Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1108

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
200.226.949/01 en 200.229.297/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De middelbare schooldocente was gedurende enkele dagen vlak voor de eindexamens afwezig, maar na het horen van getuigen is niet komen vast te staan dat dat zonder toestemming van de school was. Geen dringende reden. De docente legt zich neer bij de beëindiging van het dienstverband. Het hof kent, net als de kantonrechter, een billijke vergoeding toe van € 80.000 bruto. Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:2278.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.226.949/01 en 200.229.297/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 6062172 \ AO VERZ 17-65 en

6093543 \ AO VERZ 17-72 (PA)

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 april 2019

inzake

STICHTING VOOR INTERCONFESSIONEEL VOORTGEZET ONDERWIJS IN OOSTELIJK WEST-FRIESLAND,

gevestigd te Grootebroek, gemeente Stede Broec,

in de zaak 200.229.297: appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

in de zaak 200.226.949: verzoekster

advocaat: mr. A.C.M. Ranke te Woerden,

tegen

[verweerster] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

in de zaak 200.229.297: geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

in de zaak 200.226.949: verweerster

advocaat: mr. S. Vrij te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna het Martinuscollege en [verweerster] genoemd.

Op 3 juli 2018 is een tussenbeschikking gegeven. Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar de tussenbeschikking. Op 27 augustus 2018 zijn getuigen gehoord door mr. J.C. Toorman als raadsheer-commissaris. Hiervan is een proces-verbaal gemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

Vervolgens zijn de volgende stukken ingediend:

  • -

    bijlagen 43, 44 en 45 met begeleidend schrijven door [verweerster] op 29 augustus 2018;

  • -

    producties A en B met begeleidend schrijven door het Martinuscollege op

31 augustus 2018;

  • -

    producties A, B, C en D door het Martinuscollege op 24 september 2018;

  • -

    antwoordakte na enquête met producties 46 en 47 door [verweerster] op 16 oktober 2018;

  • -

    akte na enquête met productie Z1 en Z2 door het Martinuscollege op 22 oktober 2018;

  • -

    antwoordakte na enquête door [verweerster] op 30 oktober 2018.

2 De verdere beoordeling

3.1

Het hof heeft in de beschikking van 3 juli 2018 het Martinuscollege toegelaten tot het leveren van het bewijs van zijn stelling, dat [verweerster] aan [X] geen toestemming heeft gevraagd, en dat [X] aan [verweerster] ook geen toestemming heeft gegeven, om van 13 april 2017 tot aan het begin van de meivakantie wegens vakantie afwezig te mogen zijn.

3.2

[X] heeft als getuige verklaard: “Ik ben tot december 2016/januari 2017 de leidinggevende geweest van [verweerster] . U (raadsheer-commissaris, toevoeging hof) vraagt mij of ik [verweerster] op 4 oktober 2016 heb gesproken over vakantiedagen. Volgens mij heb ik [verweerster] niet gesproken, want het was een hele drukke dag. Daarmee bedoel ik dat ik op een dergelijke dag niet precies kan bijhouden wie ik gesproken heb, het is dus mogelijk dat ik haar wel heb gegroet. Ik ben er zeker van dat een gesprek met haar niet heeft plaatsgevonden. Ik heb voor het eerst van de vakantieplannen van [verweerster] gehoord op 11 april 2017, zeer kort voor haar vertrek.” Verder heeft zij verklaard: “Op 4 oktober 2016 was er op school, zoals iedere week, een vergaderdag en dus waren alle collega’s aanwezig. De vergaderingen beginnen meestal vanaf een uur of 2. Op de bewuste dag hadden wij geen vergadering maar LOG-cursus (Leraren Ontwikkel Groep). De docenten worden dan verdeeld over verschillende lokalen waarin zij in opleiding zijn. Ik zat zelf die middag ook in zo’n lokaal en dat duurde tot 16:30 uur of 16:45 uur.”

3.3

[verweerster] heeft als partijgetuige verklaard: “Ik heb op 4 oktober 2016 toestemming gevraagd om gedurende de periode 12 april 2017 tot aan het begin van de mei vakantie op vakantie te gaan. Ik heb die toestemming gevraagd aan mijn toenmalig leidinggevende [X] en ik was daartoe naar haar kamer gegaan.

