Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1363

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
08-07-2019
Zaaknummer
23-003459-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitkeringsfraude. Niet verstrekken inlichtingen met betrekking tot bankrekeningen en medeplegen van het nalaten van het voldoen aan de inlichtingenplicht door het niet doorgeven van een gezamenlijke huishouding. Oplegging gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003459-17

datum uitspraak: 15 maart 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 september 2017 in de strafzaak

onder parketnummer 13-732024-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Congo) op [geboortedag] 1968,

adres: [adres 1]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

1 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte (hierna ook: [verdachte]) en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
zij in of omstreeks de periode vanaf 24 december 2004 tot en met 20 juli 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting,

te weten artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet opgelegde verplichting(en), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Sociale dienst en/of de Dienst werk en inkomen en/of

de gemeente Amsterdam, immers heeft zij (in die periode(n) en op die plaats) geheel of gedeeltelijk

niet aan genoemde dienst(en) medegedeeld of kenbaar gemaakt dat:

- zij (oncontroleerbare) inkomsten ontving en/of had ontvangen en/of

- zij beschikte en/of had beschikt over een vermogen hoger dan de vermogensgrens

(als bedoeld in artikel 34 lid 3 onder a van de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet) en/of

- zij beschikte en/of had beschikt over één of meerdere verzwegen bankrekening(en) met rekeningnummer(s) [rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2]

zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan zij redelijkerwijze moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s)

van belang was/waren voor de vaststelling van verdachtes of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of

de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander;

2.
zij in of omstreeks de periode vanaf 24 december 2010 tot en met 20 juli 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet opgelegde verplichting(en), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Sociale dienst en/of de Dienst werk en inkomen

en/of de gemeente Amsterdam, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader te weten [medeverdachte], (in die periode(n) en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst(en) medegedeeld of kenbaar gemaakt dat:

- zij en/of haar mededader een gezamenlijke huishouding voerde(n) en of hadden gevoerd en/of

- zij en/of haar mededader samenwoonde(n) en/of had(den) samengewoond

zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan zij en/of haar mededader wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van verdachtes

of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering krachtens

de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij in de periode vanaf 24 december 2004 tot en met 20 juli 2015 te Amstelveen, in strijd met een haar

bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting,

te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet,

opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken,

immers heeft zij niet medegedeeld dat:

- zij (oncontroleerbare) inkomsten ontving en/of had ontvangen en

- zij beschikte en/of had beschikt over bankrekeningen met rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2]

zijnde dit gegevens waarvan zij wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel op de hoogte of de duur van een bijstandsuitkering krachtens de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander;

2.
zij in of omstreeks de periode vanaf 24 december 2010 tot en met 20 juli 2015 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand en/of artikel 17 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, immers hebben zij en haar mededader te weten [medeverdachte], niet medegedeeld dat:

- zij en haar mededader een gezamenlijke huishouding voerden en/of hadden gevoerd en

- zij en haar mededader samenwoonden en/of hadden samengewoond

zijnde dit gegevens waarvan zij en haar mededader wisten, althans redelijkerwijze moesten vermoeden dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel op de hoogte of de duur van een bijstandsuitkering krachtens

de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling

van zichzelf of een ander.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverwegingen en bespreking verweren

Feit 1 - Bankrekeningen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, omdat geen sprake is van inlichtingen die de verdachte moest melden in het kader van haar inlichtingenplicht aangezien er geen sprake is van bevoordeling.

Op de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] hebben nagenoeg geen mutaties plaatsgevonden en ten aanzien van de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2]

is het zo dat deze rekening gebruikt werd door een groot aantal personen uit Afrika om handel te drijven in Europa. Deze gelden behoorden niet toe aan de verdachte, zodat deze niet van invloed konden zijn op haar recht op een bijstandsuitkering.

