Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1383

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2019
Datum publicatie
23-04-2019
Zaaknummer
200.237.340/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORARL:2018:11, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Klagers verwijten de notaris - kort gezegd - dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het testament en het levenstestament van de testateur. De notaris heeft de indicatoren zoals benoemd in het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening niet gesignaleerd en daardoor geen passende maatregelen genomen. Volgens klagers heeft de notaris ondanks de aanwezigheid van een viertal indicatoren nagelaten de wilsbekwaamheid van de testateur nader te onderzoeken. De notaris is tekortgeschoten in zijn zorg- en ambtsverplichtingen het nodige te doen om te voorkomen dat hij akten passeert op basis van verklaringen die zijn afgelegd door personen die niet in staat waren om in vrijheid hun wil te vormen en te uiten. De kamer heeft de klacht van klagers gegrond verklaard en de notaris ter zake daarvan de maatregel opgelegd van schorsing in het ambt van notaris voor de duur van twee weken. Het hof verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun nieuwe klachten, vernietigt de bestreden beslissing en verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun klacht voor zover deze betrekking heeft op het levenstestament van de testateur. Dat klagers enig redelijk belang hebben bij hun klacht ten aanzien van het levenstestament is niet (voldoende) gesteld of gebleken. Voor zover de klacht ziet op het testament van de testateur, is het hof van oordeel dat klagers daarbij enig redelijk belang hebben, nu uit het feit dat klagers erfgenamen bij versterf zijn, hun betrokkenheid bij het testament van de testateur voortvloeit. Het hof verklaart de klacht gegrond voor zover de notaris de testateur op 1 april 2016 niet in afwezigheid van derden heeft gesproken over het testament, legt de notaris ter zake daarvan de maatregel van berisping en verklaart de klacht voor het overige ongegrond. Kostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 99
Wet op het notarisambt 107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0102
TT 2019/37 met annotatie van Maaldrink, G.L.
JERF 2019/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.237.340/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/329971/KL RK 17-200

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 16 april 2019

inzake

mr. [naam] ,

notaris te [plaats] ,

appellant,

gemachtigde: mr. L.H. Rammeloo, advocaat te Amsterdam,

tegen

1. [naam] ,

2. [naam] ,

3. [naam] ,

allen wonend te [plaats] ,

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: de notaris) heeft op 16 april 2018 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 19 maart 2018 (ECLI:NL:TNORARL:2018:11). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van geïntimeerden (hierna: klagers) gegrond verklaard en de notaris ter zake daarvan de maatregel opgelegd van schorsing in het ambt van notaris voor de duur van twee weken.

1.2.

De notaris heeft op 25 mei 2018 een aanvullend beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.3.

Klagers hebben op 19 juli 2018 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.4.

De notaris heeft op 29 oktober 2018 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2018. De notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, en klagers zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de notaris en klager sub 2 ieder aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Waar nodig aangevuld met andere feiten die in dit geding zijn gebleken, gaat het in deze zaak - kort gezegd - om het volgende.

3.2.1.

Klaagster sub 3 is een zuster van [testateur] . Klagers sub 1 en sub 2 zijn neven van [testateur] ; klaagster sub 3 is hun moeder. [A] is een andere zuster van [testateur] (hierna: de zuster). [B] (hierna: de neef) is de zoon van de zuster. [testateur] is alleenstaand en heeft geen kinderen. [testateur] was ten tijde hier van belang ongeveer 72 jaar oud.

3.2.2.

Eind maart 2016 heeft de neef telefonisch contact opgenomen met (het kantoor van) de notaris en te kennen gegeven dat [testateur] een testament wilde opstellen.

3.2.3.

Op vrijdag 1 april 2016 heeft de notaris [testateur] thuis bezocht voor een bespreking. Tijdens deze bespreking waren de zuster en de neef eveneens aanwezig in de woning van [testateur] ; de zuster in de keuken en de neef in de kamer waar de bespreking plaatsvond. De notaris had een concept-minuutakte van het testament bij zich. Deze concept-minuutakte is niet voorafgaand aan deze bespreking naar [testateur] gestuurd. Tijdens de bespreking bleken de wensen van [testateur] af te wijken van hetgeen in de concept‑minuutakte stond vermeld. De notaris heeft de gewenste wijzigingen genoteerd. Tevens heeft de notaris met [testateur] de mogelijkheden van een levenstestament besproken.

3.2.4.

