Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1342

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
200.257.380/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming woonruimte in AZC door vergunninghouders. Gezin met minderjarige kinderen weigert aangeboden woning buiten het AZC op grond van niet steekhoudende redenen. Dat heeft tot gevolg dat zij van rechtswege zonder recht of titel in de woonruimte in het AZC wonen. Vordering tot ontruiming zou toewijsbaar zijn, ondanks omstandigheid dat de minderjarige kinderen bij ontruiming als gevolg van een (kinderbeschermings-)maatregel mogelijk gescheiden van hun ouders worden opgevangen. Niettemin ontruiming afgewezen. Betrekkelijk kort voordat de woning werd aangeboden, is het gezin een zeer ingrijpende gebeurtenis overkomen. Daarna heeft een van de ouders psychische klachten gekregen. COA heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de herhaalde weigering van de woning in de periode daarna niet – in overwegende mate – teweeg is gebracht door de psychische gezondheidstoestand van die ouder, welke gezondheidstoestand een weerslag kan hebben gehad op alle gezinsleden. COA heeft een positief medisch advies gekregen over de vraag of de ouder in staat was een beslissing te nemen over het al dan niet aanvaarden van de woning, maar niet duidelijk is of dat advies is gebaseerd op voldoende psychiatrische deskundigheid. Daarom is onvoldoende zeker of de rechtbank als bodemrechter de ontruiming zal gelasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.257.380/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/284762 / KG ZA 19-98

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 april 2019

inzake

1 [X] ,

voor zichzelf en in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige appellanten onder 4, 5 en 6,

2. [Y],

voor zichzelf en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige appellanten onder 4, 5 en 6,

3. [jongmeerderjarige sub 3] ,

4. [minderjarige sub 4],

5. [minderjarige sub 5] ,

6. [minderjarige sub 6] ,

allen wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. F.W. Verbaas te Alkmaar,

tegen

het zelfstandig bestuursorgaan CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.H.J. Semeijn te Zwolle.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [X] c.s. en COA genoemd.

[X] c.s. zijn bij dagvaarding van 5 april 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 maart 2019, in kort geding gewezen tussen COA als eiseres en [X] c.s. als gedaagden.

De appeldagvaarding bevat de grieven. Aan de dagvaarding zijn producties gehecht.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 11 april 2019 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

[X] c.s. hebben nog aanvullende producties in het geding gebracht.

[X] c.s. hebben, na vermindering van eis ter zitting, geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van COA alsnog zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

COA heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 de feiten opgesomd die bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.2.

[X] c.s. zijn in het kader van nareis van hun zoon respctievelijk broer, [A] , geboren [geboortedatum] , in september 2017 in Nederland aangekomen en hebben de Syrische nationaliteit. Bij beschikking van 21 september 2017 hebben [X] c.s. een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verkregen. Zij verblijven thans in het AZC te [plaats ] . De in de procedure betrokken kinderen van geïntimeerden onder 1 en 2, hierna respectievelijk [X] en [Y] , zijn 20 jaar ( [jongmeerderjarige sub 3] ), 15 jaar ( [minderjarige sub 4] ), 7 jaar ( [minderjarige sub 5] ) en 4 jaar ( [minderjarige sub 6] ).

2.3.

Een vergunninghouder krijgt hulp van COA bij het zoeken naar een woning,

maar kan (en mag) ook zelfstandig op zoek gaan. [X] c.s. zijn er niet in geslaagd om zelf woonruimte te vinden. Om die reden heeft COA bemiddeld bij het vinden van passende woonruimte.

2.4.

Op 11 oktober 2017 heeft in aanwezigheid van een tolk een gesprek plaatsgevonden tussen [X] c.s. en een locatiemedewerker van de opvanglocatie Alkmaar, waar zij destijds verbleven. [X] c.s. zijn daarbij geïnformeerd over het voornemen van COA om huisvesting te zoeken voor het volledige gezin en over de mogelijke consequenties van een weigering om daaraan mee te werken. [X] c.s. hebben in dit gesprek een voorkeur aangegeven voor een woning in [plaats ] aangezien hun destijds nog minderjarige zoon in die plaats woonde. Tevens heeft [X] een voorkeur uitgesproken voor een woning gelijkvloers in verband met rugklachten. Op 30 oktober 2017 is medisch advies uitgebracht over de gezondheidstoestand van [X] . De medisch adviseur zag geen noodzaak voor aangepaste woonruimte.

2.5.

In april 2018 hebben [X] c.s. te kennen gegeven niet langer een voorkeur te hebben voor [plaats ] en in juli 2018 hebben zij meegedeeld het liefst een woning in [plaats ] te krijgen, omdat een broer van [X] daar in een AZC verbleef.

2.6.

