Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1362

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
23-003728-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003728-17

datum uitspraak: 7 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-703377-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

24 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 19 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een gebroken linker knie en/of een of meer kneuzing(en) aan/op het (achter)hoofd en/of de (linker)schouder en/of de ribbenkast en/of de buik en/of de (linker)pink en/of de ruggengraat), heeft toegebracht, door eenmaal of meermalen (met kracht) - op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam te slaan/stompen en/of - op/tegen de (linker) knie en/of de be(e)n(en), althans het lichaam, te schoppen/trappen;

subsidiair
hij op of omstreeks 19 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet eenmaal of meermalen (met kracht) - op/tegen het gezicht/hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft gestompt/geslagen en/of - op/tegen de knie en/of be(e)n(en), althans het lichaam heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


meer subsidiair
hij op of omstreeks 19 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door eenmaal of meermalen (met kracht) - te slaan/stompen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] en/of - te schoppen/trappen op/tegen de (linker)knie en/of de/het be(e)n(en), althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer]

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken been (knie) ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een beperkter bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte op 19 december 2016 samen met twee medeverdachten, [medeverdachte 1] en ene [medeverdachte 2], naar de woning van de aangeefster [slachtoffer] is gegaan en dat daar een heftig handgemeen is ontstaan tussen de drie verdachten en de aangeefster. Daarbij heeft [medeverdachte 1] als eerste geweld op de aangeefster toegepast. De verdachte heeft de aangeefster vervolgens geslagen met zijn vuisten. Daarbij is de aangeefster ten val gekomen. Hierop is zij geslagen en geschopt door de drie verdachten. De verdachte heeft de aangeefster daarbij tegen de knie geschopt. Vervolgens pakte [medeverdachte 1] de armen van de aangeefster vast, waardoor [medeverdachte 2] en de verdachte konden blijven slaan en schoppen.

Anders dan de raadsman heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de aangeefster en de ter terechtzitting in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring van [medeverdachte 1], voor zover deze tot het bewijs zijn gebezigd. Deze vinden immers over en weer steun in elkaar, maar ook in de beschikbare medische informatie. Dat er in een verslag van een gesprek met de aangeefster om onopgehelderde redenen gewag wordt gemaakt van de betrokkenheid van twee heren, maakt dat niet anders, omdat uit de bewijsmiddelen onomstotelijk blijkt wie er bij het geweldsincident betrokken geweest zijn. Uit het voorgaande spreekt dat het hof het standpunt van de raadsman dat de door [medeverdachte 1] ter terechtzitting afgelegde verklaring als onbetrouwbaar moet worden bestempeld, niet onderschrijft. Met de raadsman kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] daar een andere lezing heeft gegeven dan ten overstaan van de politie en de rechtbank, maar daar staat tegenover dat zij op plausibele wijze heeft toegelicht waarom zij eerder een andersluidende verklaring heeft afgelegd. Bovendien heeft [medeverdachte 1] in haar meest recente verklaring ook zichzelf danig belast en is niet aannemelijk geworden dat zij belastender over de verdachte heeft verklaard dan op grond van de waarheid noodzakelijk was. Zij heeft het daar in zekere zin zelfs nog voor hem opgenomen (‘ik snap wel dat hij haar heeft getrapt nadat zij hem had bespuugd’).

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd – dat hij ‘niemand iets aangedaan heeft’ en de betrokken personen slechts uit elkaar heeft gehaald – acht het hof niet aannemelijk geworden, reeds omdat deze onverenigbaar is met verklaringen die het hof geloofwaardig acht.

Het hof is verder van oordeel dat het letsel dat de aangeefster aan de knie heeft bekomen naar normaal spraakgebruik zonder meer als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangeduid. Het tegenovergestelde standpunt van de raadsman mist dan ook doel. Voorts is er geen enkel solide aanknopingspunt voor diens suggestie dat de aangeefster dit letsel heeft bekomen op een andere wijze dan is tenlastegelegd, te minder nu de aangeefster heeft verklaard dat zij na de trap die door de verdachte tegen haar knie werd gegeven een heftige pijn ervoer en direct door had ‘dat er iets stuk was’ in haar knie.

