Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1144

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
20-06-2019
Zaaknummer
23-003976-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van verkrachting (art. 242 Sr). Bepalen straf o.g.v. art. 423, vierde lid, Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003976-17

datum uitspraak: 26 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-654033-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres 1],
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Veenhuizen, locatie Norgerhaven te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld ter zake van het onder 1, 2, 3 (meer subsidiair) en 4 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren. Daarbij zijn bijzondere voorwaarden gesteld. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en is ten behoeve van de benadeelde partij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hoger beroep is bij akte beperkt tot de beslissingen die de rechtbank naar aanleiding van het onder 1 ten laste gelegde heeft genomen, alsmede tegen de hoogte van de door de rechtbank opgelegde straf. Dit brengt mee dat de beslissingen naar aanleiding van alle andere aan de verdachte ten laste gelegde feiten niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Wel zal het hof op de voet van artikel 423, vierde lid, Sv moeten beslissen welk gedeelte van de uitgesproken hoofdstraf en maatregel geacht moeten worden door de eerste rechter te zijn opgelegd ter zake van de feiten die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. De beperking van het hoger beroep betekent in dit geval bovendien dat het hof niet heeft te oordelen over de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 24 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte die [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte meermalen, althans eenmaal, zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] heeft gestopt / geduwd / gebracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, de keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of die [slachtoffer] op het bed heeft geduwd en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat die [slachtoffer] hem moest neuken en/of dat hij, verdachte, niet ging betalen, althans woorden van gelijke aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat niet is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv en dat de verklaringen van de aangeefster [slachtoffer] op wezenlijke onderdelen inconsistent zijn.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

Hoewel de door de aangeefster op de diverse momenten tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen op een enkel detailniveau van elkaar verschillen, is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat de lezing van de aangeefster daarbij op hoofdlijnen en essentiële onderdelen consistent is gebleven. Het enkele feit dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de ter plaatse gekomen politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] volgt dat de aangeefster (toen, slechts) heeft verklaard dat zij de man heeft afgetrokken, maakt dat niet anders, omdat de aangeefster in alle daarop volgende verklaringen consequent heeft verklaard dat zij de man (ook) oraal heeft bevredigd. Niet alleen over de gebeurtenissen, maar ook over de volgorde daarvan heeft zij telkens gelijkluidend verklaard. Bovendien bevatten haar verklaringen met betrekking tot het pijpen concrete details, zoals het feit dat de man weliswaar zei dat hij opgewonden was, maar dat (in eerste instantie) geen sprake was van een erectie. Haar verklaring vindt voorts steun in de verklaring van [getuige], zoals hierna te noemen. Het hof ziet ten slotte geen enkele aanleiding om aan de juistheid van de verklaringen van de aangeefster te twijfelen, mede bij gebrek aan aanknopingspunten in het dossier en in het verhandelde ter zitting voor de veronderstelling dat zij in strijd met de waarheid heeft verklaard over het incident. Gelet op het voorgaande, acht het hof de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar, geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs.

De verklaring van de aangeefster staat geenszins op zichzelf. Deze vindt op wezenlijke onderdelen steun in de verklaring van de getuige [getuige]. Hieruit volgt, dat hij op 24 februari 2017 omstreeks 20.41 uur werd gebeld door de aangeefster, die op dat moment als prostituee werkte achter één van de door hem verhuurde ramen. Omdat de aangeefster toen niet uit haar woorden kwam, is hij naar haar toegegaan. Bij aankomst zag hij dat zij trilde en in huilen uitbarstte. Uiteindelijk heeft zij aan [getuige] verteld dat er een incident had plaatsgevonden met een klant, die haar meermalen bij haar keel had gegrepen en seks met haar wilde, maar geen geld bij zich had. Zij heeft tevens tegen [getuige] gezegd dat zij een condoom bij die klant had omgedaan.

De verklaring van de aangeefster vindt verder bevestiging in hetgeen bekend is over het letsel in haar hals en nek. Op 27 februari 2017 heeft forensisch arts [naam 1] vastgesteld dat de aangeefster naar aanleiding van het onderhavige incident pijn heeft bij het slikken en dat een vermoeden bestaat van niet uitwendig waarneembaar letsel, namelijk een kneuzing in het keelgewricht. In de hals linksonder is oppervlakkig schaafletsel waargenomen en in de hals aan de voorzijde rechtsboven is een bruine huidverkleuring aangetroffen. De forensisch arts acht het door hem bij de aangeefster geconstateerde letsel passend bij de door haar gestelde toedracht.

Ten slotte vindt de verklaring van de aangeefster gedeeltelijk steun in de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2019 afgelegde verklaring, mede inhoudende dat hij op de betreffende dag bij de aangeefster in de peeskamer is geweest, hij toen geen contant geld bij zich had en dat hij op dat moment seks met haar wilde.