[Y] is op [datum] 2018 bevallen van een levenloze baby, nadat het overlijden van de baby enige dagen daarvoor al was vastgesteld.

2.7.

Op 29 oktober 2018 is aan [X] c.s. via COA woonruimte aangeboden in de gemeente [gemeente] , met toepassing van geldend beleid; de woning is gelegen binnen een afstand van 50 kilometer van [plaats ] , de woonplaats van de inmiddels meerderjarige zoon. [X] c.s. hebben de woning in [plaats ] echter geweigerd.

Op 9 november 2018 heeft een informatief gesprek met [X] c.s. plaatsgevonden, waarin zij zijn gewezen op de consequenties van woningweigering, namelijk stopzetting van alle voorzieningen volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (hierna: Rva 2005). Op 14 november 2018 heeft [Y] meegedeeld dat ze de aangeboden woning te klein vindt.

2.8.

[X] c.s. hebben de woning op 10 december 2018 bezichtigd.

Tijdens een gesprek op 14 december 2018 met [X] over inburgering is ook de weigering van de woning ter sprake gekomen. [X] heeft gezegd dat er een steile trap in het huis is, die hij gevaarlijk vindt. De parkeerplaats is volgens hem 500 meter van het huis vandaan, het huis is oud en de stad is te klein. Ook nadat [X] erop is gewezen dat dit geen realistische redenen zijn om een woning te weigeren en de woningweigeringsprocedure aan hem is uitgelegd, is hij bij zijn weigering gebleven.

2.9.

Op 19 december 2018 heeft met behulp van een tolk een zogeheten eerste woningweigeringsgesprek plaatsgevonden tussen [X] c.s. en een locatiemedewerker van het AZC [plaats ] . [X] c.s. hebben verschillende bezwaren tegen de woning en tegen huisvesting in [plaats ] aangevoerd: er is geen universiteit in die plaats, de woning en de kamers zijn te klein, er is een te steile trap en de auto moet ver weg geparkeerd worden. [Y] heeft verklaard dat ze liever in [plaats ] zou gaan wonen.

2.10.

Bij een tweede woningweigeringsgesprek op 20 december 2018 was alleen [X] aanwezig. Hem is meegedeeld dat de weigering van de woning onterecht is bevonden. [X] heeft verklaard dat zijn vrouw stress ondervindt en paniekaanvallen heeft gehad. Ook meldt hij het huurcontract zelf wel te willen ondertekenen. Op een afspraak daartoe op 21 december 2018 zijn [X] c.s. echter niet komen opdagen.

2.11.

De arts van de Gezondheidszorg voor Asielzoekers (hierna: GZA) heeft op 21 december 2018 aan [Y] een antipsychotisch medicijn voorgeschreven.

De medische situatie van [Y] was in ieder geval op dat moment bekend bij COA. De huisarts van [Y] heeft haar vervolgens op 4 januari 2019 een rustgevend medicijn voorgeschreven in verband met stress (blijkens een aantekening in het medisch dossier veroorzaakt door ‘het slechte nieuws over het huis’).

2.12.

Op 28 december 2018 hebben medewerkers van het AZC [X] ervan proberen te overtuigen dat ze de woning het beste toch konden aanvaarden, omdat anders de voorzieningen voor hen zouden worden stopgezet. [X] meldde dat zijn echtgenote niet naar het gesprek is gekomen omdat zij ziek is en te veel stress ervaart. [X] c.s. zijn bij hun weigering gebleven. Daarna is in verband met de minderjarigen in het gezin een melding gedaan bij Veilig Thuis.

2.13.

[X] c.s. hebben geweigerd de aangeboden woning te accepteren. Op grond van artikel 7 lid 1 sub a van de Rva 2005 juncto artikel 44 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 betekent de weigering de woning te accepteren, dat het recht op opvang in het kader van de Rva 2005 van rechtswege is geëindigd.

2.14.

Op 8 januari 2019 zijn [X] c.s. gesommeerd het AZC te verlaten, maar zij hebben geweigerd te vertrekken.

2.15.

Een dag voordat de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure aan hen werd betekend, hebben [X] c.s. beroep ingesteld tegen de beëindiging van de verstrekkingen in het AZC. Uit een proces-verbaal van mondelinge uitspraak blijkt dat de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, zich op 8 april 2019 onbevoegd heeft verklaard van het beroep kennis te nemen.

3 Beoordeling

3.1.

COA heeft in de eerste aanleg van deze procedure, samengevat, gevorderd dat [X] c.s. worden veroordeeld tot ontruiming van de woonruimte die zij in het AZC [plaats ] gebruiken.

3.2.