Na de bespreking van 1 april 2016 heeft de notaris het testament aangepast en een levenstestament opgesteld.

3.2.5.

Op maandag 4 april 2016 heeft de notaris [testateur] thuis bezocht waar een tweede bespreking heeft plaatsgevonden. De neef heeft de notaris in de woning van [testateur] binnengelaten. De notaris had van zowel het testament als het levenstestament een exemplaar met vignet en een meeleesexemplaar voor [testateur] bij zich. Het testament en het levenstestament zijn aansluitend aan deze bespreking ten overstaan van de notaris ondertekend. [testateur] heeft de factuur voor de diensten van de notaris contant betaald.

3.2.6.

Begin 2017 hebben klagers contact opgenomen met de notaris om over de beide testamenten te spreken, waarop de notaris diverse gesprekken met klagers heeft gevoerd.

3.2.7.

Op 3 mei 2017 heeft de notaris samen met zijn kandidaat‑notaris [testateur] thuis bezocht om de inhoud van de testamenten nogmaals met hem te bespreken.

4 Standpunt van klagers

Klagers verwijten de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het testament en het levenstestament van [testateur] . De notaris heeft de indicatoren zoals benoemd in het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening (hierna: het Stappenplan) niet gesignaleerd en daardoor geen passende maatregelen genomen, in het bijzonder:

- indicator 1: het initiatief voor het verzoek tot dienstverlening komt van een ander dan de cliënt.

In dit verband voeren zij aan dat de neef de notaris heeft benaderd, dat [testateur] geen schriftelijke overeenkomst met de notaris heeft gesloten door het accepteren van een opdrachtbevestiging of een offerte en dat nimmer een opdrachtbevestiging of een offerte is opgemaakt. Bovendien was er geen spoed, zodat de notaris niet zonder een getekende opdrachtverstrekking met de uitvoering hoefde te beginnen. [testateur] diende € 750,- contant te betalen hoewel hij geen schriftelijke overeenkomst met de notaris had gesloten, aldus klagers.

- indicator 2: er bestaan twijfels over de weloverwogenheid van een gedaan verzoek.

Volgens klagers was [testateur] niet op de hoogte van de komst van de notaris op 1 april 2016; het bevreemdt dat iemand die uit vrije wil een (levens)testament wil laten opstellen, niet daarvan op de hoogte is.

- indicator 3: de instructies voor de inhoud van de akte zijn door anderen dan de cliënt vastgelegd.

Klagers voeren in dit verband - kort gezegd - aan dat [testateur] de notaris niet alleen heeft gesproken, maar dat de zuster en de neef bij alle gesprekken aanwezig zijn geweest. Tevens had de notaris al de concept-minuutakte van het testament bij zich zonder [testateur] te hebben gesproken. [testateur] heeft niet de mogelijkheid gehad om de inhoud van het (levens)testament tot zich te nemen. Bovendien is de notaris niet lang in de woning van [testateur] geweest en kan hij in die korte tijd niet hebben vastgesteld dat [testateur] wilsbekwaam was en dat hij kennis heeft genomen van de inhoud van de stukken.

Volgens klagers had bij de notaris dan ook gerede twijfel moeten ontstaan over beïnvloeding door derden, ten eerste omdat de neef de notaris heeft benaderd voor het opstellen van het (levens)testament en niet [testateur] zelf, ten tweede omdat de neef in het levenstestament als gevolmachtigde wordt benoemd en ten derde omdat de volmachten per direct zijn ingegaan.

- indicator 4: indien de tijdspanne tussen het verzoek tot het opmaken van het (levens)testament en het verlijden daarvan zeer kort is zonder medische noodzaak.

Klagers voeren in dit verband aan dat er geen medische spoed was en er een bijzondere reden moet zijn geweest om het bezoek op vrijdag 1 april 2016 te plannen en vervolgens op de eerstvolgende werkdag, maandag 4 april 2016, terug te komen voor de ondertekening van de akten.

Volgens klagers heeft de notaris ondanks de aanwezigheid van deze indicatoren nagelaten de wilsbekwaamheid van [testateur] nader te onderzoeken. De notaris is tekortgeschoten in zijn zorg- en ambtsverplichtingen om het nodige te doen om te voorkomen dat hij akten passeert op basis van verklaringen die zijn afgelegd door personen die niet in staat waren om in vrijheid hun wil te vormen en te uiten. De notaris had volgens klagers een deskundige moeten inschakelen om de wilsbekwaamheid van [testateur] te beoordelen. De notaris heeft niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwame notaris mag worden verwacht, aldus klagers.

