Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1142

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
14-06-2019
Zaaknummer
23-000958-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van openlijke geweldpleging (art. 141 Sr) en bedreiging (art. 285 Sr). Constatering overschrijding redelijke termijn (art. 6 EVRM). Nietigheid van de oproeping vordering TUL in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000958-16

datum uitspraak: 13 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-002934-16 en 13-701285-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te Aruba (Aruba) op [geboortedag] 1994,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2019.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam openlijk, te weten op voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten een toen voor het publiek toegankelijke treinwagon, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het dreigend opdringen tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], en/of uit het slaan en/of stompen tegen en/of in de richting van het gezicht en/of hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], en/of uit het trappen en/of schoppen tegen en/of in de richting van het lichaam en/of de benen van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1];

2 hij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam [slachtoffer 3] en/of anderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] en/of die anderen dreigend de woorden toegevoegd :"Ik maak jullie kinderen dood en/of ik maak jullie familie dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit. Hij heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat de verdachte geen geweldshandelingen heeft uitgeoefend tegen de aangevers [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]). De verdachte heeft [slachtoffer 1] slechts bij de kraag vastgepakt en naar achteren geduwd met de bedoeling om de twee vechtende partijen, te weten: ‘NN2’ en [slachtoffer 1], uit elkaar te halen c.q. een verdere escalatie te voorkomen.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat volgens vaste jurisprudentie van in vereniging plegen van openlijk geweld als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld; daarbij behoeft deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard te zijn. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Vast staat dat op 3 januari 2016 in een treincoupé in Amsterdam een handgemeen heeft plaatsgevonden.

De aangever [slachtoffer 1] heeft daarover, kort gezegd, verklaard dat hij in de trein zijn telefoon aan een persoon heeft willen afgeven om een foto van hem en [slachtoffer 2] te laten maken, waarna deze persoon de telefoon heeft gepakt en niet meer wilde teruggeven. [slachtoffer 1] stelt vervolgens door die persoon en leden van de groep waarvan die persoon kennelijk deel uit maakte te zijn geschopt, geslagen en in zijn gezicht te zijn gestompt. Ook hebben zij [slachtoffer 2] geduwd.

De aangever [slachtoffer 2] heeft, kort gezegd, verklaard dat de telefoon van [slachtoffer 1] in de trein is afgepakt door een persoon die deel uit maakte van een groep personen, waarna er onenigheid ontstond en hij, [slachtoffer 2], door die groep is geschopt en [slachtoffer 1] door één van hen op zijn neus is gestompt.

Het hof ziet geen enkele reden om aan de betrouwbaarheid of de geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te twijfelen. Voor zover hun verklaringen op ondergeschikte onderdelen niet volledig op elkaar aansluiten doet dat aan het oordeel over de geloofwaardigheid van hun lezing van het incident als geheel niet af.

De verklaringen van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vinden bovendien op essentiële onderdelen steun in de camerabeelden van het incident. Uit de processen-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden zijn beschreven volgt dat de persoon die wordt aangeduid als ‘NN2’ – later herkend als [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) – de telefoon van [slachtoffer 1] op een gegeven moment in zijn hand heeft, deze boven zijn hoofd houdt en blijft vasthouden als [slachtoffer 1] op hem af loopt. Vervolgens is op de beelden te zien dat de verdachte zijn lichaam tussen [slachtoffer 1] en NN2 drukt, waarna hij [slachtoffer 1] achteruit duwt. Hierna ontstaat geduw en getrek tussen de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enerzijds, en de verdachte en NN2 anderzijds. Op enig moment pakt de verdachte de aangever [slachtoffer 1] met beide handen aan diens kraag en duwt hem op hardhandige wijze achteruit in een hoek van de treincoupé. Vervolgens ontstaat er opnieuw een kluwen van duwende en trekkende personen, waarin NN2 met gestrekte arm en vuist tegen het gezicht van [slachtoffer 1] slaat. Na dit handgemeen is op het gezicht van [slachtoffer 1] bloed zichtbaar. Het hof heeft voorts waargenomen dat op het moment dat [slachtoffer 1] met bebloed gezicht uit het tumult vandaan loopt, de verdachte vlak voor [slachtoffer 2] staat en op dreigende wijze zijn arm met gebalde vuist opheft (ter hoogte van het gezicht van [slachtoffer 2]).

Tenslotte vinden de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nog bevestiging in de kort na het incident bij hen geconstateerde letsels.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte zich heeft gemengd in een conflict tussen [slachtoffer 1] en de medeverdachte [medeverdachte], waarna hij – als eerste – geweldshandelingen heeft verricht door [slachtoffer 1] naar achteren te duwen en hem kort daarop aan zijn kraag vast te pakken en in een hoek te drukken. Vervolgens is [slachtoffer 1] door de medeverdachte [medeverdachte] in zijn gezicht geslagen en heeft de verdachte, toen hij vlak voor [slachtoffer 2] stond, op dreigende wijze zijn arm/vuist opgeheven. Naar het oordeel van het hof staat op grond hiervan vast dat de verdachte opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen tegen de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat hij daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd. Het door de raadsman gevoerde verweer, dat de verdachte het conflict tussen [slachtoffer 1] en de medeverdachte [medeverdachte] slechts heeft getracht te sussen, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen, in het bijzonder de camerabeelden van het incident.

