnemers in dienst van Euronext op 31 december 2011 en 1 januari 2012 en op deelnemers die later in dienst treden.

2.6

In het personeelshandboek (versie mei 2010) is op pagina 2 vastgelegd “De bepalingen in dit handboek zijn in principe bindend: afwijkingen dienen in een schriftelijke overeenkomst tussen werkgever en medewerker te worden vastgelegd.” In het personeelshandboek wordt verwezen naar de inhoud van het pensioenreglement 2006. Tussen partijen staat vast dat dit betekent dat het pensioenreglement 2006 is geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomsten. De tussen Euronext en de op 1 januari 2012 niet meer actieve werknemers (de gewezen deelnemers en gepensioneerden) geldende pensioenovereenkomst is opgenomen in bijlage III van het personeelshandboek. In die bijlage III onder F was in punt 11 vastgelegd hoe het pensioen zijn waarde hield als de (gewezen) werknemer van Euronext een gewezen deelnemer is in de pensioenregeling of gepensioneerde. Hierin staat onder meer:
“(…) Het bestuur van het pensioenfonds (hof: PMA) kan ieder jaar besluiten om een toeslag te verlenen op uw pensioenaanspraken of ouderdomspensioen. Dit houdt in dat er een toeslag kan worden gegeven op uw pensioenaanspraken of uw ouderdomspensioen, zodat de waarde van uw pensioenaanspraken of ouderdomspensioen (geheel of gedeeltelijk) meestijgt met de prijzen. Zodoende is er de mogelijkheid dat uw opgebouwde pensioenaanspraken of uw ouderdomspensioen (..) zijn waarde geheel of gedeeltelijk behoudt.

U heeft geen recht op toeslagverlening (indexatie) van uw pensioenaanspraken of ouderdomspensioen. De toeslagverlening op uw pensioenaanspraken of ouderdomspensioen is voorwaardelijk. Het bestuursbesluit tot het wel of niet (geheel of gedeeltelijk) een toeslag te verlenen is afhankelijk van de financiële positie van het pensioenfonds. Als u in enig jaar een toeslag ontvangt, is het niet zeker of en in welke mate in de toekomst ook een toeslag wordt verleend. Er wordt namelijk geen geld gereserveerd voor toeslagverlening en er wordt geen pensioenpremie voor betaald. (…) Nogmaals, u heeft geen recht op toeslagverlening!

2.7

Artikel 6 van de oorspronkelijke UVO 2007-2012 luidt met betrekking tot de aanpassing van ingegane pensioenen en aanspraken van gewezen deelnemers onder meer: “Voor gewezen deelnemers en gepensioneerden bestaat er geen recht op toekomstige indexaties, de indexatie van de pensioenaanspraken is voorwaardelijk. Het fonds probeert de pensioenaanspraken jaarlijks aan te passen aan de procentuele stijging van de CBS Consumentenprijsindex alle huishoudens, maar gaat daar alleen toe over als er een dekkingsgraad aanwezig is die op lange termijn voldoende zekerheid geeft. De indexatie in een jaar, met een maximum van 6%, wordt vastgesteld door het bestuur van het fonds. Indexering van de premievrije aanspraken en de ingegane pensioenen zal alleen plaatsvinden indien en voor zover de middelen van het fonds dit toelaten waarbij op basis van de uitkomsten van een ALM-studie en/of continuïteitsanalyse en de wensen van de werkgever bezien zal worden wat het toekomstige indexatiebeleid zal kunnen zijn. (…)”.

2.8

In 2010 is (uitsluitend) artikel 6 van de UVO 2007-2012 aangepast. Dat artikel luidt met betrekking tot de aanpassing van ingegane pensioenen en aanspraken van gewezen deelnemers met terugwerkende kracht tot 2007 onder meer: “Op de pensioenrechten van gepensioneerden, op de pensioenaanspraken van gewezen deelnemers (…) wordt jaarlijks toeslag verleend van maximaal de prijsontwikkeling, met een maximum van 6%. Het bestuur beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en pensioenaanspraken worden aangepast. Voor deze voorwaardelijke toeslagverlening is geen reserve gevormd en wordt geen premie betaald, maar deze wordt uit beleggingsrendement gefinancierd.” Een inhoudelijk gelijke bepaling is opgenomen in artikel 6 van de in 2011 aangepaste UVO 2007-2012 en artikel 7 lid 1 van de UVO 2012-2013.
In lid 2 van dat artikel is een (nieuwe) toeslagregeling met een loonindex opgenomen voor de op 1 januari 2012 actieve deelnemers van Euronext.

2.9

Artikel 17 lid 1 van het pensioenreglement 2006 van PMA luidt met betrekking tot de aanpassing van ingegane pensioenen en aanspraken van gewezen deelnemers onder meer:
Op de pensioenrechten van pensioengerechtigden, de pensioenaanspraken van gewezen deelnemers en op de pensioenaanspraken van ex-partners van gewezen deelnemers of gepensioneerden wordt jaarlijks (per 1 januari) toeslag verleend van maximaal de procentuele stijging van de kosten van levensonderhoud, met een maximum van 6%. Het bestuur beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en pensioenaanspraken worden aangepast. Voor deze voorwaardelijke toeslagverlening is geen reserve gevormd en wordt geen premie betaald, maar deze wordt uit beleggingsrendement gefinancierd.” Artikel 22 lid 1 van het pensioenreglement 2012 is gelijkluidend.

2.10

In de oorspronkelijke UVO 2007-2012 tussen PMA en Euronext was geen specifieke bepaling opgenomen voor de situatie van een reserve- of dekkingstekort bij PMA. Wel was in artikel 5 van die UVO opgenomen dat partijen (tijdelijk) een hogere premie kunnen overeenkomen, als dit in het kader van de uitvoering van de pensioenregeling gewenst of nodig is.
Artikel 12 van die UVO luidt: “Indien zich omstandigheden voordoen die ten tijde van deze overeenkomst niet voorzienbaar waren en die nakoming van de overeenkomst substantieel beïnvloeden, zullen partijen in gezamenlijk overleg en naar redelijkheid en billijkheid een oplossing proberen te vinden, die recht doet aan de belangen van beide partijen in het kader van deze overeenkomst.”
Tenslotte bevat artikel 9 lid 2 van de oorspronkelijke UVO een bepaling die het Euronext mogelijk maakte om bij financieel onvermogen van PMA haar bijdrageverplichtingen te verminderen dan wel te beëindigen.