Voorafgaand aan dit verzoek had ik zelf uitgezocht hoeveel dagen compensatieverlof ik nodig zou hebben en hoeveel spaarverlof ik had. Daaruit kwam naar voren dat ik voor het opnemen van de benodigde 3 of 3,5 dagen 2 opties had: ik beschikte over 3 tot 3,5 maanden spaarverlof en daarnaast had ik de mogelijkheid om de benodigde dagen te compenseren.

Met deze kennis ben ik op 4 oktober 2016 naar [X] gegaan. Ik heb haar mijn

vraag voorgelegd en gezegd dat ik de benodigde dagen uit mijn compensatieverlof

wilde opnemen. Ook heb ik haar uitgelegd wat mijn reisplan was, namelijk dat ik naar

Ecuador en de Galapagos eilanden zou gaan met dezelfde organisatie waarmee ik eerder naar China was geweest. Ik heb [X] ook uitgelegd waarom ik voor de optie compensatieverlof had gekozen en [X] was het daarmee eens. We hebben de betreffende periode bekeken en geconcludeerd dat ik daarvoor 3 of 3,5 dagen verlof

nodig had. Die halve dag verschil stond voor het controleren van cijferlijsten van

mentorleerlingen. Daarnaast diende ik voor die tijd de examentoetsen met de leerlingen te bespreken. Onze gezamenlijke conclusie was dat ik ook het controleren van de lijsten van de mentorleerlingen beter zelf kon doen. Een en ander zou betekenen dat ik 3.5 vakantiedag nodig had.

Op een bepaald moment heb ik gevraagd aan [X] : denk je dat het mogelijk is om vrij te nemen? [X] antwoorde toen: ja dat denk ik wel, als jij denkt dat je

voldoende compensatie hebt. Ik heb daarop geantwoord dat ik zeker wist dat ik die

dagen wel had. Er zou in november een uitwisseling zijn met een school in Hamburg en in dat programma zat een zondag en een maandag, dagen waarop ik normaal gesproken niet werk. Later zouden nog twee uitwisselingen volgen en dat leverde nog wat dagen op. Daarnaast had ik in het verleden regelmatig gewerkt buiten de drie dagen van mijn aanstelling en als dat in de komende periode ook zou gebeuren dan zouden er meer dagen bijkomen. Toen ik dat had uitgelegd zei [X] : dan is het goed. Daarop ben ik superblij de kamer uitgegaan. Ik wil nog toevoegen dat ik [X] eerder in het gesprek had uitgelegd dat ik op korte termijn aan de reisorganisatie moest laten weten of ik mee zou gaan. De aanvankelijk geplande periode voor deze reis was voor mij niet geschikt. Later kwam er een tweede reis hij in de betreffende periode. Ik heb toen de reisorganisatie laten weten dat ik graag mee wilde als ik vrij kon krijgen. Ik kon dat toen niet onmiddellijk laten weten omdat [X] toen op werkweek was in London.” [verweerster] heeft verder verklaard:

Ik zag geen reden om tijdens de afwezigheid van [X] haar per sms. e-mail of

appbericht om toestemming te vragen. Ik had de reisorganisatie uitgelegd dat het even

kon duren voordat ik uitsluitsel kon geven. Zij hebben daarop gereageerd in de trant

van: laat het ons maar weten zodra jij het weet. Op een vraag van mr. Ranke over het