De verdachte heeft – onder meer ter terechtzitting in hoger beroep – erkend dat zij het bestaan van voornoemde twee bankrekeningen bij de ABN AMRO bank niet heeft doorgegeven aan – zo begrijpt

het hof – het daartoe bevoegde orgaan. Het hof stelt vast dat in de door verdachte maandelijks in te vullen informatieformulieren de navolgende vraag is opgenomen: “Is deze maand het vermogen van

u en/of uw partner toegenomen of gewijzigd? (geld ontvangen, bankrekening geopend, auto gekocht, aandelen gekocht, boedel verdeeld erfenis ontvangen etc.)”. Reeds dit brengt mee dat deze informatie - ongeacht of sprake was van inkomsten - kennelijk voor de uitkerende instantie van belang is voor het beantwoorden van de vraag of en zo ja welk bedrag aan de al dan niet bijstandsgerechtigde zal worden betaald. Dat deze vraag gesteld wordt is ook meer dan vanzelfsprekend, nu het hier immers gaat om het al dan niet verstrekken van gelden aan personen die slechts dan recht op een uitkering hebben indien zij zelf niet over (voldoende) middelen beschikken. Het is niet aan de persoon die de formulieren invult en die dus aanspraak wil maken op een uitkering hier een eigen afweging te maken van wat wel en niet van belang is. Het was dus ook niet aan de verdachte uit te maken of het geld waarover zij in ieder geval de feitelijke beschikkingsmacht had wel of niet van invloed was op haar recht op uitkering. Dat het extra geld van invloed kon zijn op haar recht op uitkering, had haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn, gelet op het karakter van de uitkering, namelijk het verschaffen van een bestaansminimum aan diegenen

die daarover niet zelf kunnen beschikken. Gelet op het vorenstaande wist de verdachte of had zij redelijkerwijs moeten vermoeden dat zij het bestaan van de bankrekeningen moest doorgeven. Dat de rekeningen wel zouden zijn gemeld aan de schuldhulpverlening, doet aan voornoemde inlichtingenplicht niet af. Het verweer wordt verworpen.

Feit 2 - Gezamenlijke huishouding en samenwonen

De verdediging heeft gesteld dat geen sprake was van samenwonen en/of van het voeren van een gezamenlijke huishouding in de tenlastegelegde periode. Dat de medeverdachte tijdens de observaties en door omwonenden veel wordt gezien bij de woning van de verdachte, is niet alleen te verklaren doordat de medeverdachte in deze periode vaak langs kwam voor de kinderen maar ook doordat – kort samengevat – ten tijde van de observaties de verdachte en de medeverdachte weer vaker samen waren omdat zij wilden hertrouwen.

Het hof ziet zich voorts geplaatst voor de vraag of het strafbare feit van artikel 227b Sv zich leent voor de juridische figuur van het medeplegen.

De kern van het verwijt dat een overtreder van artikel 227b Sr wordt gemaakt, is het nalaten van het verstrekken van relevante gegevens. Er is dus sprake van een omissiedelict. De uitkeringsgerechtigde op wie de in artikel 227b Sr bedoelde inlichtingenplicht rust, is in de eerste plaats de normadressaat van artikel 227b Sr. Het zijn van uitkeringsgerechtigde met een inlichtingenplicht moet dus als een voor het plegen van artikel 227b Sr vereiste ‘kwaliteit’ worden gezien. Daarom is artikel 227b Sr ook aan te merken als een kwaliteitsdelict.

Wil er sprake kunnen zijn van het medeplegen van dit delict, dan moet, gelet op het vorenstaande, bewezen kunnen worden dat de opzet van de medepleger rechtstreeks of voorwaardelijk is gericht op de kwaliteit van de andere betrokkene(n), in die zin dat hij heeft geweten van de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde van die ander(en) en de daarmee verband houdende inlichtingenplicht of tenminste de aanmerkelijke kans van het bestaan van die kwaliteit heeft aanvaard. Daarnaast moet hij geweten hebben of moet het hem in ieder geval redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat zijn mededader heeft nagelaten aan die inlichtingenplicht te voldoen. Tenslotte moet er sprake zijn van een essentiële bijdrage van de mededader aan dit niet voldoen aan de inlichtingenplicht.