2.11

In 2008 is PMA eerst in reservetekort terecht gekomen (aanwezig vermogen minder dan 126,9% van de technische voorziening (TV), terwijl het wettelijk vereiste eigen vermogen (VEV) 26,9% bedroeg van de TV) en later in 2009 ook in dekkingstekort (aanwezige vermogen minder dan 104,3% van de TV, terwijl het wettelijk minimum vereiste eigen vermogen (MVEV) 4,3% bedroeg van de TV). PMA heeft eerst in 2008 een langetermijnherstelplan en vervolgens in 2009 een kortetermijnherstelplan (hierna samen: Herstelplan) ingediend bij toezichthouder DNB. Euronext heeft op 19 mei 2009 aan PMA bevestigd dat zij een eenmalige storting in PMA heeft gedaan van € 1.360.000,- alsmede een opslag van 10% van de premie zal betalen gedurende de looptijd van het Herstelplan (onderstreping Hof). Deze aanvullende bijdrageafspraak is niet opgenomen in de in 2010 (voor de eerste keer) aangepaste UVO 2007/2012.

2.12

Tussen PMA en Euronext is vervolgens in de in 2011 (voor de tweede keer) aangepaste UVO 2007/2012 in artikel 5 - in aanvulling op de bepaling over de reglementaire premie en de bestaande afspraak dat partijen (tijdelijk) een hogere premie kunnen overeenkomen (zie hiervoor overweging 2.10) - een aanvullende bijdrageregeling overeengekomen voor de situaties van een reservetekort en van een dekkingstekort.
De bepaling voor de situatie van een reservetekort luidt onder meer: “(…) zal het pensioenfonds (…) een langetermijnherstelplan opstellen om uiterlijk binnen 15 jaar het tekort op te heffen (…). In het langetermijnherstelplan zal een opslag worden opgenomen op de reglementaire premie (…). Deze opslag is verschuldigd zolang het pensioenfonds in een tekortsituatie verkeert (onderstreping Hof).
De bepaling voor de situatie van een dekkingstekort luidt onder meer: “(…) zal het pensioenfonds (…) een kortetermijnherstelplan opstellen om uiterlijk binnen 3 jaar het tekort op te heffen (…). In het kortetermijnherstelplan zal een opslag worden opgenomen op de reglementaire premie (…), waarbij rekening is gehouden met de opslag opgenomen in het langetermijnherstelplan. Zonodig vindt overleg plaats met de werkgever over een incidentele storting door de werkgever.
Vervolgens wordt bevestigd dat in het kader van de ingediende lange- en kortetermijnherstelplannen een opslag op de reglementaire premie is overeengekomen van 10% van de reglementaire premie. Deze opslag is verschuldigd zolang het pensioenfonds in een tekortsituatie verkeert (onderstreping Hof).

2.13

In de UVO 2012/2013 is inhoudelijk een gelijke (aanvullende) bijdrageregeling overeengekomen. Daarnaast is in een nieuw artikel 6 afgesproken dat PMA tijdig aan Euronext zal laten weten of een extra storting nodig is indien er op 31 december 2012 nog sprake is van een dekkingstekort en wat de gevolgen zijn indien er geen extra storting zou worden verricht. Ook is artikel 15 inzake beëindiging van de UVO, ingrijpend aangepast en zijn afspraken gemaakt over de situatie dat de UVO eindigt en de werkgever al dan niet verzoekt om collectieve waardeoverdracht.

2.14

Ondanks een extra onverplichte eenmalige bijdrage door Euronext van € 11.759.437.- zijn de pensioenaanspraken en -rechten van de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden van Euronext in eerste instantie op 1 april 2013 gekort met 3%. De UVO is op 31 december 2013 geëindigd en Euronext heeft naar aanleiding daarvan € 665.000,-- aan PMA betaald als bijdrage in de beëindigingskosten.

2.15

Gelet op haar financiële situatie per 16 december 2013, de datum van economische waardeoverdracht aan DL, heeft PMA in de UVO met DL (genoemd in overweging 2.3 hiervoor) geen toeslagregeling kunnen overeenkomen. In het kader van de liquidatie was het aanwezige vermogen ter grootte van 102,1% van de TV op grondslagen van PMA (waarbij in de TV een opslag voor kosten van beheer en administratie was begrepen van 2%) wel voldoende om bij de waardeoverdracht aan DL (op de grondslagen van DL inclusief afkoop van alle toekomstige kosten van beheer en administratie) met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014 de oorspronkelijke korting op rechten en aanspraken van 3% (2.13) te verlagen naar 1,55%.

2.16

Euronext is in artikel 15 van haar UVO met DL (zie 2.1) een toeslagregeling overeengekomen voor haar op of na 1 januari 2014 actieve werknemers in de vorm van een indexatiedepot waarin Euronext bij aanvang € 1.200.000,= heeft gestort en waarin op 1 januari van de jaren 2014 tot en met 2019 jaarlijks € 700.000,= is/zal worden gestort door Euronext. Indien Euronext daartoe na bindend advies van de pensioencommissie besluit en voor zover de middelen in het depot daartoe toereikend zijn, kan Delta Lloyd volgens artikel 15 lid 1 van de UVO uit dat depot de opgebouwde pensioenaanspraken van de actieve werknemers van Euronext tijdens de opbouwfase verhogen tot maximaal de stijging van het door het CBS vastgestelde indexcijfer van de Cao-lonen. Indien Euronext daartoe na bindend advies van de pensioencommissie besluit en voor zover de middelen in het depot daartoe toereikend zijn, kan Delta Lloyd volgens artikel 15 lid 2 uit dat depot de opgebouwde pensioenaanspraken van de sinds 1 januari 2014 gewezen deelnemers en premievrijgestelden en de ingegane pensioenrechten van de pensioengerechtigden verhogen tot maximaal de door het CBS vastgestelde CPI alle huishoudens. Artikel 15 lid 5 van de UVO bepaalt: “Het in lid 1 en lid 2 bepaalde geldt tevens voor de tot 1 januari 2014 bij PMA opgebouwde pensioenaanspraken van de deelnemers die actief zijn op 1 januari 2014.”

