Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1145

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
20-06-2019
Zaaknummer
23-002869-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis m.u.v. de beslissingen t.a.v. de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedeingsmaatregelen, en met aanvulling van de bewijsvoering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002869-17

datum uitspraak: 26 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-669026-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2018 en 12 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen en beslissingen dan die van de eerste rechter. Daarom zal het vonnis waarvan beroep worden bevestigd, met uitzondering van de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd met dien verstande dat het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsvoering aanvult op na te melden wijze.

Uit het voorgaande spreekt dat hetgeen de raadsman in het kader van de strafmaat ter terechtzitting in hoger beroep te berde heeft gebracht, het hof niet heeft gebracht tot een ander oordeel omtrent de op te leggen straf dan dat van de eerste rechter.

Aanvulling bewijsvoering

Het hof legt aan de bewezenverklaring de navolgende bewijsmiddelen ten grondslag, onder overneming van de bewijsvoering van de rechtbank:

Een proces-verbaal van 4 juli 2018, opgemaakt door mr. R.A.F. Gerding, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van het gerechtshof Amsterdam (ongenummerd).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [benadeelde 2]:

Op 6 april 2017 is een overval gepleegd op onze winkel aan de [adres 2].

De man rende gelijk op mij af en pakte mij vast. Ik voelde een loop in mijn rug.
U vraagt mij wat ik bedoel met: ‘Ik voelde een loop in de rug’.

Hij had zijn rechterhand in zijn zak en hij duwde in mijn beleving een loop in mijn rug. Het was gewoon een hard voorwerp, waardoor ik mij erg bedreigd voelde.

U vraagt mij waarom ik dat dacht.
Dat was vanwege de vorm en de hardheid. Hij had zijn hand in zijn zak en daarmee duwde hij het voorwerp in mijn rug.

Een proces-verbaal van 4 juli 2018, opgemaakt door mr. R.A.F. Gerding, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van het gerechtshof Amsterdam (ongenummerd).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de vragen (V) van de raadsheer-commissaris en, in antwoord (A) daarop, als de tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [getuige]:

Op 6 april 2017 heb ik een verklaring afgelegd over een overval op onze winkel op de [adres 2]. Ik heb toen de waarheid gesproken.

V: Had hij [het hof begrijpt hier en verder: de verdachte] iets in zijn handen?

A: Zijn ene hand was langs zijn lichaam en zijn andere hand zat achter [benadeelde 2] [het hof begrijpt hier en verder: [benadeelde 2]].

V: Had u zicht op die hand?

A: Nee, daarop had ik geen zicht. Wel op zijn andere hand, als ik het mij goed herinner.

V: Welke hand zag u en welke hand zag u niet?

A: Ik zag zijn linkerhand, zijn rechterhand zag ik niet.


V: Heeft u een wapen gezien op die dag?

A: Nee. De man deed wel of hij een wapen had. Met zijn hand in zijn zak. Toen hij met [benadeelde 2] binnenkwam, bleef hij zijn hand in zijn zak houden. Daardoor kreeg ik het idee dat hij wel een wapen had.

V: Kunt u omschrijven waarom u dat dacht?

A: Omdat hij daarmee richtte.

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017072465-5 van 6 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 1001 tot en met 1003)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten of één van hen:

Op 6 april 2017 omstreeks 12.50 uur waren wij op de [adres 3], waar bij een winkel mogelijk een beroving zou plaatsvinden.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag achter in de winkel de dichte deur opengaan. Ik zag een vrouw achter de deur vandaan komen. Ik zag dat de vrouw trilde en tranen in haar ogen had. Ik zag dat de vrouw er erg geschrokken uitzag. Direct zijn wij naar de kamer gerend waar de vrouw vandaan kwam. In de kamer zag ik een man en een andere vrouw staan. Ik zag dat ook deze vrouw er erg geschrokken uitzag en trilde.

Aanhouding

Daarop is de verdachte [het hof begrijpt: de zojuist genoemde man] op 6 april 2017 te 12.52 uur aangehouden.

