Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:126

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
23-003166-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortgezette handeling verkrachting en werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd. Arts-patiënt relatie uitgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003166-17

datum uitspraak: 22 januari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-669063-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

postadres: [adres 1],

verblijfsadres: [adres 2].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 mei 2018, 29 augustus 2018 en 8 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 15 december 2015 te Amsterdam door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij verdachte die [slachtoffer] die (op zijn verzoek) geheel ontkleed op een behandeltafel lag, gemasseerd en/of (daarbij) eenmaal of meermalen onverhoeds een vinger in de anus en/of de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gedaan.

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 15 december 2015 te Amsterdam als arts ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], in elk geval als persoon werkzaam in de gezondheidszorg ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], een patiënt die zich aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd, door tijdens een massagebehandeling, waarbij die [slachtoffer] (op zijn verzoek) geheel ontkleed op een behandeltafel lag, eenmaal of meermalen een vinger in de anus en/of vagina van die [slachtoffer] te duwen of te doen.

2:
hij op of omstreeks 15 december 2015 te Amsterdam als arts ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], in elk geval als persoon werkzaam in de gezondheidszorg ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], een patiënt die zich aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd, door tijdens een massagebehandeling, waarbij die [slachtoffer] (op zijn verzoek) geheel ontkleed op een behandeltafel lag, eenmaal of meermalen de bilspleet en/of de anus en/of de vagina en/of de clitoris van die [slachtoffer] aan te raken en/of te masseren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot andere overwegingen dan de rechtbank.

Nadere bewijsoverwegingen 1

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen in hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden, die niet door de verdediging noch de advocaat-generaal worden betwist.

Op 15 december 2015 heeft de verdachte, toen arts van beroep2, aangeefster gemasseerd en daarbij zijn vinger in de anus en in de vagina van aangeefster gebracht. Voorts heeft hij tijdens die massage de bilspleet, anus, vagina en clitoris aangeraakt.3

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.

De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota namens de verdachte integraal vrijspraak bepleit van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten.

Arts-patiënt relatie

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat uit de handelingen die de verdachte heeft verricht en de bewoordingen die hij heeft gebruikt jegens aangeefster, kan worden afgeleid dat er sprake is van een arts-patiënt relatie.

De raadsman heeft - verkort en zakelijk samengevat - betoogd dat de relatie tussen de verdachte en aangeefster niet kan worden aangemerkt als een arts-patiënt relatie. De raadsman voert daartoe aan dat er geen sprake is geweest van een afhankelijkheidsrelatie tussen de verdachte en aangeefster en aldus geen sprake van een rechtens te beschermen relatie tussen arts en patiënt. Voorafgaand aan de massage is immers geen enkele anamnese uitgevoerd, geen klachtgesprek gevoerd, geen behandelplan besproken, geen medische geschiedenis doorgenomen en geen betaling overeengekomen. Hetgeen tussen verdachte en aangeefster is voorgevallen berust op een misverstand, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Om te beoordelen of er sprake is van een arts-patiënt relatie dient te worden bezien in welke context het handelen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Van belang daarbij is tevens hetgeen voorafgaand, tijdens en na de handelingen is besproken.

Enkele weken voorafgaand aan de gebeurtenis op 15 december 2015 heeft een ontmoeting bij [getuige] (hierna: [getuige]) plaatsgevonden tussen de verdachte, aangeefster en [getuige]. Tijdens die ontmoeting heeft aangeefster aan de verdachte verteld dat zij lijdt aan mastopathie.4 Zowel de verdachte als [getuige] hebben verklaard dat de verdachte vervolgens, in het bijzijn van [getuige], de borsten van aangeefster heeft gemasseerd.5 Ook heeft de verdachte toen gezegd dat hij daarvoor (de mastopathie) wel een behandeling had dan wel dat hij daarvoor wel wat had.6

Op 15 december 2015, eveneens bij [getuige] thuis, vraagt de verdachte aan aangeefster ‘hoe het met haar borstjes gaat’.7

Een dergelijke opmerking past bij hetgeen aangeefster en [getuige] hebben verklaard over de eerdere ontmoeting en het ter sprake komen van mastopathie waarna een massage door verdachte plaatsvond. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij heeft gezegd dat een massage goed was voor de mastopathie van aangeefster.8 [getuige] heeft toen aan de verdachte gevraagd of hij die behandeling kon doen.9 Verdachte haalt vervolgens zijn dokterskoffer uit zijn auto.10