5 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Ontvankelijkheid

6.1.

Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 99, lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) kan ieder die daarbij enig redelijk belang heeft een klacht indienen. Het begrip ‘enig redelijk belang’ moet ruim worden opgevat. De wetsgeschiedenis vermeldt hieromtrent:

“(…) Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en -regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met het taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd; ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep. (…)” (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 26-27).

6.2.

Voor zover de klacht van klagers ziet op het testament van [testateur] , is het hof van oordeel dat klagers daarbij enig redelijk belang hebben, nu uit het feit dat klagers erfgenamen bij versterf zijn, hun betrokkenheid bij het testament van [testateur] voortvloeit.

Dat klagers enig redelijk belang hebben bij hun klacht ten aanzien van het levenstestament van [testateur] is echter niet (voldoende) gesteld of gebleken. De enkele omstandigheid dat klaagster sub 3 voor [testateur] zorgt, in die zin dat zij voor hem kookt en schoonmaakwerkzaamheden verricht, acht het hof in dit verband onvoldoende. Voor zover de klacht van klagers ziet op het levenstestament van [testateur] , is het hof dan ook van oordeel dat klagers daarbij geen redelijk belang hebben.

Gelet op het vorenstaande acht het hof klagers ontvankelijk in hun klacht voor zover deze betrekking heeft op het testament van [testateur] en zullen klagers niet-ontvankelijk worden verklaard in hun klacht voor zover deze betrekking heeft op het levenstestament van [testateur] .

Inhoudelijk

6.3.

Aan de orde is of de notaris gerede twijfel had moeten hebben aan de wilsbekwaamheid van [testateur] en of de notaris overigens onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het testament van [testateur] .

Wilsbekwaamheid

6.4.

De notaris betoogt dat het primaat van de beoordeling van de wilsbekwaamheid van [testateur] bij hem lag en dat alleen indien daarover twijfel bestaat, de overige stappen uit het Stappenplan waaronder de aanwezigheid van eventuele indicatoren, dienen te worden nagelopen. Het Stappenplan biedt hiervoor slechts een ‘handreiking’, aldus de notaris.

Op basis van zijn waarneming in de gesprekken van 1 en 4 april 2016 heeft de notaris geen twijfel gehad over de wilsbekwaamheid van [testateur] . De notaris heeft daartoe aangevoerd dat [testateur] tijdens het gesprek op 1 april 2016 stellig, duidelijk en consequent was in zijn instructies en wensen. Gezien de duidelijke wensen van [testateur] en zijn ontspannen houding tijdens het gesprek had de notaris de indruk dat [testateur] vrij vertelde wat hij wilde en dat het initiatief voor de bespreking bij [testateur] zelf lag. [testateur] kon zijn wensen over de verdeling van zijn nalatenschap op een logische wijze beredeneren en verwoorden. Tekenend voor de - kennelijke - scherpte van geest van [testateur] was volgens de notaris dat [testateur] bij zijn instructie om ook legaten op te nemen uit zijn hoofd de volledige namen, geboortedata en -plaatsen van de legatarissen kon opnoemen.

Tevens wist [testateur] exact wat de omvang van zijn vermogen was en hoe hij daarover wilde beschikken. [testateur] had een goed inzicht in zijn financiële verplichtingen en voerde zelf zijn financiële administratie. Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris nog toegelicht dat [testateur] met aandacht naar hem luisterde, ook na het stellen van vragen door de notaris niet afweek van zijn wensen en met zijn lichaamshouding liet zien dat hij wist waar het over ging. Bovendien overzag [testateur] de gevolgen van de erfbelasting en heeft [testateur] hem nog gecorrigeerd op rekenkundig gebied, aldus de notaris.

6.5.

Tegenover het standpunt van de notaris hebben klagers aangevoerd dat het de neef was die contact heeft opgenomen met de notaris en heeft doorgegeven welke wensen [testateur] met betrekking tot zijn testament had. De notaris heeft nooit alleen, onder vier ogen, met [testateur] gesproken. [testateur] is een alleenstaande, kwetsbare man op leeftijd, die lijdt aan schizofrenie. Hij komt moeilijk uit zijn woorden en antwoordt alleen met “ja” en “nee”. [testateur] is - naar ook de notaris ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard - een zonderling die woont in een slecht onderhouden woning. Voorts wordt [testateur] al ruim 30 jaren door zijn zusters verzorgd, onder wie klaagster sub 3 en de zuster. [testateur] leeft als een kluizenaar. Bovendien heeft de notaris nagelaten getuigen mee te nemen. Klagers handhaven dan ook hun standpunt dat er voldoende aanknopingspunten voor de notaris waren om de wilsbekwaamheid van [testateur] nader te onderzoeken.