3 Beoordeling

3.1

VPE c.s. vorderden in eerste aanleg:

a. voor recht te verklaren dat Euronext jegens de voormalige werknemers van (de rechtsvoorgangers van) Euronext aan wie een pensioenregeling is toegezegd toerekenbaar tekort is geschoten en/of tekort schiet in de nakoming van de arbeidsovereenkomsten en/of de cao en/of de pensioenovereenkomsten en/of artikel 23 Pensioenwet en/of de eisen van goed werkgeverschap;

b primair:

Euronext te veroordelen een nieuwe uitvoeringsovereenkomst met PMA dan wel met DL dan wel met een andere pensioenuitvoerder aan te gaan welke gelijk is aan of tenminste gelijke rechten en waarborgen biedt als de uitvoeringsovereenkomst 2007-2012, dan wel de uitvoeringsovereenkomst 2013, of straffe van verbeurte van een dwangsom;

c. subsidiair

Euronext te veroordelen een zodanig geldbedrag te betalen aan PMA dan wel DL waardoor de voormalige werknemers van (de rechtsvoorgangers van) Euronext in dezelfde positie worden gebracht als waarin zij zouden hebben verkeerd als de UVO 2007-2012, althans de UVO 2013 ongewijzigd zou zijn voortgezet, waarbij in ieder geval wordt voorzien in (1) vergoeding van uitvoeringskosten, (2) maatregelen ter opheffing van het dekkingstekort en (3) consistentie en solidariteit tussen actieven en inactieven, welk geldbedrag wordt vastgesteld door een te benoemen actuaris en Euronext te veroordelen dit bedrag binnen een week na die vaststelling aan PMA dan wel DL te betalen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

d. meer subsidiair:

Euronext te veroordelen tot vergoeding van de schade die de voormalige werknemers van (de rechtsvoorganger van) Euronext althans [X] c.s. lijden op te maken bij staat;

e. Euronext te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2

De kantonrechter heeft in het vonnis VPE niet ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vergoeding van de schade van haar leden. De kantonrechter heeft vervolgens vastgesteld dat de pensioenovereenkomst van de leden van VPE een zeker perspectief op indexatie van hun pensioenrechten inhoudt. Door de beëindiging door Euronext van de UVO met PMA per 31 december 2013 en de keuze om alle opgebouwde pensioenaanspraken achter te laten in PMA is het perspectief op indexatie na 1 januari 2014 volledig verdwenen. Er heeft aldus een eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst plaatsgevonden. De pensioenovereenkomst bevat geen wijzigingsbeding en de leden van VPE hebben niet ingestemd met die wijziging. Dat Euronext bevoegd was tot beëindiging van de UVO met PMA betekent niet dat Euronext niet gehouden was om rekening te houden met leden van VPE gesloten pensioenovereenkomsten en met de belangen van de door VPE vertegenwoordigde leden. Die zorgplicht vloeit voort uit de verplichtingen uit goed werkgeverschap die Euronext tegenover haar oud-werknemers in acht behoort te nemen. Als gevolg van een en ander is Euronext toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de met de leden van VPE gesloten pensioenovereenkomsten, zo overwoog de kantonrechter. De primaire vordering van VPE c.s., die er op neerkomt dat Euronext in enige vorm de UVO met PMA moet voortzetten of de daarin opgenomen herstelmaatregelen moet nakomen (zie hiervoor 2.11 tot en met 2.14), zijn door de kantonrechter afgewezen omdat VPE c.s. onvoldoende hebben aangetoond dat die UVO een daartoe strekkend beding ten gunste van de leden van VPE bevatte. De kantonrechter heeft de door VPE c.s. gevraagde verklaring voor recht, dat Euronext jegens de leden van VPE aan wie een voorwaardelijke indexatie is toegezegd, toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van hun pensioenovereenkomsten, toegewezen en Euronext veroordeeld om de schade (op te maken bij staat) die [X] c.s. dientengevolge lijden te vergoeden, Euronext veroordeeld in de proceskosten en de vorderingen van VPE c.s. voor het overige afgewezen. Tegen deze beslissing en de gronden waarop deze berust, richten zich de grieven in principaal en incidenteel appel.

3.3

De eerste grief in principaal appel betreft de (gedeeltelijke) ontvankelijk verklaring van VPE. De tweede en derde grief van Euronext richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat als gevolg van de beëindiging van de UVO met PMA en “het achterlaten van de pensioenrechten van de actieven bij PMA” het perspectief op verhoging (indexatie) van de pensioenrechten van de leden van VPE volledig is verdwenen en dat de leden van VPE hierdoor schade hebben geleden en tegen het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is van een oorzakelijk verband tussen het besluit van Euronext om de UVO met PMA te beëindigen en de pensioenaanspraken en pensioenrechten bij PMA achter te laten en het verlies van enig indexatieperspectief. De vierde en vijfde grief in principaal appel richten zich tegen de oordelen van de kantonrechter dat Euronext tekort is geschoten in de nakoming van de pensioenovereenkomsten en de norm van goed werkgeverschap heeft geschonden omdat de wijziging van de pensioenovereenkomsten zonder instemming van de betrokkenen heeft plaatsgevonden terwijl er geen wijzigingsbeding was overeengekomen. Tenslotte betreft de zesde grief in principaal appel de door de kantonrechter toegewezen verklaring voor recht. Volgens Euronext is de desbetreffende vordering van VPE c.s. onvoldoende bepaalbaar en had deze daarom moeten worden afgewezen.

3.4

Grief 1 in incidenteel appel richt zich op de niet-ontvankelijkverklaring van VPE in haar vordering tot vergoeding van de schade die haar leden, de voormalige werknemers van Euronext, lijden, op te maken bij staat. Grief 2 in incidenteel appel betreft het oordeel van de kantonrechter dat de op Euronext rustende zorgplicht uitsluitend voortvloeit uit de verplichting van goed werkgeverschap. De derde grief van VPE c.s. richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de leden van VPE jegens Euronext geen beroep toekomt op nakoming van de UVO tussen Euronext en PMA, omdat de leden van VPE geen partij zijn bij die UVO.

3.5

Het hof oordeelt als volgt.