Wanneer aangeefster eenmaal op de behandeltafel ligt, past de verdachte de zogenaamde ‘touch voor health’-methode toe, om te kijken welke olie geschikt is om aangeefster mee te masseren. Tevens zet hij een saturatiemeter op haar vinger, een apparaat wat nodig is voor het meten van de bloeddruk. Vervolgens masseert verdachte met de gekozen olie de borsten van aangeefster. Verdachte spreekt op enig moment tijdens de massage over de energiedoorstroming in het onderlijf en vraagt aangeefster vervolgens haar onderlijf te ontkleden. Verdachte is het onderlijf van verdachte gaan masseren waarbij hij geleidelijk ook erogene zones heeft gemasseerd en uiteindelijk is binnengedrongen met zijn vinger.11

Het hof is van oordeel dat uit het vorenstaande een arts-patiënt relatie kan worden afgeleid. Het hof heeft daarbij acht geslagen op het volgende. Aangeefster kende de verdachte niet anders dan als arts, nu hij haar vriend, [getuige], medisch behandelde. Dat de verdachte door het behandelen van [getuige] eveneens een vriendschappelijke band met hem zou hebben opgebouwd, is niet relevant voor de relatie tussen aangeefster en de verdachte en doet daaraan niet af. Nu de verdachte en aangeefster tijdens de ontmoeting in november 2015 over de mastopathie hebben gesproken, mocht aangeefster er tijdens de ontmoeting op 15 december 2015 op vertrouwen dat met de opmerking ‘hoe het met haar borstjes gaat’ werd gedoeld op de mastopathie. De handelingen die daarna volgden, namelijk het halen van de dokterskoffer met daarin de voor de behandeling benodigde olie en de handelingen en opmerkingen van de verdachte toen aangeefster op de behandeltafel lag, rechtvaardigen dat aangeefster er op mocht vertrouwen dat zij een medische behandeling zou ondergaan. De verdachte verklaart ook zelf in het verhoor op 29 maart 2016 dat aangeefster er daardoor vanuit is gegaan dat zij een medische behandeling zou krijgen. Hetgeen vervolgens in de behandelkamer heeft plaatsgevonden, namelijk het toepassen van de ‘touch for health’-methode, het op de vinger plaatsen van een medisch hulpmiddel (de saturatiemeter) en de opmerking over de bekkendoorstroming, hebben de veronderstelling van aangeefster dat zij een medische behandeling onderging slechts kunnen versterken. Aangeefster mocht vertrouwen op de expertise van verdachte en heeft in die hoedanigheid hem vertrouwd en zich daarmee in een afhankelijke positie gemanoeuvreerd.

Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de overige omstandigheden van het geven van een behandeling, zoals doorgaans op een consult ter sprake komen, doet daaraan niet af, nu een formele behandelrelatie niet is vereist (zie het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3059).

Dwang

De advocaat-generaal heeft gesteld dat sprake is geweest van dwang en onverhoeds handelen. Het slachtoffer voelde zich totaal overrompeld en verstijfde zodra de verdachte met zijn vinger haar anus en vagina binnenging. De freeze, fright, fight reactie, het algemeen bekende biologische overlevingsmechanisme ligt aan die reactie ten grondslag. Zij vertrouwde zich in de handen van een arts en was niet bedacht op andere bedoelingen en handelingen.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte aangeefster niet tot het ondergaan van de gedragingen heeft gedwongen door onverhoeds te handelen. De raadsman stelt dat de massage evident erotisch van aard was en dat geleidelijk de erotische zones werden aangeraakt en binnengedrongen. Geen sprake is geweest van een plotseling, onverwacht handelen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de gedragingen plaatsvonden in een privésetting, de verdachte geen intimiderende onbekende van aangeefster was en er geen sprake was van een zodanige dreiging dat daaraan in redelijkheid geen weerstand kon worden geboden. Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat aangeefster zich tenminste na het eerste binnendringen zich tegen het binnendringen van de vagina had kunnen verzetten.

Het hof overweegt als volgt.

Om te kunnen spreken van dwang is vereist dat die dwang van dien aard is dat een ander zich naar redelijke verwachting niet tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Van dwang is in ieder geval sprake wanneer door onverhoeds handelen, verzet tegen die handelingen wordt voorkomen.