6.6.

Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat iedereen aan wie op grond van de wet de bekwaamheid daartoe niet is ontzegd, bij testament uiterste wilsbeschikkingen kan maken. Een notaris dient daaraan in beginsel zijn ministerie te verlenen en moet op verlangen van een testateur doen wat is vereist om diens uiterste wilsbeschikkingen in een testament vast te leggen. Zoals bij elke akte moet de notaris de wilsbekwaamheid van de betrokkene beoordelen. Het komt daarbij in eerste instantie aan op de eigen waarneming van de notaris, die daarbij een redelijke beoordelingsvrijheid toekomt. Bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid is in het algemeen verder onderzoek aangewezen. Het Stappenplan biedt hiervoor een handreiking.

6.7.

Onweersproken door klagers is dat de notaris niet ervan op de hoogte was dat [testateur] volgens hen aan schizofrenie lijdt, nog daargelaten de juistheid van die stelling.

Het hof is voorts van oordeel dat de omstandigheid dat [testateur] in een slecht onderhouden woning woont, op zichzelf niets zegt over zijn geestesgesteldheid. Hetzelfde geldt voor de door klagers gestelde omstandigheid dat [testateur] jarenlang door zijn zusters is verzorgd, nu die verzorging - naar klagers zelf stellen - ziet op het koken van maaltijden en schoonmaakwerkzaamheden. Bovendien kookt [testateur] volgens klagers zelf zijn maaltijden op de dagen dat klaagster sub 3 en de zuster er niet zijn. Het hof ziet in hetgeen klagers hebben aangevoerd, geen aanleiding om vraagtekens te plaatsen bij het hiervoor onder 6.4 vermelde relaas van de notaris omtrent zijn waarnemingen.

In het licht hiervan is de enkele omstandigheid dat de neef de desbetreffende afspraak met de notaris heeft gemaakt, naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan te nemen dat de notaris onvoldoende alert is geweest op de wilsbekwaamheid van [testateur] .

Op grond van het voorgaande acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de notaris geen aanleiding had om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van [testateur] . De notaris had dan ook geen reden om het Stappenplan te volgen en nader onderzoek te doen naar de wilsbekwaamheid van [testateur] .

De in het geding gebrachte geluidsopnamen en transcripties zien op gesprekken die dateren van een half tot ruim anderhalf jaar na 1 of 4 april 2016 en die tussen [testateur] en (één van) klagers hebben plaatsgevonden. Voor zover deze geluidsopnamen en transcripties al een ander licht zouden werpen op de wilsbekwaamheid van [testateur] , is het nog maar de vraag of daaruit volgt dat de notaris op 1 of 4 april 2016 gerede twijfel daaraan had moeten hebben. Hetgeen [testateur] op een later moment jegens (één van) klagers verklaart, zegt nog niets over hetgeen [testateur] aan de notaris heeft verteld. Reeds om die reden bieden deze geluidsopnamen en transcripties geen voor de beoordeling van deze klacht relevante informatie over de geestesgesteldheid van [testateur] zoals op 1 en 4 april 2016 waargenomen door de notaris en zijn deze derhalve in dit kader niet relevant.

Anders dan de kamer acht het hof de klacht in zoverre ongegrond. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn niet gesteld of gebleken.

Zorgvuldig handelen

6.8.

De notaris betwist dat hij onzorgvuldig zou hebben gehandeld bij de totstandkoming van het testament.

6.8.1.

Met betrekking tot het klachtonderdeel dat de notaris onvoldoende alert is geweest op beïnvloeding van [testateur] door derden bij de totstandkoming van het testament aangezien het initiatief voor het verzoek tot dienstverlening niet van [testateur] afkomstig was, heeft de notaris het volgende aangevoerd.

