Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1101

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
200.230.325/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Vernietiging van de leaseovereenkomst op grond van artikel 1:88 in verbinding met 1:89 BW. Als bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is beslist dat de rechtsvordering tot vernietiging is verjaard in een procedure waarin één van de echtgenoten partij was, heeft dat vonnis dan tevens gezag van gewijsde jegens de andere echtgenoot? Strekking beschermingsgedachte 1:88 BW. Voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.230.325/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 5701395 DX EXPL 17-42

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 april 2019

inzake

LEASEPROCES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Leaseproces en Dexia genoemd.

Leaseproces is bij dagvaarding van 9 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 20 april 2017 en 21 september 2017, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen haar als eiseres in conventie en (het hof leest:) verweerster in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte van Leaseproces, met producties;

- antwoordakte van Dexia.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Leaseproces heeft geen grieven gericht tegen het tussenvonnis (waarbij slechts is beslist dat de procedure schriftelijk wordt voortgezet), zodat het hoger beroep zich beperkt tot het eindvonnis.

Leaseproces heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - haar vorderingen zal toewijzen en, zo begrijpt het hof uit de appeldagvaarding, de (reconventionele) vordering van Dexia zal afwijzen, met veroordeling van Dexia in de (na)kosten van het hoger beroep.

Dexia heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Leaseproces in haar hoger beroep, althans tot verwerping daarvan, met veroordeling van Leaseproces in de kosten van het hoger beroep.

Dexia heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.8) de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten op het volgende neer.

2.2

[X] (hierna: [X] ) heeft op 23 november 2000 een effecten- leaseovereenkomst - met hem als lessee en (de rechtsvoorgangster van) Dexia als wederpartij - met contractnummer [nummer 1] getekend (WinstVerDriedubbelaar, hierna: de leaseovereenkomst).

2.3

[Y] (hierna: [Y] ), met wie [X] ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomst was gehuwd, heeft geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de leaseovereenkomst.

2.4

De leaseovereenkomst is op 24 november 2003 geëindigd met een restschuld van € 13.602,71.

2.5

Bij brief van 24 april 2005 heeft de gemachtigde van [X] Dexia gesommeerd tot terugbetaling van de aan haar betaalde bedragen binnen een termijn van zeven dagen.

2.6

[Y] heeft bij brief van 1 juli 2005 (hierna: de vernietigingsbrief) met een beroep op artikel 1:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:88 BW de leaseovereenkomst vernietigd.

2.7

Bij vonnis van 27 februari 2013, met zaak- en rolnummer 1346543 DX EXPL 12-166, heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam de door [X] tegen Dexia met betrekking tot de leaseovereenkomst ingestelde vordering op grond van de vernietiging ex artikel 1:88 jo. 1:89 BW afgewezen. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.

2.8

[X] en [Y] hebben hun vordering(en) op Dexia bij akte van cessie van 8 december 2016 gecedeerd aan Leaseproces.

3 Beoordeling

3.1

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [X] heeft tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3.2

De in eerste aanleg door Leaseproces in conventie ingestelde vorderingen strekken ertoe dat voor recht wordt verklaard dat de leaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd en Dexia te veroordelen aan Leaseproces terug te betalen al hetgeen door [X] aan Dexia op grond van deze leaseovereenkomst is voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling.

3.3

In reconventie heeft Dexia in eerste aanleg gevorderd voor recht te verklaren dat de leaseovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen, niet is vernietigd en niet blootstaat aan vernietiging op enige grond waarop aan de zijde van Leaseproces een beroep kan worden gedaan.

3.4

De kantonrechter heeft de vorderingen van Leaseproces afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter - kort gezegd - overwogen dat het beroep van Dexia op het gezag van gewijsde van het vonnis van 27 februari 2013 slaagt, aangezien het in de onderhavige zaak gaat om dezelfde rechtsbetrekking (de buitengerechtelijke vernietiging ex artikel 1:88 jo. 1:89 BW van de leaseovereenkomst ), dezelfde partijen ( [X] en [Y] enerzijds en Dexia anderzijds) en dezelfde vordering (tot restitutie van al hetgeen [X] uit hoofde van de leaseovereenkomst heeft voldaan minus de eventueel genoten voordelen).

In reconventie heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Dexia jegens Leaseproces aan al haar verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst heeft voldaan en op grond daarvan niets meer aan Leaseproces verschuldigd is.

3.5

Met haar grief komt Leaseproces op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het vonnis van 27 februari 2013 gezag van gewijsde heeft tussen Leaseproces (als rechtsverkrijgende van de vordering van [Y] ) en Dexia. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.6

Artikel 236 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Vaststaat dat het vonnis van 27 februari 2013 in kracht van gewijsde is gegaan. Tussen partijen is in geschil of dat vonnis dezelfde rechtsbetrekking betreft die in de onderhavige procedure aan de orde is en of dat vonnis is gewezen tussen dezelfde partijen als de partijen in dit geding.