Het voorgaande overziend, is het hof van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster in toereikende en overtuigende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. Daarom acht het hof wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 ten laste is gelegd.

Nu het hof de verklaring van [benadeelde] niet voor het (schakel)bewijs zal bezigen, behoeft hetgeen de raadsman daarover ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde naar voren heeft gebracht geen bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op 24 februari 2017 te Amsterdam door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte zijn penis in de mond van [slachtoffer] heeft gebracht, en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheid hierin dat verdachte [slachtoffer] meermalen de keel heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en [slachtoffer] op het bed heeft geduwd en tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat [slachtoffer] hem moest neuken en dat hij niet ging betalen.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde 1

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2017041441-9 van 25 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 3).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 februari 2017 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Op 24 februari 2016 [het hof begrijpt: 2017] was ik werkzaam als prostituee in mijn werkkamer op de [adres 2]. Een mannelijke klant kwam binnen in mijn werkkamer. Ik vroeg de man zijn jas op de kapstok te hangen. Ik vroeg de man het geld voor mijn diensten. Ik kreeg het geld niet. Direct pakte de man mij met gestrekte armen met zijn beide handen om mijn keel. Ik was direct heftig geschrokken. Ik kreeg geen lucht meer en dacht dat ik dood zou gaan door de hardhandige actie van de man. Ik kon geen kant op en kon mijzelf niet uit de situatie bevrijden. Ik voelde dat hij mijn keel verder dicht kneep, waardoor ik geen lucht meer kreeg. De man liet mij los en vroeg mij seks met hem te hebben. Hij vertelde dat hij geen geld had dit te kunnen betalen. Ik was zo ontzettend bang voor deze man dat ik overdreven vriendelijk tegen hem deed om mijzelf uit deze situatie te redden. Ik zei: "Ik doe alles wat je wil, je hoeft niet te betalen". Toen heeft hij mij opnieuw geprobeerd te verwurgen door mij bij mijn keel te pakken. Ik werd gedwongen op het werkbed te gaan zitten. De jongeman zag duidelijk dat ik door de verwurging geen lucht en adem meer kon halen. Ik was doodsbang en hij zei steeds dat hij seks wilde maar geen geld had om dit te betalen. Ik riep: “Ik doe alles wat je van me vraagt, maar vermoord mij niet”. Ik heb de man toen een condoom omgedaan, hij liet zijn broek zakken tot aan zijn knieën. Ik begon toen met de orale seks. De man pakte mij vervolgens met kracht bij mijn pols. Onmiddellijk heb ik de beheerder [het hof begrijpt: de beheerder van de peeskamer, [getuige]] gebeld. Ik was in shock en zeer aangeslagen door het gebeuren, ik kon niet praten van de schrik. Ik heb rode plekken ter hoogte van mijn adamsappel. Ik heb sneetjes links en ik heb hele erge pijn in mijn keel. Als ik slik heb ik pijn, het is opgezwollen en zeer pijnlijk.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017041441-6 van 25 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 16 tot en met 18).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten (of één van hen):

Op 24 februari 2017 hoorden wij dat aan de [adres 2] een prostituee was aangevallen door een klant. Hierop zijn wij ter plaatse gegaan. Daar werden wij aangesproken door een prostituee [slachtoffer]. Zij verklaarde: "Ik was zojuist aan het werk. Ik deed de deur open voor een man die bij mij aan de deur kwam. Hij liep mee naar mijn peeskamer. Ik vroeg de man om 50 euro. Ik voelde dat de man mijn keel met kracht dichtkneep. Ik voelde dat ik geen adem meer kon halen. Ik hoorde dat de man tegen mij zei dat ik hem moest neuken. Ik hoorde hem zeggen dat hij niets zou betalen. Ik voelde dat de man steeds harder mijn keel dichtkneep. Ik werd door de man op mijn bed geduwd. Ik voelde dat de man mijn keel nog steeds dichtkneep. Hij drukte mij op bed. Op een gegeven moment heb ik een condoom gepakt en om zijn penis gedaan. Ik heb vervolgens een aantal keer aan de penis van de man getrokken. Ik ben snel naar de telefoon gerend en tegen de man geschreeuwd dat hij weg moest gaan".

Een proces-verbaal van verhoor aangeefster met nummer PL1300-2017041441-35 van 2 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (doorgenummerde pagina’s 106 tot en met 110).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 maart 2017 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Op 24 februari 2017 zat ik op de rand van het bed toen ik tegen de man zei dat hij die 50 euro moest betalen. De man sprong bovenop mij en pakte mij gelijk met twee handen bij mijn nek. Hij begon mij te wurgen. Ik voelde gelijk een heel hevige pijn. Toen ik opstond pakte hij mij weer op dezelfde manier bij mijn nek. Ik voelde weer dezelfde hevige pijn aan mijn nek. De man zei: "Je gaat gratis seks met mij hebben". Ik zei tegen de man dat ik gratis seks met hem wilde hebben. Ik dacht: “Als ik doe wat hij zegt, misschien kom ik er dan onderuit”. Toen zijn we op bed gaan liggen en heb ik hem afgetrokken. Ik heb hem staand gepijpt. De man zei dat hij opgewonden was, maar had geen erectie. Hij kreeg wel een beetje een erectie toen ik hem pijpte.