3.5.1

Anders dan Euronext betoogt maar VPE c.s. gemotiveerd hebben bestreden, is VPE in haar onderhavige vorderingen ontvankelijk. VPE is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, de statutaire doelomschrijving van VPE, het behartigen van de belangen van haar leden in de meest ruime zin is toereikend om op te komen voor de in deze procedure aan de orde zijnde pensioenbelangen van haar leden, gewezen werknemers van Euronext en de onderhavige belangen lenen zich voor een collectieve actie. De eerste grief in principaal appel faalt; de eerste grief in incidenteel appel slaagt.

3.5.2

De vierde en vijfde grief in principaal appel en grief twee in incidenteel appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5.3

Anders dan Euronext in het eerste onderdeel van haar vierde grief bepleit, is de norm van goed werkgeverschap (voortvloeiende uit artikel 7:611 BW) wel degelijk van toepassing op de pensioenovereenkomst als onderdeel van de arbeidsovereenkomst. Euronext dient zich dus jegens haar gewezen werknemers te gedragen als een goed werkgever, waarbij Euronext niet mag afwijken van dwingendrechtelijke bepalingen van de Pensioenwet (PW), die (ook aanvullende) regels bevat voor de pensioenovereenkomst en de ter uitvoering daarvan te sluiten UVO. VPE c.s. wijzen er terecht op dat Euronext miskent dat de PW in artikel 23 dwingend voorschrijft dat zij een UVO sluit en in stand houdt voor de opgebouwde pensioenaanspraken van haar (gewezen) werknemers en gepensioneerden. Juist omdat in de onderhavige pensioenovereenkomsten naast de nominale pensioentoezegging ook een indexatieperspectief was gegeven - verwezen wordt naar hetgeen hieromtrent hiervoor onder 2.6 is overwogen - , lag het naar het oordeel van het hof op de weg van Euronext om bij de beëindiging van de UVO met PMA een alternatief te zoeken voor de uitvoering van de gehele pensioenovereenkomst en mocht Euronext geen genoegen nemen met de overdracht door PMA aan DL van de (gekorte) nominale pensioenaanspraken en -rechten zonder indexatieperspectief. Immers - anders dan Euronext bepleit en los van het antwoord op de vraag of PMA de toeslagregeling (al dan niet rechtsgeldig) heeft gewijzigd - leidde de overdracht van de nominale pensioenaanspraken- en rechten door PMA aan DL op 31 december 2013 niet tot een (rechtsgeldige) wijziging van de op dat moment bestaande pensioenovereenkomst(en) tussen Euronext en haar (gewezen) werknemers en gepensioneerden, waaronder de leden van VPE. Dit geldt temeer nu Euronext voor de bij haar op 1 januari 2014 nog actief in dienst zijnde werknemers, van wie de bij PMA ondergebrachte pensioenaanspraken (net als de pensioenaanspraken en -rechten van de gewezen deelnemers en gepensioneerden) door PMA zijn overgedragen aan DL, een indexatiedepot heeft gevormd bij DL voor het verlenen van indexaties op hun uitgestelde pensioenaanspraken en -rechten na uitdiensttreding bij Euronext, zoals onder 2.16 uiteen is gezet. Het hof stelt vast dat de tot 1 januari 2014 in de door PMA uitgevoerde pensioenregeling opgebouwde pensioenaanspraken van de werknemers van Euronext vanaf 1 januari 2014 in artikel 2 lid 6 onder e van de CAO, in artikel 7 lid 3 onder 5 van het Reglement Pensioencommissie en in artikel 15 lid 5 van de UVO met DL gelijk worden behandeld met de na 1 januari 2014 opgebouwde pensioenaanspraken voor de toepassing van de loonindexatie tijdens de opbouwfase en prijsindexatie na uitdiensttreding of pensionering. VPE c.s. hebben terecht aangevoerd dat die bijzondere behandeling in de CAO, het reglement van de pensioencommissie en de UVO met DL niet nodig zou zijn geweest als de voor 1 januari 2014 bij PMA opgebouwde pensioenaanspraken door waardeoverdracht zouden zijn overgegaan naar DL. Nu Euronext er voor heeft gekozen om sommige gewezen deelnemers in de door PMA uitgevoerde pensioenregelingen 2006 en 2012, namelijk de op 1 januari 2014 actieven, anders te behandelen dan andere gewezen deelnemers en gepensioneerden in die pensioenregelingen, heeft Euronext niet alleen gehandeld in strijd met haar verplichtingen uit artikel 7:611 BW maar ook met het bepaalde in artikel 58 PW.

3.5.4

Anders dan Euronext bij pleidooi nog heeft betoogd, richt het verbod onderscheid te maken tussen verschillende groepen (gepensioneerde) werknemers zich ook tot de werkgever. Het is immers de werkgever die in de pensioenovereenkomst (CAO) en in de UVO met DL het in artikel 58 PW verboden onderscheid tussen actieven en niet-actieven creëert door pensioenrechten en pensioenaanspraken uit dezelfde pensioenregelingen (de door PMA voor Euronext uitgevoerde pensioenregelingen 2006 en 2012) niet voor alle daarbij betrokkenen gelijk te behandelen. Op grond van het bepaalde in artikel 58 PW is Euronext gehouden om met DL als opvolgende uitvoerder van de oorspronkelijk door PMA uitgevoerde pensioenregeling een (aanvullende) UVO af te sluiten waarin een gelijkwaardige indexatieregeling wordt vastgelegd voor alle pensioenaanspraken en -rechten van gewezen deelnemers en gepensioneerden die (nog) niet worden bestreken door de indexatieregeling in de UVO met DL voor de toekomstige opbouw na 1 januari 2014 en de indexatieregeling voor de voor 1 januari 2014 bij PMA opgebouwde pensioenaanspraken. Het zou anders wel heel eenvoudig zijn voor een werkgever om artikel 58 PW te ontduiken door aan de actieven een nieuwe pensioenregeling aan te bieden en die te laten uitvoeren door een nieuwe uitvoerder en daarbij alleen de opgebouwde aanspraken van actieven in de indexatieregeling te betrekken. Het voor overwogene geldt nog los van het antwoord op de vraag of DL door overname van de pensioenaanspraken en -rechten niet in de plaats van PMA is getreden in de laatst geldende UVO tussen Euronext en PMA. Immers, gelijk VPE c.s. terecht hebben gesteld, schrijft artikel 23 PW voor dat Euronext de door haar met haar werknemers gesloten pensioenovereenkomsten bij een toegelaten uitvoerder onderbrengt door onmiddellijk een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst te sluiten en in stand te houden. VPE c.s. stelt daarom terecht dat het op de weg van Euronext had gelegen om aan PMA te verzoeken de opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten van alle (gewezen) werknemers en gepensioneerden van Euronext over te dragen aan DL op de wijze als voorzien in artikel 83 PW. Het feit dat Euronext altijd aan haar door de certificerende actuaris goedgekeurde verplichtingen jegens PMA heeft voldaan en dat noch de deelnemersraad van PMA, noch het verantwoordingsorgaan van PMA, noch DNB bezwaren hebben gemaakt tegen de gang van zaken bij PMA en de waardeoverdracht bij liquidatie van PMA, doet niet af aan de verplichtingen van Euronext uit hoofde van de pensioenovereenkomsten tussen haar en haar (gewezen) werknemers, onder andere de leden van VPE, en haar verplichtingen uit hoofde van de artikelen 23 en 58 PW.