tijdstip van het gesprek met [X] antwoord ik als volgt. U houdt mij voor dat ik

om 15:36 op de dag van het gesprek met [X] aan de reisorganisatie een e-mail

heb gestuurd met de mededeling dat ik toestemming had gekregen om vakantie te

nemen in de betreffende periode. Allereerst antwoord ik dat ik niet precies weet hoe laat het gesprek plaatsvond, maar ik meen dat het ergens in de middag was, zoals ik het mij herinner was de school vrij leeg en stil en waren er bijna geen collega’s. Ik moet daaraan toevoegen dat ik ben gaan twijfelen aan het tijdstip dat u noemt, te weten 15:36. Afgelopen vrijdag heb ik vanwege die twijfel het mailverkeer bekeken en heb ik ontdekt dat onder een ander mailbericht mijn mail van destijds wordt weergegeven met het tijdstip 15:36, maar ik heb ook gezien dat op een andere plaats, onder een ander mailbericht een tijdstip van ongeveer half 6 is vermeld. Ik sluit daarom niet uit dat het gesprek met [X] tussen 15:36 en half 6 op de betreffende middag heeft plaatsgevonden.” Tenslotte heeft [verweerster] verklaard: “Ik heb de toestemming die ik van [X] kreeg met mijn collega [A] besproken in de auto van het werk naar huis. Ik rijd op dinsdag en donderdag altijd met hem in de auto heen en weer naar school en naar huis. Ik weet niet helemaal zeker op welke dag dat was, maar in ieder geval was het op de dinsdag of de donderdag in die week. Op de vrijdag in die week zou mijn vader worden geopereerd en ik herinner mij dat ik dat in hetzelfde gesprek aan [A] heb verteld.”

3.4

[X] heeft als getuige verklaard dat zij [verweerster] op 4 oktober 2016 niet over diens vakantiedagen heeft gesproken en dat zij voor het eerst van de vakantieplannen van [verweerster] gehoord heeft op 11 april 2017.

3.4.1

Het Martinuscollege heeft er ter onderbouwing van de verklaring van [X] op gewezen dat [X] op 4 oktober 2016 een volle agenda had, en dat [X] op 4 oktober 2016 dus ook niet in de gelegenheid is geweest een gesprek met [verweerster] over diens vakantieopname te voeren. Meer in het bijzonder heeft het Martinuscollege er op gewezen dat [X] die dag van 09.00 tot 12.00 uur afspraken had, van 12.30 uur tot 13.15 sectieoverleg, en tussen 14.10 en 16.30 uur een LOG-studiemiddag.

3.4.2

Het Martinuscollege heeft er verder op gewezen dat het, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen die zich hier niet voordoen, niet is toegestaan tijdens een reguliere onderwijsperiode vakantie of verlof op te nemen.

3.4.3

Het Martinuscollege heeft er tenslotte op gewezen dat, zo begrijpt het hof, het onaannemelijk is dat [verweerster] [X] op 4 oktober 2016 om vakantietoestemming zou hebben gevraagd, aangezien er tussen hen beiden na de zomervakantie 2016 geen mondelinge communicatie meer was en [verweerster] [X] na die zomervakantie ‘ontliep’.

3.5

[verweerster] heeft als partij-getuige gedetailleerd uiteengezet dat zij op 4 oktober 2016 aan haar toenmalige leidinggevende [X] toestemming heeft gevraagd en gekregen om vanaf 12 april 2017 tot aan het begin van de meivakantie enkele verlofdagen op te nemen. [verweerster] wijst er in dat verband op dat zij voorafgaand aan 4 oktober 2016 een vakantiereis had geboekt, onder het voorbehoud dat zij nog toestemming van haar werkgever diende te verkrijgen. Nadat zij op 4 oktober 2016 de betreffende toestemming van [X] had verkregen, heeft zij dat die dag zowel aan de betreffende reisorganisatie als aan haar reisgenote laten weten. Later die week heeft zij dit ook aan een collega, [A] , gemeld. [verweerster] heeft verder gewezen op de reactie van [X] op 11 april 2017, toen [verweerster] [X] vertelde daags daarna op vakantie naar de Galapagos eilanden te vertrekken. [X] zei toen: ‘stuur je mij af en toe een fotootje’.

3.5.1

[verweerster] heeft verklaard dat het gesprek met [X] op 4 oktober 2016 ’s middags plaatsvond, en dat daar ook voldoende gelegenheid voor was. [verweerster] heeft ter onderbouwing van haar verklaring gesteld dat zij zelf die dag vanaf 13:45 uur vrij was, omdat het reguliere thavo-overleg niet plaatsvond vanwege een voor alle docenten gehouden studiemiddag, en dat zij niet had deelgenomen aan die studiemiddag. [X] had volgens [verweerster] ook voldoende ruimte voor een gesprek. [verweerster] wijst er daarbij op dat zij in haar eigen agenda precieze aantekeningen maakt van de op een dag te houden afspraken, en dat op 4 oktober 2016 melding wordt gemaakt van een met [X] te houden gesprek.