Weliswaar heeft de neef telefonisch contact opgenomen met zijn kantoor, maar volgens de notaris kwam het initiatief voor het verzoek tot dienstverlening van [testateur] , aangezien [testateur] tijdens het gesprek op 1 april 2016 op consistente, duidelijke en resolute wijze zijn wil uitte, ontspannen overkwam tijdens het gesprek en vrij vertelde wat hij wilde. Bovendien is de notaris gebleken dat de neef de desbetreffende afspraak heeft gemaakt, omdat [testateur] kennelijk liever geen telefoongesprekken voert. Hem is uit niets gebleken dat [testateur] geen testament wilde opstellen, aldus de notaris.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting door de notaris is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat [testateur] geen testament wilde opstellen, zoals door klagers wordt gesteld. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

6.8.2.

Met betrekking tot het klachtonderdeel dat de notaris had moeten twijfelen aan de weloverwogenheid van het verzoek tot dienstverlening, aangezien [testateur] niet eens wist dat de notaris op 1 april 2016 zou langskomen, heeft de notaris aangevoerd dat hij geenszins de indruk had dat [testateur] hem die dag niet verwachtte, aangezien [testateur] hem zijn wensen kenbaar maakte. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat [testateur] niet wist dat de notaris op 1 april 2016 zou langskomen. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

6.8.3.

Met betrekking tot het klachtonderdeel dat de notaris op 1 april 2016 en op 4 april 2016 [testateur] niet onder vier ogen heeft gesproken, heeft de notaris aangevoerd dat beide gesprekken uitsluitend tussen hem en [testateur] hebben plaatsgevonden en dat de zuster en de neef op geen enkel moment hebben deelgenomen aan die gesprekken. Volgens de notaris zat de neef op 1 april 2016 in de vrij ruime woonkamer op geruime afstand van hem en [testateur] de krant te lezen en was de zuster in de keuken. Volgens de notaris heeft het gesprek op 4 april 2016 onder vier ogen plaatsgevonden.

Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de neef of de zuster op 4 april 2016 in dezelfde ruimte verbleef als de notaris en [testateur] . Daarmee is niet komen vast te staan dat de neef of de zuster op 4 april 2016 aanwezig was bij de bespreking tussen de notaris en [testateur] en invloed heeft kunnen uitoefenen op [testateur] . Vaststaat echter dat de neef tijdens het gesprek op 1 april 2016 wel in dezelfde ruimte verbleef als de notaris en [testateur] . Deze bespreking heeft dan ook niet “onder vier ogen” plaatsgevonden. Dat volgens de notaris de neef niet aan het gesprek heeft deelgenomen en de kamer “vrij ruim” is, doet hieraan niet af. Door de neef niet te verzoeken de woonkamer te verlaten, heeft de notaris naar het oordeel van het hof onvoldoende acht geslagen op het risico van (non-verbale) beïnvloeding door derden. De notaris heeft op dit punt dan ook onvoldoende zorgvuldigheid betracht. Hiervan valt de notaris een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Het hof acht dit klachtonderdeel derhalve gegrond.

6.8.4.

Met betrekking tot het klachtonderdeel dat [testateur] niet de mogelijkheid heeft gehad om de inhoud van het testament tot zich te nemen, heeft de notaris aangevoerd dat hij op 1 april 2016 nadrukkelijk met [testateur] heeft gesproken over diens haast met het tekenen van de akte. Daarop gaf [testateur] volgens de notaris te kennen dat geen medische reden bestond voor zijn haast, maar dat hij al langer rondliep met het idee om een testament op te stellen, hierover al veel had nagedacht en het daarom snel geregeld wenste te zien. Tussen beide gesprekken zat een weekend waarin [testateur] zich kon beraden. [testateur] heeft tevens uitdrukkelijk aan hem kenbaar gemaakt dat hij van tevoren geen nieuw concept wenste te ontvangen. De notaris heeft daarom op 4 april 2016 de belangrijke passages uit de akte toegelicht en zich ervan vergewist dat [testateur] wist wat hij zou tekenen en dat hetgeen in het testament stond, zijn eigen wens was.

Gelet op deze toelichting van de notaris acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de notaris met [testateur] heeft gesproken over diens haast met het tekenen van de akte en dat [testateur] voorafgaand aan de bespreking op 4 april 2016 geen concept toegestuurd wenste te krijgen. Gezien de verklaring die [testateur] zelf hiervoor gaf en ervan uitgaand dat [testateur] wilsbekwaam is, mocht de notaris afzien van het toesturen van de conceptakte en mocht hij volstaan met het mondeling toelichten aan [testateur] van hetgeen in het testament stond. Klagers hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel op dit punt zouden moeten leiden. Het hof acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

6.8.5.