Aantreffen wapens

Vervolgens heb ik, verbalisant [verbalisant 2], de rechterzijde van de verdachte gefouilleerd. Ik zag in de rechterzijde van zijn broeksband de kolf van een vuurwapen uitsteken.

Ik heb het wapen veiliggesteld. Dit bleek een voor afdreiging geschikt vuurwapen te zijn. Ik zag dat collega [naam 1] de linkerzijde van de verdachte fouilleerde. Ik zag dat [naam 1] een mes uit de linker broekzak van de verdachte haalde. [naam 1] overhandigde mij het mes.

Vervolgens is de verdachte overgebracht naar het politiebureau Zuid Buitenveldert. Daar bleek de verdachte te zijn genaamd: [verdachte] geboren op [geboortedag] te Amsterdam.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben naar de twee vrouwen gelopen. Ik zag dat de vrouwen nog steeds erg geschrokken en geëmotioneerd waren. De vrouwen gaven aan mij op te zijn [naam 2] en [benadeelde 2].

Verklaring [benadeelde 2]

Ik hoorde [benadeelde 2] het volgende aan mij verklaren:

"Ik was in de winkel. Ik hoorde dat er iemand de winkel in kwam. Ik draaide mij om en zag dat een persoon met een bivakmuts mijn kant op kwam lopen. De man liep naar mij toe. Ik hoorde de man zeggen: "Dit is een overval, breng mij naar de kluis. Als je gewoon meewerkt overkomt je niets." Op dat moment drukte hij iets in mijn rug, dit zat in zijn rechter jaszak. Wij zijn naar het kantoor achter in de winkel gelopen. Daar was mijn collega aanwezig. Hij dwong ons de code van de kluis in te voeren."

Verklaring De Vries:

Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde [naam 2] het volgende aan mij verklaren:

"Ik was aan het werk in het kantoor. Ik hoorde mijn collega zeggen dat we overvallen werden. Op dat moment kwam mijn collega met de overvaller binnen. Ik hoorde hem zeggen dat wij moesten mee werken, ik schrok hier ontzettend van".

Het tot partiële vrijspraak strekkende verweer dat de raadsman in hoger beroep heeft gevoerd, vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

[naam 3] heeft zich als benadeelde partij ter zake van het tenlastegelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële schadevergoeding ter hoogte van € 6.472,70, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, zodat deze opnieuw aan de orde is.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 5.973,42 en dat de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Van de zijde van de verdachte is primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen, omdat de behandeling hiervan leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding als bedoeld in artikel 361, derde lid, Sv. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, dan wel de vordering af te wijzen wegens het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing daarvan. Voor zover het hof de benadeelde partij in de vordering ontvankelijk acht, heeft de raadsman het hof verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een nadere onderbouwing van de in de vordering opgevoerde schadeposten te verkrijgen.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van [benadeelde 1]

Uit een uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van 25 januari 2019 volgt dat [naam 3] de functie van directeur van [benadeelde 1] bekleedt en dat hij als bestuurder zelfstandig bevoegd is die onderneming te vertegenwoordigen. Gelet hierop en in aanmerking genomen de aard van de in de vordering opgevoerde schadeposten, verstaat het hof dat de vordering door [naam 3] is ingediend namens De benadeelde partij is in zoverre ontvankelijk in de vordering.

Ten aanzien van de schade

Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan. Hij heeft daarmee onrechtmatig gehandeld jegens de benadeelde partij als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en is jegens haar gehouden tot vergoeding van de daaruit rechtstreeks voortvloeiende schade.


Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 5.973,42 heeft geleden, bestaande uit loonkosten. Het betreft immers schade die in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht. Voorts is sprake van redelijke kosten, die in redelijkheid zijn gemaakt. Gelet op de concrete en gespecificeerde onderbouwing van deze schadepost kan hetgeen de raadsman hier in algemene bewoordingen tegenin heeft gebracht, niet gelden als een voldoende gemotiveerde betwisting, zodat dit deel van de vordering voor toewijzing gereed ligt. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de vordering, gelet op de betwisting van de zijde van de verdachte, in het licht van de stellingen van de benadeelde partij, (nog) niet voor toewijzing gereed ligt. Daarvoor is nader partijdebat en nadere bewijslevering vereist. In deze fase van de procedure vindt het hof het echter een onevenredige belasting van het strafgeding om daarvoor alsnog gelegenheid te bieden. In zoverre kan de benadeelde partij dus niet in de vordering worden ontvangen en kan zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Tegen de achtergrond van het bovenstaande ziet het hof geen noodzaak om, zoals de raadsman heeft verzocht, de behandeling van de zaak aan te houden om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen een nadere onderbouwing van haar vordering te geven. Beide partijen zijn in voldoende mate in de gelegenheid geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren; voor zover het hof dat niet verzekerd acht, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, zoals reeds overwogen. Het tot aanhouding strekkende verzoek wordt afgewezen.

Het hof zal de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.321,49, bestaande uit een bedrag van € 2.750,00 ter compensatie van immateriële schade en een bedrag van € 571,49 ter compensatie van materiële schade. Gevorderd is het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig toewijsbaar is.

De raadsman heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de behandeling hiervan leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Subsidiair is namens de verdachte aangevoerd dat de gevorderde materiële schade in verband met de bezorging van maaltijden moet worden afgewezen, althans gematigd dient te worden. Tevens dient de gevorderde immateriële schade volgens de raadsman gematigd te worden, omdat geen gebruik is gemaakt van een (nep)wapen.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld.

Verder is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 528,54 heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof heeft daarbij de schade in verband met de bezorging van maaltijden schattenderwijs begroot op een bedrag van € 40,00. Daarbij is in aanmerking genomen dat, zoals de raadsman terecht heeft benadrukt, slechts de bezorgkosten en niet de volledige maaltijden voor vergoeding in aanmerking komen en een bestelde maaltijd verhoudingsgewijs duurder is dan een zelfbereide maaltijd. Het met betrekking tot deze schadepost meer of anders gevorderde zal daarom worden afgewezen.

Evenzeer is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij die ten aanzien van het optreden van de opgevoerde schade en de causale relatie daarvan met het bewezen verklaarde van de zijde van de verdachte niet is betwist. De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast . Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 2.750,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de ingrijpende aard van het handelen van de verdachte in de werkomgeving van de benadeelde partij (en dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van een (imitatie)vuurwapen), de gevolgen voor de benadeelde partij, onder meer bestaande uit slaap- en concentratieproblemen, angstaanvallen en klachten van een posttraumatische stressstoornis, en de omstandigheid dat de benadeelde partij zich onder psychologische behandeling (EMDR-therapie) heeft moeten stellen, alsook op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal, als gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof zal de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat deze schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Naast de wettelijke voorschriften die in paragraaf 10 van het vonnis waarvan beroep zijn genoemd en die door het hof worden overgenomen, zijn de opgelegde straf en de op te leggen maatregelen gegrond op artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Die wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.973,42 (vijfduizend negenhonderddrieënzeventig euro en tweeënveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Holland & Barrett, ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 5.973,42 (vijfduizend negenhonderddrieënzeventig euro en tweeënveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 64 (vierenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.278,54 (drieduizend tweehonderd achtenzeventig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 528,54 (vijfhonderdachtentwintig euro en vierenvijftig cent) aan materiële schade en € 2.750,00 (tweeduizend zevenhonderd en vijftig euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.278,54 (drieduizend tweehonderdachtenzeventig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 528,54 (vijfhonderdachtentwintig euro en vierenvijftig cent) aan materiële schade en € 2.750,00 (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 (tweeënveertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 april 2017.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade als volgt:

- voor een bedrag van € 33,15 (slaapmedicatie) op 13 april 2017;

- voor een bedrag van € 40,00 (bezorgkosten voeding) op 19 april 2017;

- voor een bedrag van € 124,43 (commissie) op 30 april 2017;

- voor een bedrag van € 330,96 (eigen risico) op 29 mei 2017.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. W.M.C. Tilleman en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2019.

[aanslagnummer]