3.5.5

De stelling van Euronext in het tweede onderdeel van grief 4 dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid de werking van het goed werkgeverschap beperkt omdat de voorwaarden van de indexatieverlening, de voorwaarden van de beëindiging van de uitkeringsovereenkomst of de voorwaarden voor een CWO volledig zouden zijn geregeld in de pensioenovereenkomst of de PW is onjuist.

3.5.6

Euronext heeft aangevoerd dat de door haar doorgevoerde eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst met de leden van VPE gerechtvaardigd was op grond van de in het derde onderdeel van de vierde grief genoemde zwaarwegende omstandigheden, te weten:

  • -

    dat Euronext bij beëindiging van de UVO de belangen van de leden van VPE en haar actieve werknemers evenwichtig heeft afgewogen;

  • -

    dat de leden van VPE pensioen hebben opgebouwd in een eindloonregeling;

  • -

    dat Euronext onverplicht EUR 13 miljoen heeft bijgestort.

3.5.7

Ter toelichting op de eerste genoemde omstandigheid voert Euronext - kort samengevat - aan dat continuering van de uitvoering van de pensioenregeling van Euronext door PMA wegens het beëindigen van de UVO door de andere werkgevers, tot een disproportionele kostenstijging voor Euronext zou hebben geleid. Het hof volgt Euronext niet in dit betoog. Bij continuering zou Euronext immers het grootste deel van de uitvoeringskosten van PMA hebben moeten dragen. Zoals VPE c.s. hebben gesteld, ziet Euronext daarbij over het hoofd dat zij er zelf in de UVO voor had gekozen om een evenredig deel van de jaarlijkse uitvoeringskosten voor haar rekening te nemen volgens een andere verdeelsleutel dan haar aandeel in de TV en dat daarom PMA in haar TV maar een kostenopslag van 2% had opgenomen, in plaats van een kostenopslag van 5%, die wel vereist was bij zelfstandige voortzetting van PMA. Zoals VPE c.s. terecht hebben gesteld brengt ook DL uitvoeringskosten in rekening bij en na overname van die verplichtingen van PMA en zal die in de overnamekoopsom hebben verdisconteerd. Als het hof er eenvoudigheidshalve van uitgaat dat die uitvoeringskosten van DL vergelijkbaar waren met de 5% die PMA als kostenopslag in haar TV moest aanhouden, was er dus ten tijde van de overdracht sprake van een tekort van 3% van de over te dragen TV. Dat vormt dan naar het hof met VPE c.s. aanneemt een belangrijke reden dat er uiteindelijk 1,55% korting op de pensioenaanspraken resteerde. De door Euronext in dit verband aangevoerde dekkingsgraadproblematiek bij PMA was al bekend in 2008 en 2009 en had toen juist geleid tot aanvullende financiële afspraken waarbij Euronext onder meer op zich heeft genomen om een extra opslag van 10% op de premie te betalen tot de dekkingsgraad zou zijn hersteld. Euronext draagt naar het oordeel van het hof geen bewijs aan van de stelling dat zij er een zwaarwegend belang bij had om een einde te maken aan haar verplichting om de jaarlijkse uitvoeringskosten van PMA te dragen en om 10% opslag op de premie te betalen. Integendeel, het feit dat Euronext wel een indexatiedepot heeft gevormd in de nieuwe UVO met DL voor de actieve deelnemers bewijst dat Euronext wel over middelen beschikt om indexatie van pensioenen te bekostigen.

3.5.8

Ter nadere onderbouwing van de hiervoor in 3.5.6 ad 2 genoemde omstandigheid voert Euronext aan dat de leden van VPE in het verleden veel hogere pensioenrechten opbouwden (met een eindloontoezegging, een hoger opbouwpercentage en indexatie) dan de huidige werknemers. Daarom zou het objectief gerechtvaardigd zijn dat Euronext voor de werknemers die op 1 januari 2014 en daarna actief waren wel een depot heeft gevormd voor indexatieregelingen om hen aldus te compenseren voor de versobering van de pensioenregeling en voor de leden van VPE niet. Het hof volgt Euronext niet in dit betoog. Euronext heeft de pensioenregeling per 1 januari 2012 aangepast maar in de aangepaste UVO 2012/2013 geen extra premiecomponent afgesproken met PMA voor een compensatieregeling. Zonder een extra bijdrage werd dus de oorspronkelijke ruimte aan overrendement die mede bestemd was voor de reeds bestaande indexatieregeling voor pensioenaanspraken en -rechten van slapers en gepensioneerden (waaronder de leden van VPE) gedeeltelijk toegerekend aan de actieven. Voor die wijziging draagt Euronext onvoldoende argumenten aan. Dat Euronext dat later, in 2013, ‘gerepareerd’ heeft door in de UVO met DL wel een apart depot op te nemen voor een indexatieverlening op de pensioenaanspraken van de actieven zo lang zij in dienst bleven, doet daar niet aan af. Hier geldt, zoals hiervoor onder 3.5.7 ook werd overwogen dat Euronext het indexatiedepot bij DL mede heeft gevormd voor de ‘slapersrechten’ van haar actieven in het PMA-contract van DL, hetgeen als een gerechtvaardigde compensatie voor die actieven kan worden gezien (alle opgebouwde aanspraken van actieven worden dan immers gelijk behandeld gedurende het dienstverband), maar ook voor alle pensioenaanspraken van haar gewezen deelnemers en gepensioneerden na uitdiensttreding na 1-1-2014. Juist op dat punt is de indexatieregeling in strijd met het gebod van artikel 58 PW (zie 3.5.4).