Het hof is van oordeel dat aangeefster in de veronderstelling mocht verkeren dat er sprake was van een medische behandeling, waarbij zij op verzoek van de verdachte geheel ontkleed op de behandeltafel lag.12 Zij behoefde er in deze omstandigheden niet op beducht te zijn dat verdachte met zijn vinger haar lichaam zou binnendringen. Aangeefster was in shock toen deze handelingen plaatsvonden en heeft zich in die toestand niet kunnen verzetten tegen deze handelingen door verdachte.13 Dat aangeefster in deze kennelijke staat verkeerde wordt ondersteund door de verklaringen van zowel verdachte als [getuige].14 Deze reactie van aangeefster acht het hof – gelet op de gegeven omstandigheden – niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte eerst een vinger in de anus van aangeefster heeft kunnen brengen en daarna een vinger in haar vagina, maakt niet dat aangeefster zich na het eerste binnendringen tegen het daaropvolgende binnendringen heeft kunnen verzetten. Aangeefster verkeerde immers in shock, hetgeen meebrengt dat adequaat optreden jegens verdachte niet kon en mocht worden verwacht.

(Voorwaardelijk) opzet

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat voorwaardelijk opzet op de dwang bewezen kan worden verklaard, nu de verdachte, in de omstandigheden waarin zij zich bevonden, de niet te verwaarlozen kans heeft genomen dat [slachtoffer] zich in de handen van een arts vertrouwde, en niet bedacht was op andere bedoelingen en handelingen.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitgebreid betoogd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de dwang. Verdachte ging er vanuit dat zijn handelen in goede aarde zou vallen. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat geen uitleg noodzakelijk was en dat hij van de massage een voor iedereen wenselijk seksueel avontuur zou kunnen maken.

Het hof oordeelt als volgt.

De verdachte heeft van begin af aan verklaard dat het zijn bedoeling was aangeefster een erotische massage te geven. De insteek van het geven van een erotische massage was volgens de verdachte voortgekomen uit de ideeën en fantasieën die [getuige] had en met hem had besproken. Wat daar ook van zij, dit neemt niet weg dat dergelijke gesprekken nimmer door verdachte met aangeefster zelf zijn gevoerd. De verdachte heeft nagelaten om op enig moment, noch op de avond van 15 december 2015 noch tijdens de eerdere ontmoeting in november 2015, bij aangeefster te verifiëren of zij in dezelfde veronderstelling verkeerde als hij.15 Daarmee bestond een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat aangeefster niet gediend was van de erotische massage die de verdachte voor ogen had. Door te handelen volgens zijn eigen zienswijze heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster de ontuchtige handelingen tegen haar wil onderging. Aldus is sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dwang.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:
hij op 15 december 2015 te Amsterdam door een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte die [slachtoffer] die op zijn verzoek geheel ontkleed op een behandeltafel lag, gemasseerd en daarbij onverhoeds een vinger in de anus en de vagina van die [slachtoffer] geduwd.

2:
hij op 15 december 2015 te Amsterdam als arts ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], een patiënt die zich aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd, door tijdens een massagebehandeling, waarbij die [slachtoffer] op zijn verzoek geheel ontkleed op een behandeltafel lag, de bilspleet en de anus en de vagina en de clitoris van die [slachtoffer] aan te raken en/of te masseren.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van:

verkrachting.

en

werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank aan de verdachte de ontzetting van zijn recht tot het uitoefenen van het beroep van arts opgelegde voor de duur van drie jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft tijdens een behandeling voor een borstaandoening seksuele handelingen bij het slachtoffer verricht die zich als patiënte aan hem had onderworpen. Daarmee heeft de verdachte misbruik gemaakt van zijn positie als arts en van de kwetsbare positie van het slachtoffer toen zij geheel ontkleed op de behandeltafel lag. Door aldus te handelen heeft de verdachte het slachtoffer psychische schade berokkend en haar vertrouwen in de medische wereld geschaad, zoals het slachtoffer ook nog ter zitting van het hof heeft aangegeven.. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 december 2018 is hij eerder ter zake van een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld, zij het zo lang geleden dat het hof hier bij de strafoplegging geen rekening mee zal houden.

Het hof is ambtshalve van oordeel dat sprake is van een voortgezette handeling van de feiten 1 primair en 2. Dit brengt met zich mee dat het hof bij de strafoplegging hiermee rekening houdt.

Voorts heeft het hof gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd.

Het hof zal hierom een lagere straf opleggen dan door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof heeft daarnaast rekening gehouden met het gegeven dat de feiten enige tijd geleden hebben plaatsgevonden en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Het hof acht met name van belang dat voorkomen wordt dat de verdachte zich in de toekomst wederom in de hoedanigheid van arts schuldig zal maken aan soortgelijke feiten en zal om die reden de ontzetting van het recht tot het uitoefenen van het beroep van arts voor de maximale duur opleggen evenals een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. Voorts legt het hof een taakstraf op voor de maximale duur.

