Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1139

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
14-06-2019
Zaaknummer
23-003094-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van dwang (art. 284 Sr). Geen straf of maatregel (art. 9a Sr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003094-17

datum uitspraak: 13 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 augustus 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-872373-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

30 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:


primair

hij op of omstreeks 20 december 2015 in de gemeente Beverwijk opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte toen en daar die [slachtoffer] vastgepakt en/of tegen haar wil in een auto getrokken of geduwd, waarna hij, verdachte, met die auto is weggereden;


subsidiair
[dat] hij op of omstreeks 20 december 2015 in de gemeente Beverwijk, in elk geval in Nederland, [slachtoffer], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten in de auto te gaan zitten en/of te blijven zitten en/of met verdachte mee te rijden en/of niet uit de auto te stappen, welk geweld, welk geweld en/of andere feitelijk en/of welke bedreiging met geweld en/of andere feitelijkheid hierin beston(en) dat hij verdachte die [slachtoffer] met kracht bij haar arm heeft vastgepakt en/of heeft meegetrokken naar een auto en/of in een auto heeft geduwd/getrokken en/of terwijl die [slachtoffer] het portier had geopend teneinde uit die auto te stappen, dat portier heeft gesloten/dichtgetrokken, en//of door (vervolgens) weg te rijden met die auto met daarin die [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde gerekwireerd, gelet op de door [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) afgelegde verklaring ten overstaan van de politie, de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], alsmede de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] heeft vastgepakt.

De raadsman heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden, omdat in beide varianten de vereiste wederrechtelijkheid ontbreekt. Daartoe is aangevoerd dat de omstandigheden van het geval – met name de gemoedstoestand van [slachtoffer] – de wederrechtelijkheid aan de gedragingen van de verdachte ontnemen.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde is vereist dat het opzet van de verdachte erop was gericht [slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven, zoals bedoeld in artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het hof is – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, waaronder de aldaar door de verdachte en door [slachtoffer] als getuige afgelegde verklaringen, niet kan worden afgeleid dat hij het opzet heeft gehad om [slachtoffer] van haar vrijheid te beroven. Uit de verklaring van de verdachte volgt immers dat zijn handelen was ingegeven door het feit dat hij zijn partner, [slachtoffer], niet alleen in het donker bij het treinstation in Beverwijk wilde achterlaten. Hij achtte dat onder de gegeven omstandigheden onverantwoord, mede gelet op de gemoedstoestand waarin zij op dat moment verkeerde. De verdachte heeft [slachtoffer] daarom herhaaldelijk tot de orde geroepen en haar vastgepakt. [slachtoffer] heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat zij op dat moment labiel en, naar eigen zeggen, ‘hysterisch’ was en dat zij het, op het moment dat ze eenmaal in de auto zat, wel goed vond. Op grond van het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen wel dat de verdachte [slachtoffer] wederrechtelijk gedwongen heeft iets te doen c.q. te dulden wat zij op dat moment niet wilde, namelijk plaatsnemen in de auto. [slachtoffer] heeft ter terechtzitting in hoger beroep immers verklaard dat zij – vanwege onenigheid met de verdachte – zelfstandig met het openbaar vervoer, en dus niet met de verdachte in de auto, naar huis wilde reizen. Vervolgens heeft hij haar vastgepakt en in de auto gezet, aldus [slachtoffer]. De verdachte heeft erkend dat [slachtoffer] kenbaar heeft gemaakt dat zij met de trein naar huis wilde gaan, dat hij haar niet in Beverwijk wilde achterlaten en dat hij haar heeft vastgepakt. De verklaring van [slachtoffer] wordt voorts bevestigd door de verklaring van de getuige [getuige 3], waaruit volgt dat een man een vrouw met geweld naar de auto heeft bewogen en (vervolgens) in de auto heeft gezet. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Naar het oordeel van het hof doet de verklaring van de getuige [slachtoffer], dat de verdachte naar haar mening in de gegeven omstandigheden ‘juist’ heeft gehandeld, niet af aan de vaststelling dat zij destijds wederrechtelijk door hem is gedwongen iets te doen c.q. dulden wat zij op dat moment niet wilde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 20 december 2015 in de gemeente Beverwijk [slachtoffer], door feitelijkheden gericht tegen die [slachtoffer], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen en/of te dulden, te weten in de auto te gaan zitten, welke feitelijkheden hierin bestonden dat hij, verdachte, die [slachtoffer] bij haar arm heeft vastgepakt en in een auto heeft geduwd/getrokken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen en/of te dulden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Geen oplegging van straf of maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan dwang. In beginsel is daarmee de oplegging van een straf of maatregel gerechtvaardigd.

Het hof acht het echter raadzaam te bepalen dat in dit geval geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daarbij is in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde en de toepasselijkheid van artikel 63 Sr. Voorts is de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 januari 2019, nadien niet (opnieuw) veroordeeld voor een misdrijf. Tenslotte is, blijkens de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep, uit navraag bij de politie gebleken dat geen sprake is van enige mutatie in de politiesystemen betreffende de verdachte van een latere datum dan het onderhavige incident. Het lijkt daarmee te gaan om een eenmalige en sterk situationeel bepaalde gebeurtenis.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. N.A. Schimmel en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 februari 2019.

=========================================================================

[…]