De voorzieningenrechter heeft [X] c.s. bij het bestreden vonnis veroordeeld de woonruimte uiterlijk 15 april 2019 te ontruimen en hen belast met de kosten van het geding. Daartoe is, voor zover van belang, het volgende overwogen. Gelet op de onder de feiten weergegeven omstandigheden is duidelijk dat [X] c.s. al vóór de woningbezichtiging en de gestelde angstaanvallen van [Y] op verschillende momenten de woning hebben geweigerd en daarvoor steeds verschillende redenen hebben aangegeven, die niets met een psychische toestand van [Y] van doen hadden. Er was ook geen sprake van psychische problemen vóór de woningbezichtiging.

Onder die omstandigheden heeft COA in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen dat de aan het gezin aangeboden zelfstandige woonruimte in [plaats ] als passend moet worden aangemerkt. De stelling van [X] c.s. dat COA onvoldoende rekening houdt met de rechten van de kinderen, zoals verdragsrechtelijk beschermd in de artikelen 8 EVRM en 16 IVRK slaagt niet. Uit het chronologisch overzicht van de feiten blijkt dat COA in deze zaak een uitzondering heeft gemaakt op zijn eigen beleid en [X] c.s. nog een tweede kans heeft gegeven om de woning te accepteren, met het oog op de minderjarige kinderen. [X] c.s. hebben andermaal ervoor gekozen de woning toch niet te accepteren en zij hebben daarmee zelf geen recht gedaan aan de belangen van de minderjarige kinderen. Een zelfstandige woning als woon- en verblijfplaats is immers voor de kinderen beter dan een verblijf op een kamer in een AZC. Goed denkbaar zou zijn geweest dat de woning wel door de familie zou zijn geaccepteerd en dat de moeder – al dan niet tijdelijk – ergens anders zou gaan verblijven. Zij stelt immers zelf dat familie van haar in [plaats ] en [plaats ] woont. De vader zou dan met zijn kinderen (van wie één meerderjarig is) in [plaats ] onderdak hebben gehad. [X] c.s. hebben zich zelf nu in deze positie gebracht. Indien het daadwerkelijk tot een ontruiming zal komen, zal, net als bij iedere andere ontruiming, een maatregel door het bevoegde gezag dienen te worden genomen om de minderjarige kinderen bescherming te bieden. Door de beslissing de woning in [plaats ] te weigeren, is de verantwoordelijkheid om in hun huisvesting en levensonderhoud te voorzien bij [X] c.s. komen te liggen. Gelet op de druk op de opvang van asielzoekers, bestaat voor COA geen ruimte om gezinnen, die zonder recht of titel in de opvang verblijven, daar te handhaven. COA heeft voldoende onderbouwd dat een sterke behoefte bestaat om opvangplaatsen van asielzoekers en daarmee gelijkgestelde categorieën op korte termijn vrij te krijgen. Aan [X] c.s. zal een termijn worden gegeven om ander onderdak te organiseren, al dan niet via de reguliere wijze van hulpverlening. De woning in [plaats ] is inmiddels niet meer beschikbaar, maar het is niet denkbeeldig dat een van de betrokken gemeenten een woning kan aanbieden, zoals dat in december 2018 ook het geval was. [X] c.s. hebben immers nog steeds een status en ontnemen in dat geval ook een woning aan het woningbestand, net zoals zij dat in december 2018 zouden hebben gedaan. COA heeft echter geen verplichting meer om zich in te spannen woonruimte te zoeken, aldus nog steeds de voorzieningenrechter.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen hebben [X] c.s. een grief gericht. In de kern komt de toelichting op de grief erop neer dat de voorzieningenrechter onvoldoende acht heeft geslagen op de (psychische) gezondheidstoestand waarin [Y] verkeerde. Voorts blijkt, aldus [X] c.s., uit het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328 en het arrest van het Europees hof voor de rechten van de Mens van 4 november 2014, 29217/12 (Tarakhel), kort gezegd, dat (zelfs uitgeprocedeerde) asielzoekersgezinnen met kinderen niet mogen terechtkomen op straat. Dat moet dan zeker ook gelden voor statushouders zoals zij, aldus [X] c.s. Zij doen daarbij een beroep op de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), de artikelen 3, 16, 27 en 37 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH).

3.4.

Het hof begrijpt uit de verklaring van hun advocaat bij pleidooi in hoger beroep dat hij het zinloos acht in beroep te gaan tegen de uitspraak van de kamer voor vreemdelingenzaken van de rechtbank Den Haag en dat hij de in verband daarmee (bij appeldagvaarding) ingestelde primaire en subsidiaire vorderingen intrekt. De vordering van [X] c.s. in hoger beroep is dus uitsluitend erop gericht dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering tot ontruiming alsnog zal afwijzen.

3.5.