Anders dan de advocaat-generaal, heeft het hof op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep echter niet de overtuiging bekomen dat het de verdachte het op 19 december 2016 te doen is geweest om het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangeefster. Verder kan niet worden vastgesteld dat hij heeft gehandeld met zogenaamd voorwaardelijk opzet. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is weinig duidelijk geworden over de precieze wijze waarop en de kracht waarmee de aangeefster is geslagen en geschopt, zodat niet kan worden geconcludeerd dat het toegepaste geweld een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen, de vraag of de verdachte zo’n aanmerkelijke kans heeft willen aanvaarden nog daargelaten. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Wel wordt bewezen geacht dat hij, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd, samen met zijn medeverdachten de aangeefster heeft mishandeld én dat dit feit zwaar lichamelijk letsel (een breuk in de knie) bij de aangeefster heeft veroorzaakt. Immers, die fractuur kan redelijkerwijs aan de door de verdachte in vereniging verrichte geweldshandelingen worden toegerekend.

De tot vrijspraak van het meer subsidiair tenlastegelegde strekkende verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 19 december 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld door te slaan/stompen tegen het lichaam van [slachtoffer] en te trappen tegen de (linker)knie van [slachtoffer], terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken knie, ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het meer subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair (medeplegen van zware mishandeling) en meer subsidiair (medeplegen van mishandeling) bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in eerste aanleg primair en meer subsidiair bewezenverklaarde, thans te kwalificeren als de voortgezette handeling van die feiten, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft het hof, in verband met de persoonlijke situatie van de verdachte, verzocht af te zien van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van mishandeling door de moeder van een vriendin van zijn toenmalige partner te slaan en trappen. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. Bovendien heeft het slachtoffer een breuk in de knie opgelopen, alsook letsel op haar achterhoofd, linkerschouder, ribbenkast, buik, ruggengraat en pink. De fractuur in de knie maakte twee ziekenhuisopnames en operatief ingrijpen noodzakelijk. Vervolgens heeft het slachtoffer een langdurig revalidatieproces moeten doorlopen. Zij is op vele wijzen beknot geweest in haar bewegingsvrijheid en zelfstandigheid. Op de terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat zij nog altijd - ruim twee jaar na dato - hinder van dit forse letsel ondervindt. Verder is het slachtoffer komen te lijden aan een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS), waarvoor behandeling noodzakelijk is gebleken. Dergelijke geweldsuitspattingen dragen bij aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde én de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, acht het hof in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in de rede liggen. Het hof zal daar echter van afwijken om de volgende redenen.

De verdachte is nog relatief jong en heeft zijn leven goed op de rails weten te krijgen. Zo heeft hij een opleiding afgerond en heeft hij een full time baan waaruit hij een stabiel inkomen krijgt.

Daarnaast blijkt uit een uittreksel uit de Justiele Documentatie van 18 januari 2019 dat hij in de afgelopen twee jaren geen strafbare feiten heeft begaan die ter kennis van justitie zijn gekomen. Gelet daarop en gezien de inhoud van het rapport dat Reclassering Nederland op 11 april 2017 over hem heeft uitgebracht, gaat het hof er van uit dat het hier om een eenmalig incident is gegaan en dat van structurele agressieproblematiek geen sprake is. Het hof acht het in het belang van de verdachte én de samenleving dat de stabiele situatie van de verdachte niet wordt doorkruist door een straf die meebrengt dat hij opnieuw gedetineerd raakt. Daarom zal het hof in dit bijzondere geval overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf. Daarnaast zal een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Daarmee wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof zal een lagere straf opleggen dan door de eerste rechter is uitgesproken en de straf die thans is geëist, met het oog op het voorgaande en omdat het hof tot een beperkter bewezenverklaring komt.

De verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde 20 jaren oud en daarmee meerderjarig. Toepassing van het meerderjarigenstrafrecht is dan het uitgangspunt, tenzij de rechter aanleiding ziet om op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het adolescentenstrafrecht toe te passen. Daartoe kan worden besloten op grond van de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Gelet op hetgeen omtrent de persoon van verdachte naar voren is gekomen, zijn leeftijd en de wijze waarop de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep heeft gepresenteerd, ziet het hof geen aanleiding om van voornoemd uitgangspunt af te wijken. Evenmin is daartoe aanleiding gevonden in de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Het verzoek van de raadsman om adolescentenstrafrecht toe te passen wordt dan ook afgewezen.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.892,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag ter hoogte van € 8.892,00. De vordering is in hoger beroep opnieuw, voor het oorspronkelijk gevorderde bedrag, aan de orde.

De vordering bestaat uit de volgende schadeposten:

  • -

    a) daggeldvergoeding ziekenhuis € 252,00

  • -

    b) kosten huishoudelijke hulp € 3.640,00

  • -

    c) immateriële schadevergoeding € 10.000,00

Het hof stelt voorop dat die fractuur die de benadeelde partij aan de knie heeft bekomen redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de door de verdachte in vereniging verrichte geweldshandelingen. Hij is dan ook naar civiele maatstaven - samen met haar mededaders hoofdelijk - aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade.

De vordering is met betrekking tot de onder a) genoemde post niet betwist, in het bijzonder niet met betrekking tot het optreden en de hoogte van die schade of de causale relatie met het bewezenverklaarde. Dit deel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.

De onderbouwde stellingen omtrent de onder b) genoemde schade zijn van de zijde van de verdachte gemotiveerd betwist. Voor de beantwoording van de vraag of deze schade (geheel) voor toewijzing in aanmerking kan worden gebracht is naar het oordeel van het hof, gelet op die betwisting, nadere bewijslevering nodig, waarvoor in het strafproces geen plaats is. Daarom levert de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal de benadeelde partij dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Zij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verder is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, gelet op de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij die van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist voor wat betreft het optreden van zulke schade en het causale verband met het bewezen geachte feit.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (HR 17 november 2000, NJ 2001/215). Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 8.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
- de ernst van de aantasting in de persoon van de benadeelde partij en de gewelddadige wijze waarop dit (in haar woonomgeving) heeft plaatsgehad;

- de aard en de ernst van de letsels die de benadeelde partij ten gevolge van het incident heeft opgelopen en op de omstandigheid dat in verband daarmee twee ziekenhuisopnames en operatief ingrijpen noodzakelijk zijn geweest;

- de omstandigheid dat de benadeelde partij een langdurig en intensief revalidatietraject heeft moeten ondergaan;

- de omstandigheid dat de benadeelde partij langdurig en op diverse wijzen is beknot geweest in haar bewegingsvrijheid en zelfstandigheid;

- de omstandigheid dat de benadeelde partij ten gevolge van het incident ook thans nog fysieke ongemakken ondervindt;

- de omstandigheid dat de benadeelde partij met PTSS is komen te kampen, waarvoor psychische behandeling noodzakelijk is gebleken.
Daarnaast is gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Hetgeen de benadeelde partij ter compensatie van immateriële schade meer of anders heeft gevorderd gaat de grenzen van de billijkheid te buiten, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.252,00 (achtduizend tweehonderdtweeënvijftig euro), bestaande uit € 252,00 (tweehonderdtweeënvijftig euro) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de na te noemen aanvangsdata, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Wijst de vordering met betrekking tot het aan immateriële schade meer of anders gevorderde af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.252,00 (achtduizend tweehonderdtweeënvijftig euro) bestaande uit € 252,00 (tweehonderdtweeënvijftig euro) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 76 (zesenzeventig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 5 januari 2017.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 december 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

7 februari 2019.

De griffier is buiten staat het arrest te ondertekenen

=========================================================================

[…]