3.5.9

In 3.5.6 ad 3 voert Euronext aan dat zij onverplicht bedragen van € 1.360.000,- en € 11.759.437,- heeft betaald aan PMA en een aantal jaren een opslag van 10% op de jaarpremie en dat de kantonrechter daar ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden bij haar oordeel. Het hof volgt Euronext daarin niet omdat de beide eenmalige betalingen en de 10% opslag het resultaat zijn van onderhandelingen tussen Euronext en PMA als voorzien in de UVO ter uitvoering van de (ongewijzigde) pensioenovereenkomsten 2006 en 2012. Uit niets blijkt dat Euronext heeft bedongen dat in ruil voor die aanvullende bijdragen de indexatieregeling voor de leden van VPE (en andere gerechtigden) in de pensioenovereenkomsten, de UVO en de pensioenreglementen zou vervallen. Dat staat nog los van het feit dat uit de afspraken van Euronext met DL voor de actieven na 1 januari 2014 volgt dat de indexatietoezegging voor de actieven per die datum niet is vervallen en zelfs werd versterkt met een direct bij het aangaan van de UVO met DL bij DL voor dat doel gevormd depot. Hoe dan ook geldt dat Euronext de overeengekomen extra bijdrageverplichting van 10% had moeten blijven betalen zo lang PMA in dekkingstekort verkeerde en dat zij de bijdrage in de uitvoeringskosten van PMA voor de tot 1 januari 2014 opgebouwde pensioenrechten en -aanspraken eenzijdig heeft beëindigd voor de toekomst.

3.5.10

Samenvattend is het hof van oordeel dat Euronext zich niet als goed werkgever heeft gedragen door zich eenzijdig te onttrekken aan de verplichtingen uit hoofde van de pensioenovereenkomst met de leden van VPE en de ter uitvoering daarvan gesloten UVO, terwijl de hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende zwaarwegend waren om de eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst en de UVO te rechtvaardigen. Daarnaast heeft Euronext niet aangetoond dat aanvaarding van de wijziging van de pensioenovereenkomst en de UVO in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de leden van VPE gevergd kon worden. Tenslotte past Euronext vanaf 1 januari 2014 een aangepaste indexatieregeling voor haar actieven toe die zij volgens het gebod van artikel 58 PW ook zou hebben moeten toepassen op de pensioenaanspraken en -rechten van haar gewezen werknemers en gepensioneerden, waaronder de leden van VPE.
Hiermee falen alle onderdelen van de vierde grief van Euronext.

3.5.11

Grief 5 van Euronext richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Euronext tekort is geschoten in de nakoming van de pensioenovereenkomst omdat de wijziging van de indexatiebepaling onrechtmatig is. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot grief 4, faalt ook de vijfde grief. Euronext gaat er ten onrechte van uit dat alleen PMA de indexatieregeling kon wijzigen, omdat de indexatietoezegging van Euronext in de pensioenovereenkomsten met het tot stand komen van de UVO zou zijn overgedragen aan PMA. PMA voert de indexatieregeling in de pensioenovereenkomsten echter alleen maar uit en heeft die overgenomen in haar pensioenreglement en mede langs die weg maakt de indexatieregeling op zich weer deel uit van de pensioenovereenkomst.

3.5.12

Met grief 2 in incidenteel appel stelt VPE c.s. vervolgens ter discussie of de op Euronext rustende zorgplicht uitsluitend voortvloeit uit de verplichting uit goed werkgeverschap (7:611 BW), zoals de kantonrechter in overweging 11 heeft geoordeeld. Mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen inzake de vierde en vijfde grief in principaal appel, stelt VPE c.s. terecht dat de samenhang tussen de pensioenovereenkomst, de ter uitvoering daarvan gesloten UVO met PMA en de vastlegging van de verplichtingen van PMA tegenover haar (gewezen) deelnemers en gepensioneerden in de pensioenreglementen 2006 en 2012, er toe leidt dat Euronext – naast de uit goed werkgeverschap voortvloeiende zorgplicht en naast het gebod van gelijke behandeling – op grond van de pensioenovereenkomst gehouden was om aan PMA al die betalingen te (blijven) verrichten die nodig waren om de pensioenovereenkomst na te komen. Het gaat dan om betaling van (1) de met PMA overeengekomen premieopslag van 10% van de verschuldigde premie voor de basispensioenregeling tot dat volledige indexatie, zowel voor de actieven als voor de slapers en gepensioneerden, weer mogelijk zou zijn en kortingen ongedaan zouden zijn gemaakt, (2) de uitvoeringskosten voor de tot 1 januari 2014 opgebouwde pensioenrechten en -aanspraken en (3) eventuele andere incidentele betalingen. Euronext is – naar het hof uit de feitelijke gang van zaken afleidt – op dezelfde grondslagen met haar nieuwe pensioenuitvoerder DL een indexatiedepot overeengekomen waarin zij een eenmalige storting heeft gedaan en Euronext betaalt aan DL alle uitvoeringskosten.

3.5.13

Het door Euronext in het incidentele appel gevoerde verweer dat de verplichtingen uit hoofde van de UVO niet geïncorporeerd zijn in de individuele pensioenovereenkomsten van Euronext of de pensioenreglementen van PMA, gaat niet op omdat Euronext de pensioenovereenkomsten juist nakomt door de afspraken die zij heeft gemaakt in de UVO en daarvan afgeleide afspraken. Aan die verplichting tegenover VPE c.s. is geen einde gekomen door de opzegging van de UVO met PMA. De voor 1 januari 2014 gewezen werknemers en gepensioneerden, waaronder de leden van VPE, hebben er net als de werknemers, gewezen werknemers en gepensioneerden van Euronext na 1 januari 2014 recht en belang bij dat Euronext zodanige betalingen verricht aan een pensioenuitvoerder (bijvoorbeeld DL) dat de korting van 1,55% op hun pensioenen ongedaan wordt gemaakt en hun indexatieverwachting door die pensioenuitvoerder gestand wordt gedaan op dezelfde wijze als PMA dat zou hebben kunnen doen bij doorlopende ontvangst van de tussen Euronext en PMA overeengekomen betalingen (buiten de premie voor toekomstige opbouw van pensioen en de uitvoeringskosten daarvoor die door Euronext al worden betaald aan DL en in aanvulling op de indexatie koopsommen of premies die Euronext al heeft gestort bij DL). Juist omdat Euronext eenzijdig een einde heeft gemaakt aan die UVO, kan zij tegenover VPE c.s. geen beroep doen op beëindigingsvoorwaarden in de UVO, zoals zij in onderdeel 5 van haar verweer in het incidentele appel doet. Grief 2 in incidenteel appel treft dus doel.