3.5.2

[verweerster] heeft betwist dat het niet zou zijn toegestaan om tijdens een reguliere onderwijsperiode vakantie op te nemen. Zij heeft voorbeelden genoemd van collega’s waarbij dat door het Martinuscollege wel is toegestaan. Zij heeft gewezen op een verklaring van haar collega [B] die dat bevestigt en waarna het Martinuscollege erkent dat [B] een of meer dagen compensatieverlof heeft gekregen. Zij heeft er verder op gewezen dat het voor haar slechts nodig was 3,5 dagen verlof op te nemen, dat zij die dagen had en dat het ook vaker werd toegestaan compensatieverlof daarvoor te gebruiken.

3.5.3

[verweerster] heeft er op gewezen er aanvankelijk van te zijn uitgegaan dat zij de bevestigende e-mail aan de reisorganisatie om 15.36 uur te hebben verstuurd, omdat dat tijdstip van verzending vermeld staat op een uitdraai van de door [verweerster] aan de reisorganisatie verstuurde e-mail. Bij nader inzien moet er volgens [verweerster] van worden uitgegaan dat de betreffende verzending heeft plaatsgevonden om 17.38 uur; dat tijdstip valt ook af te leiden uit de verzendgegevens van de computer van [verweerster] en op dat tijdstip heeft haar reisgenote de betreffende e-mail ontvangen. In de computer van de reisgenote was als tijdstip van ontvangst 17.35 uur genoteerd.

3.5.4

[verweerster] heeft weersproken dat zij na de zomervakantie 2016 geen contact meer heeft gehad met [X] ; zij heeft daarbij gewezen op tussen hen beiden uitgewisselde WhatsApp-berichten.

3.6

Het hof is van oordeel dat het Martinuscollege niet heeft bewezen dat [verweerster] op 13 april 2017 en de dagen daarna zonder toestemming afwezig was. De onder ede afgelegde verklaringen van [X] en [verweerster] staan tegenover elkaar. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de consistente en gedetailleerde verklaring van [verweerster] omtrent het aanvragen en verkrijgen van de betreffende toestemming. Indien het gesprek over de vakantie tussen [verweerster] en [X] op

4 oktober 2016 niet zou hebben plaatsgevonden, dan betekent dat dat [verweerster] op

4 oktober 2016 een bericht aan de betreffende reisorganisatie en haar reisgenote zou hebben verstuurd, - mede inhoudend dat haar werkgever ‘zich zelf (heeft) overtroffen’ door zo snel toestemming te geven – terwijl daar iedere grond voor ontbrak. Bovendien stemt het op 4 oktober 2016 door [verweerster] vragen van toestemming aan [X] overeen met het op 29 september 2016 door [verweerster] aan haar reisgenote verzonden bericht, dat zij die toestemming zou gaan vragen: “Volgende week is mijn bazin weer terug, kan ik mijn overwerk-uren laten tellen en kan ik uitzoeken hoe de laatste toetsweek precies valt (inlevertijdstip) (…) Hoop dat jij meegaat, als ik vrij krijg.” Hoewel [X] verklaart er ‘zeker’ van te zijn dat het betreffende gesprek over de vakantie op 4 oktober 2016 niet heeft plaatsgevonden, acht het hof die verklaring minder overtuigend. Zoals [X] zelf ook heeft verklaard, was het die dag druk, en het hof acht het denkbaar dat [X] achteraf vergeten is dat een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden. Het hof ziet een bevestiging in deze mogelijkheid in de reactie van [X] op 11 april 2017, toen [verweerster] haar vertelde over de vakantie die daags daarna zou plaatsvinden. [X] vroeg [verweerster] alleen om dan ‘af en toe een fotootje te sturen’. Die reactie strookt allereerst al niet met het standpunt van het Martinuscollege, dat gedurende reguliere schoolperiodes geen vakantie wordt toegestaan. De reactie van [X] past naar het oordeel van het hof ook eerder bij die van iemand die, wellicht in een onbewaakt ogenblik, wel akkoord is gegaan met de vakantieopname, dan bij die van een leidinggevende met wie nooit over die vakantie was gesproken. Het Martinuscollege heeft hierover nog aangevoerd dat [X] er op 11 april 2017 kennelijk van was uitgegaan dat de betreffende toestemming was gegeven na 1 januari 2017, op een moment dat [X] niet meer de leidinggevende van [verweerster] was, maar het hof acht die verklaring gezocht. In de eerste plaats heeft [X] zelf hierover niets verklaard, maar het ligt ook minder voor de hand om voor een verre reis als die naar de Galapagos-eilanden zo kort voor vertrek toestemming te vragen en het hof acht het onwaarschijnlijk dat [verweerster] het daarop zou laten aankomen. Het hof acht daarmee geen dringende reden voor een ontslag op staande voet aanwezig. De tegen het andersluidend oordeel van de kantonrechter kennelijk bedoelde impliciete grief/grieven in principaal appel falen.