Het hof is van oordeel dat in dit geval aan deze voorwaarden is voldaan. Uit de te hanteren bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] (de verdachte en medeverdachte) met hun kinderen in de bewezenverklaarde periode feitelijk hebben samengewoond op het adres [adres 2] in Amstelveen. Weliswaar stond [medeverdachte] ingeschreven op het adres [adres 3] in Amsterdam, maar daar heeft hij blijkens de verklaring als afgelegd tegenover de sociaal rechercheurs van de gemeente Amsterdam van de getuige [getuige], de hoofdhuurder van dat adres, slechts zeer kort verbleven en nooit gewoond. [medeverdachte] heeft deze getuige verteld dat hij met zijn vrouw in Amstelveen woonde. Dit wordt ondersteund door de omstandigheid dat de buurtbewoners in Amsterdam [medeverdachte] niet hebben herkend als bewoner van de [adres 3], terwijl de buurtbewoners in Amstelveen hebben verklaard dat op het adres [adres 2] een gezin woonde met kinderen, waarbij [medeverdachte] door een aantal getuigen is herkend als de man van dat gezin. Voorts was bij de werkgever van [medeverdachte] bekend dat hij in Amsterdam (slechts) een postadres had, maar dat hij woonde op het adres [adres 2] in Amstelveen. Een en ander brengt met zich een bewijsvermoeden dat er sprake is geweest van een gezamenlijke huidhouding. Door of namens de verdachte is niets aangevoerd dat dit bewijsvermoeden weerlegt.

Het samenwonen en het voeren van een gezamenlijke huishouding zijn omstandigheden die door de ontvanger van een bijstandsuitkering aan de uitkeringsinstantie moeten worden gemeld. [verdachte] heeft dit als uitkeringsgerechtigde geweten of had dit in ieder geval redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen en dit geldt naar het oordeel van het hof ook voor [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft verklaard dat “hij geen, maar zijn ex ([verdachte]) misschien wel een bijstandsuitkering ontving” en op de vraag hoe hij dat wist, antwoordde hij: “Omdat zij niet werkte.” Gelet hierop en mede gelet op de lange periode waarin [verdachte] en [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding voerden, is niet aannemelijk dat [medeverdachte] niet bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn met het feit dat [verdachte] een bijstandsuitkering ontving. Het hof gaat er daarbij eveneens van uit dat [medeverdachte] wist, rechtstreeks of in de vorm van voorwaardelijk opzet, dat [verdachte] niet aan de op haar rustende inlichtingenplicht heeft voldaan. Het is immers onaannemelijk dat zij een bijstandsuitkering zou krijgen wanneer bij de uitkeringsinstantie bekend was dat zij een gemeenschappelijke huishouding voerde met een man die over werk en inkomen daaruit beschikte. In deze omstandigheden kan gezegd worden dat [medeverdachte] ten minste de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verdachte] de op haar rustende inlichtingenplicht niet heeft nageleefd. Door zich op een ander adres in te schrijven en dit ook bij zijn werkgever als postadres te laten registreren, heeft [medeverdachte] voorts een essentiële bijdrage geleverd aan het onkundig laten van de betrokken uitkeringsinstantie van het feitelijk samenwonen. Aldus is er sprake van het medeplegen van het nalaten van het voldoen aan de inlichtingenplicht van de ontvanger van een uitkering.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende een lange periode nagelaten inlichtingen te verstrekken die van belang waren voor de beoordeling of zij recht had op een uitkering en de hoogte daarvan. Zij heeft in die periode de beschikking gehad over twee bankrekeningen bij de ABN AMRO bank die zij niet heeft doorgegeven aan de uitkeringsinstantie. Daarnaast voerde zij gedurende ruim vier jaren een gezamenlijke huishouding met de medeverdachte en heeft zij ook nagelaten dit door te geven. De verdachte wist of had moeten weten dat zij deze gegevens moest doorgeven. Door dit nalaten heeft zij, samen met haar man, de uitkeringsinstantie bewust misleid en heeft zij de gemeente Amstelveen voor een aanzienlijk bedrag, circa € 100.000,00, benadeeld. Dit is een ernstig feit waardoor zij het vertrouwen waarop het stelsel van sociale zekerheid is gebaseerd heeft geschonden. Zij heeft misbruik gemaakt van de voorzieningen die zijn bedoeld middelen van bestaan te garanderen voor diegenen die niet bij machte zijn deze op eigen kracht te verwerven. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Gelet op de ernst en de duur van de feiten acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding een taakstraf op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. S. Clement, mr. J.L. Bruinsma en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van

mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof

van 15 maart 2019.

=========================================================================

[…]