3.5.14

Met grief 2 in principaal appel bestrijdt Euronext dat er sprake is van schade als gevolg van de beëindiging van de UVO. VPE c.s. stellen daartegenover terecht dat het voor de toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Die mogelijkheid is voldoende aannemelijk. Euronext gaat er in haar betoog ten onrechte aan voorbij dat bij ongestoorde voortzetting van de UVO zij jaarlijks 10% van de jaarlijkse premie had moeten voldoen aan PMA tot de dekkingsgraad was hersteld, waardoor er perspectief zou komen op indexatie uit het eigen vermogen boven de TV en het MVEV, zoals VPE c.s. hebben gesteld. Volgens het geldende indexatiebeleid zou PMA immers al gedeeltelijke indexaties hebben verleend op de opgebouwde pensioenaanspraken van de actieven (loonindex) en van de slapers en op de pensioenrechten van de gepensioneerden (prijsindex tot maximaal 6%) bij een dekkingsgraad boven 105%. Totdat het volledige vereist eigen vermogen (VEV) zou zijn bereikt moest Euronext 10% premieopslag betalen, ook als het overrendement van PMA zou worden gebruikt voor (gedeeltelijke) indexering. Door de beëindiging van de UVO en het niet overeenkomen van een alternatief met DL, heeft Euronext de kans op overrendement en daarmee de mogelijkheid tot indexatieverlening tot nihil teruggebracht. Euronext stelt dat al voor 1 januari 2014 duidelijk was dat PMA niet kon herstellen, maar die stelling heeft zij niet onderbouwd. VPE c.s. stelt terecht dat als Euronext zich had gehouden aan de verplichtingen uit de pensioenovereenkomsten (2006 en 2012) en de ter uitvoering daarvan gesloten UVO, het indexatieperspectief zou zijn blijven bestaan. Het illusoir maken van dat indexatieperspectief door beëindiging van de UVO kan leiden tot schade.

3.5.15

Euronext heeft kennelijk onderkend dat haar actieve werknemers (ook) schade zouden ondervinden en daarvoor een oplossing getroffen. Zoals het hof heeft overwogen onder 3.5.4, overtreedt Euronext met die oplossing het gebod van artikel 58 PW. De in 5.8 en 5.9 van de MvG door Euronext geciteerde dwingendrechtelijke regels voor indexatie (artikel 15 Besluit FTK), die de kans op indexatie zouden beperken, dateren van na 2014 en waren derhalve niet van toepassing in 2012/2013, zodat Euronext daar geen beroep op kan doen. Grief 2 in principaal appel faalt.

3.5.16

Met haar derde grief voert Euronext aan dat de kantonrechter in zijn oordeel ten onrechte is uitgegaan van een causaal verband tussen het besluit van Euronext om de UVO te beëindigen en niet te kiezen voor een waardeoverdracht naar haar nieuwe pensioenuitvoerder DL en het verloren gaan van het indexatieperspectief. Volgens Euronext is dat perspectief verloren gegaan door het liquidatiebesluit van PMA en het besluit van PMA tot een CWO aan DL. Hiervoor is reeds overwogen dat de besluiten van Euronext om (i) de UVO met PMA niet te continueren (maar in zee te gaan met DL), (ii) de opgebouwde pensioenaanspraken van al haar (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden niet te laten overdragen aan DL en (iii) een indexatieregeling in stand te houden voor haar per 1-1-2014 aanwezige actieven, onaanvaardbare wijzigingen inhouden van de pensioenovereenkomsten.. Ten gevolge van die beslissingen werd PMA, zoals VPE c.s. ook heeft gesteld, gedwongen te besluiten tot liquidatie en tot CWO aan DL. Euronext weigerde immers nog langer (herstel)betalingen te verrichten en de uitvoeringskosten te betalen zoals in de UVO overeengekomen. Ook de derde grief van Euronext faalt.

3.5.17

Volgens de toelichting bij grief 6 in principaal appel zou de gevorderde verklaring voor recht van VPE c.s. onvoldoende bepaalbaar zijn en had de Kantonrechter deze daarom niet mogen toewijzen. Uit al het voorgaande blijkt genoegzaam dat de vordering voldoende bepaalbaar is, zodat ook deze grief van Euronext faalt.

3.5.18

Met de derde grief in incidenteel appel stellen VPE c.s. het oordeel van de kantonrechter onder 12 ter discussie dat VPE c.s. jegens Euronext geen beroep op nakoming toekomt van de UVO’s met PMA omdat de leden van VPE geen partij zijn bij de UVO.
Met VPE c.s. is het hof van oordeel dat de UVO’s tussen Euronext en PMA een begunstiging inhouden van de deelnemers in de pensioenregelingen, als bedoeld in artikel 6:253 BW. Euronext miskent in haar verweer dat die begunstiging direct voortvloeit uit het systeem van de PW, dat in beginsel meebrengt dat de werknemers van Euronext, anders dan geoordeeld door de kantonrechter, na aanvaarding van het derdenbeding partij bij de uitvoeringsovereenkomst zijn (art. 6:254 lid 1 BW). Toetreding door een werknemer tot een pensioenovereenkomst houdt een aanvaarding van het derdenbeding in de UVO in. Daarom is de pensioenuitvoerder verplicht om de werknemer op te nemen als deelnemer in de pensioenregeling en aan die werknemer pensioenaanspraken toe te kennen conform het van toepassing zijnde pensioenreglement.
Al hetgeen Euronext in haar verweer in het incidentele appel naar voren brengt gaat voorbij aan het hiervoor overwogene dat juiste nakoming van de pensioenovereenkomst tevens inhoudt juiste nakoming van de UVO. Anders dan Euronext stelt is Euronext met PMA (aanvullende) betalingsverplichtingen overeengekomen die er toe strekten dat PMA de pensioenovereenkomsten kon uitvoeren. Daarmee is er direct een verband met de nakoming van de voorwaardelijke indexatieregeling in de pensioenovereenkomst, maar ook met de nakoming van de onvoorwaardelijke pensioentoezegging zonder korting van opgebouwde pensioenaanspraken.