3.7

Nu de dringende reden van het aan [verweerster] gegeven ontslag op staande voet niet is komen vast te staan, betekent dit dat de aan [verweerster] verrichte opzegging zonder inachtneming van de opzegtermijn is geschied, als ook dat het hof aan [verweerster] – die haar beroep op de vernietiging van de opzegging in eerste aanleg heeft ingetrokken, en aanspraak heeft gemaakt op een billijke vergoeding – een billijke vergoeding kan toekennen. Voor zover [verweerster] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, heeft [verweerster] tevens recht op een transitievergoeding. [verweerster] heeft bovendien aanspraak gemaakt op het loon over de periode 13 april 2017 tot en met 10 mei 2017, nu het ontslag op staande voet naar haar zeggen pas op die laatste datum is gegeven. Het Martinuscollege heeft dit betwist, en gesteld uit te gaan van een ontslag op staande voet op 13 april 2017.

3.7.1

Het Martinuscollege heeft op 13 april 2017 aan [verweerster] een brief verstuurd, waarin is vermeld dat onder ontbindende voorwaarde ontslag op staande voet wordt gegeven. Blijkens haar verzoekschrift in eerste aanleg is ook [verweerster] uitgegaan van een aan het ontslag ten grondslag gelegde ontbindende voorwaarde. De voorwaarde betreft het voor de afwezigheid vanaf 12 dan wel 13 april 2017 een sluitende verklaring kunnen geven. Het woord ‘ontbindende’ voorwaarde duidt er op dat het betreffende ontslag ingaat op 13 april 2017, doch mogelijkerwijs zal komen te vervallen indien en zodra de voorwaarde (te weten het kunnen geven van een sluitende verklaring) komt vast te staan. Nu aan die voorwaarde in de visie van het Martinuscollege niet is voldaan, betekent dit dat het ontslag is gegeven met ingang van 13 april 2017. Voor zover [verweerster] met haar grief 1 in incidenteel appel betoogt dat dit ontslag op ondeugdelijke gronden is gegeven omdat op dit ontslag hoor en wederhoor niet is toegepast, faalt het betoog. Artikel 7:677 BW schrijft niet voor dat een ontslag (op staande voet) slechts gegeven mag worden na toepassing van hoor en wederhoor.

Voor zover [verweerster] met haar grief 1 in incidenteel appel betoogt dat dit ontslag op ondeugdelijke gronden is gegeven, omdat het ontslag pas is ingegaan op 10 mei 2017, faalt het evenzeer. [verweerster] heeft niet betoogd dat ontslag op staande voet onder een voorwaarde nimmer mogelijk is. De wet sluit een dergelijke constructie niet uit, daargelaten dat de situatie dat de werkgever zich op het intreden van de ontbindende voorwaarde beroept, zich hier niet voordoet. De tussenconclusie is dat het Martinuscollege op 13 april 2017 ontslag op staande voet heeft gegeven, bij welk ontslag [verweerster] zich heeft neergelegd, zij het dat zij diverse vergoedingen claimt. De grieven 3 en 4 in incidenteel appel – die allen uitgaan van een dienstverband tot 10 mei 2017 - falen eveneens.