3. Een geschrift, zijnde een letselrapportage van Forensische Geneeskunde GGD Amsterdam van 27 februari 2017, opgesteld door forensisch arts [naam 1] (doorgenummerde pagina’s 111 en 112).
Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in:

[slachtoffer] heeft naar aanleiding van een incident op 24 februari 2017 pijn bij het slikken. Er bestaat een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel, namelijk een kneuzing van het keelgewricht.

In de hals linksonder is oppervlakkig schaafletsel (1 bij 1 cm) aangetroffen. Ook is in de hals aan de voorzijde rechtsboven een bruine huidverkleuring (2 bij 3 cm) aangetroffen. Dit kan passen bij de door [slachtoffer] aangegeven toedracht (door klant bij de keel gegrepen). De ouderdom van de letsels passen bij het huidige tijdsinterval.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2017041441-34 van 1 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] (doorgenummerde pagina’s 115 en 116).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 maart 2017 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige]:

Op 24 februari 2017 omstreeks 20.41 uur belde [slachtoffer] mij. Zij werkt als prostituee achter één van de ramen die ik verhuur. Ik begreep haar aan de telefoon niet goed, dus ik ben naar haar toe gegaan. Dat ik haar niet begreep kwam doordat ze niet uit haar woorden kwam. Normaal gesproken kunnen we goed communiceren. Toen ik bij haar kwam, probeerde [slachtoffer] haar verhaal aan mij te doen. Ik zag dat ze trilde en dat zij in huilen uitbarstte. Uiteindelijk begreep ik dat er een incident had plaatsgevonden met een klant. Ze vertelde dat ze tot drie keer toe bij haar keel werd gegrepen. Ze vertelde dat deze klant tegen haar had gezegd, toen hij haar al bij haar keel had gepakt, dat hij seks met haar wilde, maar geen geld bij zich had. Ze heeft uiteindelijk een condoom bij deze klant omgedaan.

5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2019.

Deze verklaring van de verdachte houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 24 februari 2017 liep ik via de Wallen in Amsterdam naar het metrostation. Ik had een rugzak, portemonnee en een pinpas bij mij, maar geen contant geld. Ik kwam [slachtoffer] tegen. Bij de deur zei [slachtoffer] dat het € 50,00 zou kosten. Ik zei: “Oké, is goed”. Vervolgens ben ik naar binnen gegaan en ben ik haar gevolgd naar achter, waar het kamertje was. De voorzitter vraagt mij of ik seks met [slachtoffer] wilde. Ja, op dat moment was dat zo. Ik heb mijn jas opgehangen. Daarna hebben we een discussie gehad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting.


Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.


Bepalen en oplegging van straf

Inleiding

De rechtbank Amsterdam heeft beslissingen genomen zoals hiervoor onder ‘Omvang van het hoger beroep’ zijn vermeld.

De advocaat-generaal heeft, zo begrijpt het hof, gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en dat het hof de straf voor het in eerste aanleg onder 2, 3 meer subsidiair en 4 bewezenverklaarde bepaalt op twee jaren.

Bepaling van de sanctie op de voet van artikel 423, vierde lid, Sv

Het hof bepaalt de sanctie ten aanzien van de door de rechtbank onder 2, 3 meer subsidiair en 4 bewezenverklaarde misdrijven, gelet op de door de rechtbank gebezigde strafmotivering, op:

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, waarbij de in het vonnis genoemde bijzondere voorwaarden zijn gesteld;

  • -

    de schadevergoedingsmaatregel die ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] is opgelegd.

Strafoplegging in hoger beroep

Het hof heeft in hoger beroep de ter zaken van het onder 1 bewezenverklaarde op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkrachting. Hij heeft zich als klant aan een prostituee gepresenteerd en haar, nadat zij hem had binnengelaten in haar werkruimte, onverhoeds meermalen met kracht bij haar keel/nek gegrepen en haar gedwongen hem af te trekken en te pijpen. Door dit handelen is op gewelddadige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Zij kreeg geen adem en heeft in doodsangst verkeerd. De verdachte heeft zich klaarblijkelijk slechts laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Zijn gedrag is te meer laakbaar nu het slachtoffer zich als prostituee op dat moment in een kwetsbare positie bevond. Het slachtoffer heeft door het incident niet alleen lichamelijk letsel opgelopen, maar zal ten gevolge hiervan naar verwachting ook nog langdurig psychische gevolgen ondervinden. Feiten als het onderhavige dragen bovendien bij aan gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving, bij de prostituees die op de wallen werkzaam zijn in het bijzonder.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 februari 2019 is hij veroordeeld ter zake van ernstige misdrijven (mishandeling en straatroof) die vóór het thans bewezenverklaarde zijn begaan. Deze veroordelingen zijn ten tijde van het wijzen van dit arrest onherroepelijk. Dit weegt het hof in zijn nadeel.

