Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1284

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
01-05-2019
Zaaknummer
23-003741-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof legt, anders dan de rechtbank, de verdachte de maatregel ISD in geheel voorwaardelijke vorm op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003741-18

Datum uitspraak: 22 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-684258-18 en 13-703065-17 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [locatie].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande, dat het hof de motivering van de in eerste aanleg opgelegde maatregel als volgt zal aanvullen.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren (hierna: de maatregel ISD) opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof primair verzocht de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de in voorarrest uitgezeten straf, subsidiair de maatregel ISD op te leggen in voorwaardelijke vorm. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft in Nederland geen rechten opgebouwd en hij is niet verzekerd. Als gevolg daarvan kan hem in het kader van een ISD-maatregel geen hulp of behandeling worden geboden, ook niet in de extra-murale fase daarvan. Een onvoorwaardelijke ISD-maatregel komt in het geval van de verdachte neer op een kale detentie en dat is niet wenselijk. Het verblijf van de verdachte in Nederland is vanaf 5 februari 2019 definitief onrechtmatig; na detentie zal hij terug moeten keren naar Letland. Anders dan voorheen wil en kan de verdachte nu ook zelf terugkeren naar Letland. Men heeft een paspoort voor hem geregeld en de gemeente Amsterdam regelt en betaalt zijn vervoer daarheen. Hij heeft familie in Letland. Het vertrek van de verdachte uit Nederland zal hoe dan ook de maatschappij beschermen tegen overlast gevende recidive.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Het hof acht dit ergerlijke feiten, die niet alleen overlast en schade veroorzaken voor de betreffende winkeliers, maar ook voor de maatschappij in het algemeen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 februari 2019 is hij eerder en veelvuldig onherroepelijk veroordeeld met betrekking tot vermogensdelicten.

Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de wenselijkheid van het opleggen van de maatregel ISD, met dien verstande dat het hof, anders dan de rechtbank vanaf pagina 5 van het vonnis tweede alinea, tot de conclusie komt dat het opleggen van een onvoorwaardelijke maatregel ISD in het licht van de veranderde omstandigheden van de verdachte, thans niet meer passend is.

Bij dat oordeel heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat het verblijf van de verdachte inmiddels definitief niet meer rechtmatig is en hij, ook naar eigen zeggen, nu wel van plan is naar Letland terug te keren om vanuit daar te werken aan het opbouwen van een nieuw bestaan.

Het hof acht, alles afwegende, voor deze verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van kortere duur dan de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht passend en geboden. Daarnaast zal het hof hem de maatregel ISD opleggen in geheel voorwaardelijke vorm. Zodoende kan hij zo spoedig mogelijk uit Nederland vertrekken. In geval hij toch terugkeert naar Nederland, zal de dreiging van tenuitvoerlegging van de nu voorwaardelijk op te leggen maatregel hem er hopelijk van weerhouden in herhaling te vallen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 38m, 38p, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam met parketnummer 13-703065-17 van 29 december 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte hebben het hof verzocht de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van de genoemde straf schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Het hof acht echter, gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot het opleggen van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf naast de voorwaardelijke maatregel ISD en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 21 juni 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 december 2017, parketnummer 13-703065-17, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.J.A. Plaisier en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

22 maart 2019.

mrs. M.J.A. Plaisier, P.F.E. Geerlings en A. Scheffens zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003741-18

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 22 maart 2019.

Tegenwoordig zijn:

mr. A. Kleene-Krom, raadsheer,

mr. M.C.W. van der Voort, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Benammar, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.