Het hof acht, alles afwegende, straffen van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 35.100,00, bestaande uit € 27.600,00 materiële schade en € 7.500,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 5.000,00, bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Vast is komen te staan dat het slachtoffer als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, mede gelet op de gemotiveerde stellingen in het schade-onderbouwingsformulier, die zijdens de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid op € 5.000,00 en zal voor dit bedrag aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Voor de meer gevorderde immateriële schadevergoeding zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering omdat de vordering voor dat deel onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Ten aanzien van de vordering tot materiële schadevergoeding overweegt het hof als volgt. Uit de door en namens de benadeelde partij overgelegde stukken kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat de gevorderde kosten zijn gemaakt enkel ten gevolge van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Het hof heeft daarbij met name acht geslagen op het verslag van 5 augustus 2018 van de therapeut van de benadeelde partij, de heer Van der Eng. Uit dat verslag blijkt weliswaar dat de benadeelde partij zich bij voornoemde therapeut heeft gemeld naar aanleiding van de gebeurtenis van 15 december 2015, maar wordt ook andere psychische en lichamelijke problematiek geconstateerd.

Daarnaast is niet gebleken dat het door de benadeelde partij betaalde bedrag daadwerkelijk is betaald, nu zij stelt de nota’s contant te hebben voldaan maar dit verder niet middels bewijsstukken nader heeft onderbouwd.

Gelet op het voornoemde is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering tot materiele schadevergoeding een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre, en in de meer gevorderde immateriële schade, kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 56, 242 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van arts voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige, te weten de verzochte vergoeding voor de materiele schade en de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 primair, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 december 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. F.A. Hartsuiker en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van

mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

22 januari 2019.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003166-17

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 22 januari 2019.

Tegenwoordig zijn:

mr. M.M.H.P. Houben, raadsheer,

mr. L.M. Schoutsen, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.H.A. Paapen, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Wanneer hierna naar paginanummers wordt verwezen, wordt – tenzij anders vermeld - gedoeld op de pagina’s die deel uitmaken van een dossier van de politie eenheid Amsterdam, registratienummer [nummer], afgesloten op 30 maart 2016, aantal doorgenummerde pagina’s 1-95. Dit dossier bevat een verzameling processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren zijn opgemaakt, alsmede (eventueel) andere bescheiden.

2 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep, houdende de verklaring van de verdachte d.d. 16 mei 2018, p. 2.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam], houdende de verklaring van verdachte d.d. 29 maart 2016, p. 57.

4 Proces-verbaal van aangifte, houdende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] d.d. 7 maart 2016, p. 7.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, houdende de verklaring van [getuige] d.d. 3 maart 2016, p. 13-14 en proces-verbaal van verhoor verdachte, houdende de verklaring van [naam] d.d. 29 maart 2016, p. 55.

6 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, houdende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] d.d. 25 april 2016, p. 93 en proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris, houdende de verklaring van [getuige] d.d. 8 november 2017, p. 2.

7 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep, houdende de verklaring van de verdachte d.d. 8 januari 2019.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, houdende de verklaring van [naam] d.d. 29 maart 2016, p. 58.

9 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 mei 2018 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris d.d. 8 november 2017, p. 2.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris d.d. 8 november 2017, p. 3; proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep, houdende de verklaring van verdachte d.d. 16 mei 2018, p. 2 en proces-verbaal van aangifte, houdende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] d.d. 7 maart 2016, p. 8.

11 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep, houdende de verklaring van de verdachte d.d. 16 mei 2018, p. 2-4 en proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep, houdende de verklaring van aangeefster d.d. 16 mei 2018, p. 6 en proces-verbaal van verhoor verdachte [naam], houdende de verklaring van verdachte d.d. 29 maart 2016, p. 56.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam], houdende de verklaring van verdachte d.d. 29 maart 2016, p. 56 en proces-verbaal van aangifte, houdende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] d.d. 7 maart 2016, p. 8.

13 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep, houdende de verklaring van aangeefster d.d. 16 mei 2018, p. 6.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige, houdende de verklaring van [getuige] d.d. 3 maart 2016, p. 15 en proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg, houdende de verklaring van verdachte, d.d. 23 augustus 2017, p. 2.

15 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep (verklaring verdachte) d.d. 8 januari 2019.