Voor zover klagers de notaris verwijten dat hij op 1 april 2016 een minuutakte van het testament bij zich had die was opgesteld op basis van instructies van de neef, heeft de notaris het volgende aangevoerd. Hij heeft eerst nadat hij zich ervan had vergewist dat geen sprake was van wilsonbekwaamheid of beïnvloeding door derden, het concepttestament en het meelees-exemplaar voor [testateur] uit zijn tas gehaald. Hij had dit concept, opgesteld op basis van de door de neef aan hem meegedeelde wensen van [testateur] , meegenomen uit voorzorg, omdat hij niet wist in welke lichamelijke of geestelijke toestand hij [testateur] zou aantreffen. Het is volgens de notaris in de praktijk gebruikelijk om een dergelijk concepttestament mee te nemen, zodat een voorbereid testament beschikbaar is in het geval van grote spoed, dat ter plekke dan zou kunnen worden aangepast. [testateur] heeft vele aanvullende en afwijkende instructies ten aanzien van de inhoud van het testament gegeven.

Gelet op deze verklaring acht het hof dit handelen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Nieuwe klacht

6.9.

Voor zover klagers in hoger beroep een nieuwe klacht dan wel klachtonderdelen aanvoeren, overweegt het hof dat op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 Wna het hof een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang dient te behandelen. In die procedure is dan ook geen plaats voor de behandeling van in hoger beroep nieuw geformuleerde klachten. Klagers zullen daarom in deze nieuwe klachten niet-ontvankelijk worden verklaard.

Maatregel

6.10.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de klacht van klagers op één onderdeel gegrond is. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld bij de totstandkoming van het testament waar het betreft het feit dat de notaris [testateur] op 1 april 2016 niet in afwezigheid van derden heeft gesproken over het testament. Gezien de ernst van de verweten gedraging is naar het oordeel van het hof de maatregel van berisping gerechtvaardigd. Het tuchtrechtelijk verwijt dat de notaris valt te maken betreft immers een wezenlijk onderdeel van zijn taak en verantwoordelijkheid, te weten dat hij zich ervan dient te vergewissen dat een partij zelfstandig, zonder beïnvloeding door derden, in staat is zich een rechtens relevante wil te vormen en dat de inhoud en de gevolgen van een te ondertekenen akte daarmee in overeenstemming zijn.

6.11.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

Voor zover de notaris heeft verzocht getuigen te horen, komt het hof hieraan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet toe. Voor zover de notaris heeft verzocht een onderzoek door een deskundige te gelasten, ziet het hof daarvoor, eveneens gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding.

Griffierecht en kostenveroordeling

6.12.

Per 1 januari 2018 is de Wna gewijzigd (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen). In verband met deze wijziging van de Wna heeft dit hof per 1 januari 2018 de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam (Staatscourant 2017, nr. 75085; hierna: de richtlijn) vastgesteld, die geldt voor beroepschriften die vanaf die datum bij het hof worden ingediend.

Het beroepschrift in deze zaak is ingediend na 1 januari 2018 (op 16 april 2018), derhalve na de wijziging van de Wna.

6.13.

Nu het hof de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart en de notaris tevens een maatregel oplegt, zal het hof de notaris op grond van de artikelen 103b lid 1 Wna jo. 107 lid 3 Wna jo. de richtlijn veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep:

- (3 x € 50,- =) € 150,- kosten van klagers;

- € 3.000,- kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

6.14.

De notaris dient de kosten van klagers in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klagers te voldoen, hetgeen kan geschieden door betaling op daartoe door klagers aan de notaris opgegeven rekeningnummers.

6.15.

De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikelen 103b lid 3 Wna jo. 107 lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de notaris zullen worden meegedeeld.

6.16.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun nieuwe klachten zoals weergegeven in ro. 6.9;

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun klacht voor zover deze betrekking heeft op het levenstestament van [testateur] ;

- verklaart de klacht gegrond, voor zover de notaris [testateur] op 1 april 2016 niet in afwezigheid van derden heeft gesproken over het testament;

- legt ter zake daarvan aan de notaris de maatregel van berisping op;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klagers van hun kosten in hoger beroep, bestaande uit
€ 150,- aan kosten klagers, binnen vier weken na heden;

- veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof (€ 3.000,-) aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, J.H. Lieber en J.W. van Zaane en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2019 door de rolraadsheer.