3.5.19

Met betrekking tot grief 1 in incidenteel appel is het hof met VPE c.s. van oordeel dat het in de schadestaatprocedure gaat om de vaststelling van relevante feiten en omstandigheden die voor alle leden van VPE, waaronder [X] c.s., gelijk zijn, zodat er geen belemmering is om de schade van alle leden in één schadestaatprocedure op te maken. Dit is ook een logisch vervolg op de door de kantonrechter toegewezen verklaring voor recht dat Euronext jegens de leden van VPE aan wie een voorwaardelijke indexatie is toegezegd toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van hun pensioenovereenkomsten. Nu de grieven van Euronext gericht tegen de toewijzing van de verklaring voor recht en de verwijzing naar de schadestaat procedure worden afgewezen, leidt dat er toe dat in de schadestaatprocedure de schade kan worden vastgesteld van alle leden van VPE, waaronder [X] c.s.. Het daartegen gerichte verweer van Euronext in het incidentele appel gaat er op voorhand van uit dat het in de schadestaat procedure zal gaan om vaststelling van een vervangende schadevergoeding in geld. Het hof kan dat verweer van Euronext, mede gezien het door VPE c.s. gestelde, niet volgen omdat de rechter in de schadestaatprocedure Euronext ook kan veroordelen vastgestelde schade ongedaan te maken, bijvoorbeeld door alsnog de aan de actieve werknemers in het vooruitzicht gestelde indexatie op vóór 1 januari 2014 opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten na uitdiensttreding toe te kennen aan de vóór 1 januari 2014 uit dienst getreden werknemers, dan wel door een eenmalige storting te doen bij een pensioenuitvoerder.. Ook de eerste grief in incidenteel appel slaagt.

3.6

Concluderend is het hof van oordeel dat de grieven van Euronext in het principale appel niet slagen en de grieven van VPE c.s. in het incidentele appel wel. Het vonnis waarvan beroep zal bij het eindarrest worden bekrachtigd voor zover het het dictum onder II, IV en V betreft. VPE c.s. wordt wel ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat.

3.7

Of de vordering strekkende tot veroordeling van Euronext tot het aangaan van een nieuwe uitvoeringsovereenkomst toewijsbaar is of dat toewijzing van de subsidiair of meer subsidiair toegewezen vordering moet worden toegewezen, kan eerst worden beslist nadat de hieronder bedoelde nadere inlichtingen van partijen zijn verkregen.

3.8

De in de CAO 2014 en (a) het ter uitwerking daarvan opgestelde reglement van de pensioencommissie en (b) de ter uitvoering daarvan in artikel 15 van de UVO tussen Euronext en DL geformuleerde toeslagregeling voor gewezen deelnemers, premievrijgestelden en pensioengerechtigden, wijkt inhoudelijk niet af van de toeslagregeling in het pensioenreglement 2006 en zou hetzelfde pensioenresultaatkunnen opleveren voor de leden van VPE als in het vooruitzicht gesteld in pensioenreglement 2006 en de ter uitvoering daarvan gesloten UVO tussen Euronext en PMA, thans DL.
Uit hetgeen Euronext en VPE c.s. over en weer hebben gesteld kan het hof niet afleiden (i) of de leden van VPE – en onder welke voorwaarden - akkoord zouden kunnen gaan met de toeslagregeling in de CAO 2014 en de uitvoering daarvan door DL, ter vervanging van de toeslagregeling in pensioenreglement 2006, en (ii) of - en onder welke voorwaarden - Euronext, respectievelijk DL, bereid zijn om de toeslagregeling in de CAO 2014 ook toe te passen op de tot 1 januari 2014 bij PMA opgebouwde pensioenaanspraken en rechten van de op 1 januari 2014 gewezen werknemers en pensioengerechtigden, waaronder de leden van VPE, met een aanpassing van een UVO met DL en aanvullende stortingen in het toeslagdepot voor de uitvoering van zo’n toeslagregeling.
Meer in het bijzonder wenst het hof door Euronext in samenwerking met Delta Lloyd als de huidige en toekomstige pensioenuitvoerder te worden geïnformeerd over (iii) de eenmalige koopsom die nodig is om de nog resterende korting van 1,55% met terugwerkende kracht tot 1-1-2014 ongedaan te maken en hoe die koopsom zich in procenten van de overgenomen TV verhoudt tot de kosten van beheer en uitvoering die DL heeft verwerkt in de aan PMA in rekening gebrachte koopsom voor de overgenomen verplichtingen jegens actieven, slapers en gepensioneerden van Euronext en in de premie voor toekomstige opbouw, (iv) de benodigde jaarlijkse premie, tot een maximum van 10% van de jaarpremie voor de toekomstige opbouw van actieven, en de maximale duur in jaren van die premiebetaling om een depot te vormen voor een toekomstbestendige toeslagverlening conform artikel 15 lid 2 van de UVO tussen Euronext en DL, toegepast op alle van PMA overgenomen verplichtingen met terugwerkende kracht tot 1-1-2014, en (v) het maximaal te vormen en aan te houden depot dat, rekening houdend met het naar verwachting door DL toe te voegen rendement uit de pensioenregeling en de depot belegging, waarborgt dat er een consistent geheel is tussen de gewekte verwachtingen, de financiering en het realiseren van voorwaardelijke toeslagen, als bedoeld in artikel 95 PW waarbij volledige toeslagverlening aan actieve deelnemers en slapers en gepensioneerden naar verwachting mogelijk is.

3.9

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van beide partijen als bedoeld onder 3.8, waarna VPE c.s. eveneens bij akte op de daar bedoelde opgaven kan reageren.

3.10

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 25 juni 2019 voor akte aan de zijde van beide partijen als hiervoor onder 3.8 (i) en (ii) bedoeld. Euronext dient bij die gelegenheid tevens de opgaven van DL als hiervoor onder 3.8 (iii) tot en met (v) aangeduid in het geding te brengen;

bepaalt dat VPE c.s. vervolgens ter rolle van 23 juli 2019 bij akte op de opgaven van Euronext als hiervoor onder 3.8 (iii) tot en met (v) kan reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, A.M.A. Verscheure en A.C.M. Kuypers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.