Aldus acht het hof wettig en overtuigend dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Aan de aangifte van verbalisant [slachtoffer 3] en aan het gegeven dat de verdachte die niet bestrijdt, verbindt het hof de conclusie dat de verdachte deze dreigende woorden heeft geuit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op 3 januari 2016 te Amsterdam openlijk, te weten in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten een toen voor het publiek toegankelijke treinwagon, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het dreigend opdringen tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], het stompen tegen het gezicht en hoofd van die [slachtoffer 1], het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en het schoppen tegen de benen van die [slachtoffer 1].

2
hij op 3 januari 2016 te Amsterdam [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak jullie kinderen dood. Ik maak jullie familie dood".

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde primair bepleit dat, in verband met het tijdsverloop sinds het voorval en de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan, op grond van artikel 9a Sr geen straf of maatregel aan de verdachte dient te worden opgelegd. Subsidiair is verzocht een voorwaardelijke geldboete op te leggen. Voor zover beide ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard heeft de raadsman verzocht een taakstraf op te leggen. In dat verband heeft hij gewezen op het beperkte aandeel van de verdachte aan de openlijke geweldpleging en zijn persoonlijke omstandigheden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met ten minste één ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Als gevolg hiervan hebben de slachtoffers niet alleen pijn geleden en letsel ondervonden, maar is tevens op grove wijze inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Voorts heeft het geweld plaatsgevonden in een voor het publiek toegankelijke treincoupé, zodat het voor overige aanwezigen waarneembaar was. Dergelijke feiten kunnen niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers veroorzaken, maar ook bij degenen die hiervan ongewild getuige zijn geworden. Voorts heeft de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 3] bedreigd met de dood van diens kind(eren) dan wel familie. Door aldus te handelen heeft hij op agressieve wijze een voor het slachtoffer intimiderende en emotionerende situatie in het leven geroepen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 januari 2019 is hij eerder ter zake van misdrijven met een geweldscomponent onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in het nadeel van de verdachte weegt.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de onderhavige zaak in hoger beroep is overschreden. Immers, het hoger beroep is ingesteld op 10 maart 2016, terwijl het hof eerst thans – bijna drie jaar later – arrest wijst. Nu de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, gerekend vanaf de betekening van de inverzekeringstelling van de verdachte op 3 januari 2016, in totaal de termijn van vier jaren echter niet te boven is gegaan en de termijnoverschrijding mede verband houdt met het feit dat op verzoek van de verdediging drie getuigen zijn gehoord, ziet het hof geen aanleiding hieraan gevolgen te verbinden en wordt volstaan met het constateren van de overschrijding.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, is het hof van oordeel dat geen sprake kan zijn van de toepassing van artikel 9a Sr, zoals door de raadsman is verzocht. Het hof ziet in het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde en de toepasselijkheid van artikel 63 Sr evenwel aanleiding om ten voordele van de verdachte af te wijken van de relevante oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en van de eis van de advocaat-generaal.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.403,25, bestaande uit € 903,25 als vergoeding voor materiële schade en € 500,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft geëist dat het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij dezelfde beslissingen neemt als de rechtbank.

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de door hem bepleite vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en aldus onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld.

Verder is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 303,26 heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die zijdens de verdachte niet zijn betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de gevorderde kosten ten aanzien van de telefoon (Samsung) overweegt het hof dat is gebleken dat deze schade reeds (niet-hoofdelijk) is toegewezen in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] (parketnummer: 13/741063-16), zodat de vordering voor dat deel in de onderhavige zaak zal worden afgewezen.

Tenslotte is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, opnieuw gelet op de onderbouwde en gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij die niet zijn weersproken. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 500,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde handelen ernstig inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, op de gevolgen van dit handelen voor de benadeelde partij, alsook op de bedragen die in vergelijkbare gevallen door rechters worden toegekend.

Het toe te wijzen bedrag zal, als gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 10, 36f, 57, 63, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging 13-701285-15

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Het hof heeft geconstateerd dat de stukken betreffende de vordering tot tenuitvoerlegging niet volledig zijn. In ieder geval ontbreken de vordering tot tenuitvoerlegging en de dagtekening van de ontvangst hiervan door de griffie van de rechtbank.

Gelet op het voorgaande, kan niet worden vastgesteld dat en wanneer de vordering tot tenuitvoerlegging is ingediend en voorts of de vordering tot tenuitvoerlegging op de door de wet voorgeschreven wijze aan de verdachte is betekend. Het hof zal derhalve de oproeping ter zake van de vordering tot tenuitvoerlegging in eerste aanleg nietig verklaren.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 803,26 (achthonderddrie euro en zesentwintig cent) bestaande uit € 303,26 (driehonderddrie euro en zesentwintig cent) aan materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 803,26 (achthonderddrie euro en zesentwintig cent) bestaande uit € 303,26 (driehonderddrie euro en zesentwintig cent) aan materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 januari 2016.

Verklaart de oproeping ter zake van de vordering tenuitvoerlegging in eerste aanleg met parketnummer 13-701285-15 nietig.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. N.A. Schimmel en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van

mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 februari 2019.

=========================================================================

[slachtoffer 3]