Als voldoende aannemelijk zou zijn dat de herhaalde weigering van de woning door [X] c.s. niet – in overwegende mate – teweeg is gebracht door de (psychische) gezondheidstoestand van [Y] , zou het hof zich volledig verenigen met het oordeel van de voorzieningenrechter. Het is immers wel degelijk de eigen verantwoordelijkheid van vergunninghouders als [X] c.s. dat zij met hun minderjarige kinderen de woonruimte in een AZC dienen te verlaten als zij een hun aangeboden woning hebben geweigerd op grond van niet steekhoudende redenen (zoals de in rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.9 weergegeven redenen van [X] c.s. moeten worden aangemerkt). Daarbij is van belang dat [X] c.s. gedurende een periode van ongeveer een jaar herhaaldelijk zijn voorgelicht over de geldende regels en hun herhaaldelijk is voorgehouden wat de consequenties van een weigering zijn en dat hun, in afwijking van het beleid van COA, met het oog op het belang van de minderjarige kinderen in het gezin zelfs nog een laatste kans is gegeven om de woning alsnog te aanvaarden. Door weigering van de aangeboden woning onder deze omstandigheden zouden [X] c.s. op grond van de geldende regelgeving de woonruimte in het AZC zonder recht of titel bewonen. De door [X] c.s. genoemde arresten zouden hen in deze situatie niet kunnen baten. In deze arresten gaat het niet om vergunninghouders aan wie een kans is geboden op eigen zelfstandige woonruimte (en, na inschrijving in de basisregistratie personen, op financiële middelen om in hun levensonderhoud te voorzien), maar daarvan hebben afgezien zonder dat daarvoor een aanvaardbare reden bestaat. Genoemde arresten staan om die reden evenmin in de weg aan de mogelijkheid dat het bevoegde gezag, als gevolg van de ontruiming, een (kinderbeschermings-)maatregel zou nemen die ertoe zou leiden dat de kinderen gescheiden van de ouders worden opgevangen wanneer het belang van de minderjarige kinderen dat noodzakelijk zou maken. Het beroep op bepalingen van het EVRM, het IVRK en het ESH, zoals [X] c.s. hebben gedaan, zou in dat geval niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De door die verdragsbepalingen gegeven bescherming is immers niet absoluut en wel degelijk aan zekere beperkingen onderhevig.

3.6.

Het hof is echter van oordeel dat COA, in het licht van het levenloos ter wereld komen van het zesde kind van [X] en [Y] , een zeer ingrijpende gebeurtenis, die het gezin medio september 2018 en derhalve betrekkelijk kort voor het aanbieden van de woning, is overkomen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de herhaalde weigering van de woning in de periode daarna niet – in overwegende mate – teweeg is gebracht door de (psychische) gezondheidstoestand van [Y] , die een weerslag kan hebben gehad op alle gezinsleden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat GZA in december 2018 aanleiding heeft gezien haar een antipsychotisch medicijn voor te schrijven, hetgeen erop kan wijzen dat bij [Y] op enig moment in de daarvoor gelegen periode een psychose is ontstaan. Dat zou ook kunnen verklaren waarom zij meende geesten te hebben gezien tijdens de bezichtiging van de woning. De advocaat van COA heeft bij pleidooi in hoger beroep verklaard dat COA GZA heeft verzocht om advies over de vraag of [Y] in staat was een beslissing te nemen over het al dan niet aanvaarden van de woning en dat dat advies inhield dat zij daartoe in staat was. Hij heeft echter geen opheldering kunnen geven over de vraag of dat advies is gebaseerd op voldoende psychiatrische deskundigheid. Dit klemt temeer nu [X] ter zitting heeft verklaard dat hij GZA herhaaldelijk tevergeefs heeft verzocht om meer gespecialiseerde (psychiatrische) hulp voor [Y] .

3.7.

Tegen deze achtergrond kan op grond van de voorhanden informatie niet met voldoende mate van zekerheid worden aangenomen dat de rechtbank als bodemrechter [X] c.s. tot ontruiming van de woonruimte in het AZC zal veroordelen op grond van verblijf zonder recht of titel wegens het weigeren van de aangeboden woning in [plaats ] . Een onderzoek naar de psychische gesteldheid van [Y] gaat het kader van dit kort geding te buiten. De in deze procedure gevraagde ontruiming kan daarom niet worden toegewezen.

3.8.

De slotsom is dat de grief slaagt, dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat de vordering tot ontruiming alsnog zal worden afgewezen. COA dient als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep te dragen.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

opnieuw rechtdoende:

wijst af de vordering tot ontruiming;

veroordeelt COA in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [X] c.s. begroot op € 297,= aan verschotten en € 527,= voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 425,83 aan verschotten en € 3.222,= voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, C. Uriot en I.L. Gerrits en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter van de combinatie op 12 april 2019.

Het bovenstaande bevat de vastlegging van de motivering van het reeds op 12 april 2019 uitgesproken arrest en is op 16 april 2019 aldus vastgesteld en door de voorzitter ondertekend.