Uit het omtrent de verdachte opgemaakte rapport van 8 augustus 2017 van psycholoog [naam 2] blijkt dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een lichte verstandelijke beperking. Tevens is sprake van een onrijpe persoonlijkheidsontwikkeling die lijkt samen te hangen met de licht verstandelijke beperking van de verdachte, alsmede een gebrekkige ontwikkeling van het geweten.

De psycholoog heeft geadviseerd de verdachte, gelet op de wijze waarop genoemde persoonlijkheidsproblematiek zou hebben doorgewerkt in het onder 1 tenlastegelegde, dat feit in verminderde mate toe te rekenen. Het hof neemt dat advies niet over. Daartoe is redengevend dat de psycholoog hierbij slechts lijkt te zijn uitgegaan van de niet met de verklaringen van de aangeefster strokende lezing van de verdachte. Die lezing acht het hof ongeloofwaardig. Echter, gelet op de aard en het structurele karakter van die problematiek acht het hof het niet onaannemelijk dat de beperkingen die daaruit voortvloeien bij de totstandkoming van het onder 1 tenlastegelegde enige rol heeft gespeeld. Dit heeft een matigende invloed op de op te leggen straf.

Het hof heeft gelet op de straffen die ter zake van verkrachting aan first offenders plegen te worden opgelegd. Die hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden genoemd. Deze straf neemt het hof tot uitgangspunt. Nu in het onderhavige geval sprake is van strafverzwarende omstandigheden, zoals het angstaanjagende, door de verdachte toegepaste geweld, de kwetsbare positie waarin het slachtoffer ten tijde van het vergrijp verkeerde en de recidive van de verdachte, acht het hof in dit geval een significant hogere gevangenisstraf gerechtvaardigd. Desalniettemin komt het hof uit op de straf zoals door de advocaat-generaal geëist, omdat het hof rekening houdt met de invloed die genoemde persoonlijkheidsproblematiek op de totstandkoming van de verkrachting heeft gehad. Hoewel het hof het uit oogpunt van recidivebeperking van groot belang acht dat de verdachte zal worden behandeld voor zijn problematiek en begeleid zal worden door de reclassering, is daarin al voorzien door de straf die de rechtbank heeft opgelegd ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 en de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. Het hof ziet daarom geen aanleiding (nogmaals) een gedeelte van de op te leggen straf in de voorwaardelijke vorm op te leggen.

Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, gelet op het bepaalde in artikel 67a, derde lid, Sv.

Het hof wijst het verzoek af, nu een situatie als bedoeld in voornoemd artikel zich niet voordoet.

BESLISSING

Het hof:

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in eerste aanleg onder 2, 3 meer subsidiair en 4 bewezen verklaarde op:

- een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden waarvan een gedeelte, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 5 (vijf) jaren niet aan de in het vonnis waarvan beroep genoemde algemene en bijzondere voorwaarden houdt, te weten:
als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen,

als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht

veroordeelde moet zich binnen drie werkdagen na zijn vrijlating melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres: [adres 3]. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. veroordeelde moet meewerken aan het stellen van een diagnose bij forensische ambulant behandelcentrum De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering;

3. Behandelverplichting

veroordeelde moet zich laten behandelen door forensische ambulant behandelcentrum De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, indien en voor zolang die instelling dat nodig acht, waarbij veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

4. Overige aanwijzingen het gedrag betreffend

veroordeelde moet deelnemen aan een dagbestedingstraject, ook wanneer dit vrijwilligerswerk inhoudt, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van dit traject door of namens de instelling zullen worden gegeven,

waarbij opdracht is gegeven aan genoemde instelling toezicht te houden op de naleving van de
voorwaarden en de veroordeelde daarin te begeleiden,


met bevel dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht,

en

- de schadevergoedingsmaatregel die bij het vonnis waarvan beroep ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] is opgelegd, te weten:
legt aan verdachte op de verplichting ten behoeve van [benadeelde], aan de Staat
€ 4.152,- (vierduizendhonderdttweeënvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 24 februari 2017, tot aan de dag dat de vordering geheel is afgedaan. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 51 (eenenvijftig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.


Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. C.N. Dalebout en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2019.

[…]

1 De hiervoor vermelde bewijsmiddelen, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.