3.7.2

Nu niet is komen vast te staan dat [verweerster] zonder toestemming op 12 april 2017 en de dagen er na afwezig is geweest, is geen sprake van een situatie dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. De bijkomende omstandigheden waar het Martinuscollege een beroep op doet, zoals het eerder hebben gekregen van een waarschuwing, zijn daartoe onvoldoende. Aan [verweerster] komt daarom een transitievergoeding toe. De hoogte van de transitievergoeding is niet in geschil. De tegen de toekenning daarvan kennelijk bedoelde impliciete grief/grieven in principaal appel falen.

3.7.3

De kantonrechter heeft het Martinuscollege veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een billijke vergoeding van € 80.000,- bruto. De kantonrechter heeft daarbij acht geslagen op enkele van de door de Hoge Raad in de New Hairstyle-beschikking (30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187) genoemde gezichtspunten. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat van de toegekende transitievergoeding van € 26.252,65 bruto € 20.000,- wordt aangemerkt als kosten van verwerving, om ‘nog enige kans te maken op de arbeidsmarkt’. De resterende € 6.252,65 bruto wordt door de kantonrechter in mindering gebracht op de becijferde inkomensschade, waarmee een schade van € 66.557,20 bruto resteert.

3.7.4

[verweerster] heeft in incidenteel appel aanspraak gemaakt op een billijke vergoeding van € 467.639,- bruto, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag. [verweerster] heeft hiertoe aangevoerd dat het gederfde inkomen tot haar AOW-leeftijd € 596.360,- bruto bedraagt. Rekening houdend met een te genieten WW-uitkering van in totaal € 59.636,- bruto, aanvullende uitkeringen op basis van de cao-VO van € 650,- en van € 27.373,92 bruto, alsmede rekening houdend met een aansluitende uitkering van € 41.060,88 bruto, resteert – uitgaande van ontslag per 10 mei 2017 - een inkomensschade van € 467.639,- bruto. Zij verzoekt dit bedrag toe te kennen, mede vanwege de grovelijke schuld van het Martinuscollege aan het ontstaan van de ontstane situatie, [verweerster] ’s lange en zeer goede staat van dienst, het aan [verweerster] aangedane leed en de afwezigheid van enige andere grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. De transitievergoeding dient volgens [verweerster] hierop niet in mindering te worden gebracht, nu zij dit bedrag heeft besteed althans verwacht te besteden aan het vinden van een andere baan, bij voorbeeld door het inschakelen van een coach en het inkopen van nascholing en seminars.

3.7.5

Het Martinuscollege heeft verweer gevoerd tegen de door [verweerster] verzochte billijke vergoeding. Het Martinuscollege heeft daartoe gesteld dat de door [verweerster] berekende te derven inkomsten onjuist zijn: zo zal zij niet twee maanden maar zes maanden 75% van haar laatst verdiende loon ontvangen. Voorts stelt het Martinuscollege dat [verweerster] heeft berust in het ontslag, dat zij zelf waarschijnlijk evenmin heil zag in een voortzetting van de arbeidsovereenkomst en dat alleen daarom al voortzetting van de arbeidsovereenkomst tot de AOW gerechtigde leeftijd niet waarschijnlijk is.

3.8

Voor de berekening van de toe te kennen billijke vergoeding dient acht te worden geslagen op de door de Hoge Raad in genoemde New Hairstyle beschikking, en nadien herhaalde, gezichtspunten. Van deze gezichtspunten zijn, nu daar door partijen impliciet of expliciet een beroep is gedaan, in de onderhavige situatie in het bijzonder de volgende van belang:

3.8.1 (

i) resterende duur dienstverband zonder het ernstig verwijtbare gedrag werkgever

[verweerster] gaat er kennelijk van uit dat, zonder het onterecht gegeven ontslag op staande voet, haar dienstverband met het Martinuscollege tot haar AOW-leeftijd zou hebben voortgeduurd. Het Martinuscollege heeft dit betwist, onder andere door te wijzen op de keuze van [verweerster] om zich neer te leggen bij het ontslag, in plaats van herstel van het dienstverband te verzoeken. Het hof oordeelt als volgt. [verweerster] heeft haar keuze om te berusten in het ontslag niet anders toegelicht dan met de enkele woorden dat haar vertrouwen in het Martinuscollege was komen te vervallen. Zij heeft niet toegelicht waarom herstel van dat vertrouwen niet mogelijk was geweest. Nu het geschil omtrent de geldigheid van het ontslag op staande voet er in wezen op neerkomt of zij wel of niet van [X] toestemming had gekregen voor de betreffende vakantie, en de leiding van het Martinuscollege kennelijk de mededeling van [X] , dat die toestemming niet was gegeven, heeft gevolgd, valt niet zonder meer in te zien waarom herstel van het bij [verweerster] geschonden vertrouwen niet mogelijk was geweest, zodra een objectief oordeel over die toestemming was gegeven. Het hof acht daarbij van belang dat [verweerster] in 2015 al eens een waarschuwing had gekregen over het opnemen van verlof, door [verweerster] niet is gesteld dat die waarschuwing ten onrechte was gegeven, en die gebeurtenis wellicht ertoe heeft bijgedragen dat [verweerster] zich heeft neergelegd bij het ontslag op staande voet. Ook is, zoals de kantonrechter onweersproken heeft overwogen, niet uitgesloten dat het dienstverband om organisatorische redenen eerder dan per AOW-datum van [verweerster] had moeten eindigen. Het hof acht het daarom niet uitgesloten dat het dienstverband zonder het thans aangevochten ontslag op staande voet, door of met instemming van [verweerster] eerder dan bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van [verweerster] zou zijn geëindigd. Het hof acht ook van belang dat [verweerster] heeft gesteld rugklachten en ernstige en toenemende oogklachten te hebben. [verweerster] schreef hierover in het verzoekschrift in eerste aanleg: ‘ [verweerster] heeft haar functie tot nu toe gewoon kunnen vervullen (zij is thans ook niet ziek gemeld bij het UWV), maar wel in aangepaste vorm. Wat de toekomst brengt is onzeker.’ Ook vanwege die rug- en oogklachten is niet uitgesloten dat het dienstverband eerder dan bij het bereiken van de AOW leeftijd van [verweerster] zou zijn geëindigd.

3.8.2 (

ii) verworven of te verwerven inkomsten

Het Martinuscollege heeft gesteld dat de arbeidsmarktpositie voor docenten M&O en economie, zoals [verweerster] is, goed te noemen is. [verweerster] heeft ter afzwakking daarvan gewezen op haar leeftijd en op haar medische problemen, maar [verweerster] heeft ook erkend dat zij inmiddels ander werk als docente heeft gevonden, zij het op tijdelijke basis. Het hof gaat er van uit dat, ondanks de leeftijd en de gezondheidssituatie van [verweerster] , haar kansen op de arbeidsmarkt ten tijde van het ontslag niet slecht te noemen waren, welke verwachting ook is uitgekomen nu zij ander werk heeft gevonden. Niet is gebleken dat [verweerster] op uurbasis thans substantieel minder verdient dan zij bij het Martinuscollege verdiende, maar anderzijds staat niet vast in welke omvang en voor welke duur [verweerster] de vervangende werkzaamheden zal kunnen verkrijgen.

3.8.3 (

iii) mate van verwijt aan het Martinuscollege

Het Martinuscollege heeft [verweerster] ten onrechte op staande voet ontslagen. Dat impliceert al de ernstige verwijtbaarheid van het handelen van het college. Indien het Martinuscollege zorgvuldig onderzoek had gedaan naar de gebeurtenissen rondom de vakantieaanvraag, dan was het ontslag niet gegeven althans het had niet gegeven mogen worden. De onzorgvuldigheid met betrekking tot dat onderzoek valt het Martinuscollege daarom in het bijzonder te verwijten. [verweerster] verwijt het Martinuscollege verder dat deze als eigen risicodrager zich onvoldoende heeft ingespannen om voor [verweerster] na 10 mei 2017 weer werk te vinden. Los van de vraag of een mogelijke tekortkoming na het geven van ontslag een rol kan spelen bij het (in opwaartse zin) vaststellen van de hoogte van een billijke vergoeding, heeft het Martinuscollege dit verwijt van [verweerster] betwist, en is komen vast te staan dat [verweerster] binnen relatief kort termijn ander werk heeft gevonden, zodat haar re-integratie, hoe dan ook, goed is verlopen.

3.8.4 (

iv) toegekende vergoedingen

[verweerster] heeft gesteld de gehele transitievergoeding te hebben aangewend of nog te zullen aanwenden voor het vinden van een nieuwe baan. Het Martinuscollege heeft dat niet gemotiveerd weersproken, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

3.8.5 (

v) leed

[verweerster] heeft onbetwist gesteld dat de onderhavige situatie haar veel leed heeft berokkend. Na een langdurig en overwegend positief dienstverband is daar, door een onterechte beschuldiging, plotseling een einde aan gekomen. Het hof zal hiermee rekening houden.

3.8.6

Slotsom billijke vergoeding

Zowel de te verwachten resterende duur van de arbeidsrelatie met het Martinuscollege, als de huidige kansen van [verweerster] zijn moeilijk vast te stellen. Het hof kan niet meer dan daarvan een inschatting maken, zoals hierboven ook is gedaan. Daar komt bij dat [verweerster] over de periodes dat zij werkloos is, een uitkering geniet in de orde van grootte van € 2.200,- bruto per maand, zodat zij gedurende die periodes een inkomensverlies lijdt in de orde van grootte van € 1.000,- bruto per maand, waaraan moet worden toegevoegd het daarmee gepaard gaande verlies aan pensioenopbouw. [verweerster] was ten tijde van het ontslag 15 jaar en 3 maanden verwijderd van haar AOW-leeftijd. Rekening houdend met alle hierboven genoemde omstandigheden acht het hof het door de kantonrechter vastgestelde bedrag van € 80.000,- bruto als billijke vergoeding correct. Het hof zal dit onderdeel van de bestreden beschikking daarom bekrachtigen. Dat betekent dat grief 2 van het incidenteel appel faalt. De tegen de toekenning van de billijke vergoeding kennelijk bedoelde impliciete grief/grieven in principaal appel falen evenzeer.

3.9

[verweerster] verzoekt met haar grief 5 in incidenteel appel om toekenning van de werkelijke proceskosten. Zij stelt daartoe dat het Martinuscollege zo verwerpelijk heeft gehandeld, dat het niet redelijk is [verweerster] met de werkelijke proceskosten op te zadelen. Toekenning van werkelijke proceskosten is alleen aan de orde in geval van misbruik van procesrecht. [verweerster] heeft niet gesteld dat het Martinuscollege daartoe is overgegaan. Voor zover zij bedoeld heeft dit te stellen, heeft zij de stelling niet van voldoende toelichting voorzien. De grief faalt.

3.10

Nu het Martinuscollege in de gelegenheid is gesteld bewijs te leveren door het horen van getuigen bestaat geen belang meer bij het verzoek tot het houden van voorlopig getuigenverhoor. De proceskosten ten aanzien van dit verzoek zullen worden gecompenseerd.

3.11

Concluderend falen de (impliciete) grieven in principaal appel en falen de grieven in incidenteel appel. Het Martinuscollege zal in de zaak 200.229.297 in de proceskosten in principaal appel worden veroordeeld en [verweerster] zal in de proceskosten in incidenteel appel worden veroordeeld. In de zaak 200.226.949 zal het hof de proceskosten compenseren.

4 Beslissing

in de zaak 200.229.297:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt het Martinuscollege in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [verweerster] begroot op € 318,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris; en veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van het Martinuscollege begroot op € 1.611,- voor salaris;

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

in de zaak 200.226.949:

wijst het verzoek af;

compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, J.C. Toorman en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 april 2019.