3.7

In de procedure tussen [X] en Dexia die tot het vonnis van 27 februari 2013 heeft geleid, heeft [X] gevorderd voor recht te verklaren dat de leaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd en Dexia te veroordelen tot terugbetaling aan hem van al hetgeen door hem uit hoofde van de leaseovereenkomst aan Dexia is betaald. De grondslag van deze vordering was, evenals in de onderhavige procedure, dat [Y] die leaseovereenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd op de voet van artikel 1:88 jo. 1:89 BW. Na het horen van getuigen, waaronder [Y] , is de kantonrechter in de eerdere procedure tot het oordeel gekomen dat de vernietiging door [Y] niet tijdig is geschied, omdat het bewijsvermoeden dat [Y] eerder dan drie jaar voor de vernietigingsbrief van 1 juli 2005 kennis heeft gekregen van het bestaan van de leaseovereenkomst door de getuigenverklaringen niet is ontzenuwd. Vervolgens heeft de kantonrechter in het vonnis van 27 februari 2013 het beroep op verjaring van Dexia geslaagd geacht en om die reden de vordering van [X] afgewezen.

In de huidige procedure doet Leaseproces, ter adstructie van haar stelling dat van verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging geen sprake is, ten aanzien van de leaseovereenkomst een beroep op, kort gezegd, de stuitende werking van de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure van de stichting Eegalease en anderen tegen Dexia (hierna: de collectieve procedure). [X] heeft dit beroep in de procedure tussen hem en Dexia niet gedaan. Eerst na het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 27 februari 2013 is vast komen te staan dat de collectieve procedure de mogelijkheid om de leaseovereenkomst te vernietigen heeft gestuit en wel tot uiterlijk zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard (zie Hoge Raad 9 oktober 2015; ECLI:NL:HR: 2015:3018 en Hoge Raad 19 mei 2017; ECLI:NL:HR: 2017:936). Voor leaseovereenkomsten die ná 13 maart 2000 zijn aangegaan, zoals de leaseovereenkomst, heeft deze stuitende werking tot gevolg dat de mogelijkheid om de leaseovereenkomst te vernietigen niet is verjaard.

3.8

Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de kantonrechter in het vonnis van 27 februari 2013 heeft beslist over de rechtsbetrekking in geschil in het onderhavige geding, namelijk de vernietiging van de leaseovereenkomst door [Y] bij brief van 5 juli 2005 wegens het ontbreken van haar (schriftelijke) toestemming voor het aangaan van die overeenkomst en de daaruit voortvloeiende (restitutie)vordering(en). De bijzondere regeling van artikel 1:88 jo. 1:89 BW maakt het mogelijk dat, indien de niet-handelende echtgenoot een beroep op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 lid 1 BW in samenhang met artikel 1:88 lid 1 onder d BW heeft gedaan, niet alleen de handelende echtgenoot maar ook - op grond van artikel 1:89 lid 5 BW - de niet-handelende echtgenoot de daaruit voortvloeiende rechtsvorderingen kan instellen. Dit roept evenwel de vraag op of, in het - zich hier voordoende - geval dat beide echtgenoten ieder in een eigen procedure tegen dezelfde wederpartij van deze bevoegdheid gebruik maken, sprake is van dezelfde partijen in de zin van artikel 236 lid 1 Rv. In dit verband doet het er, anders dan Dexia heeft betoogd, niet toe dat door de cessie van 8 december 2016 thans Leaseproces als rechtsverkrijgende van [Y] procedeert en niet [Y] zelf. Het hof ziet de in deze procedure aan de orde zijnde vordering als een vordering van [Y] en van haar alleen; dat in dezelfde akte van cessie ook vorderingen van [X] aan Leaseproces zijn overgedragen maakt dit niet anders.

3.9

Dexia heeft aangevoerd dat de wetgever niet heeft beoogd dat omtrent een beroep op de vernietiging van een rechtshandeling op grond van artikel 1:88 jo. 1:89 BW steeds twee keer geprocedeerd kan worden, namelijk een keer door de contractant en een keer door zijn/haar eega. Dexia stelt dat daarom alleen de materiële procespartij als partij in de zin van artikel 236 Rv kan worden beschouwd en dat dit hier, ongeacht of een rechtsvordering uit hoofde van vernietiging van de leaseovereenkomst door [X] of [Y] wordt ingesteld, telkens [X] is, omdat het een vorderingsrecht is dat tot zijn vermogen behoort.

Leaseproces heeft dit een en ander betwist, stellende dat juist het feit dat (ook) steeds door de niet-handelende echtgenoot kan worden geprocedeerd de door de wetgever beoogde bescherming geeft tegen het ineffectieve processuele optreden van de wel handelende echtgenoot. Het zou haars inziens in strijd met (het doel van) de gezinsbescherming van artikel 1:88 BW zijn, als [Y] zichzelf na de door [X] (op een bepaalde wijze) gevoerde procedure niet alsnog zou kunnen beschermen.

3.10

Op zichzelf wijst Leaseproces er met juistheid op dat de ratio van artikel 1:88 BW is echtgenoten in hun onderlinge verhouding, dus ten opzichte van elkaar, te beschermen. In eerdere uitspraken van dit hof over het Dexia Aanbod, een vaststellingsovereenkomst, is geoordeeld dat, nadat de handelende echtgenoot dit aanbod had ondertekend en daarmee afstand had gedaan van alle gepretendeerde rechten uit hoofde van of verband houdende met de leaseovereenkomst(en), de niet-handelende echtgenoot nog bevoegd was de leaseovereenkomst(en) op grond van artikel 1:88 lid 1 onder d BW te vernietigen. Nu de niet-handelende echtgenoot de vaststellingsovereenkomst niet met Dexia is aangegaan, heeft hij/zij jegens Dexia geen afstand gedaan van genoemde vernietigingsbevoegdheid. Omdat de bevoegdheid tot vernietiging niet aan de handelende echtgenoot toekomt, maar alleen aan diens echtgenoot, heeft de handelende echtgenoot ook geen afstand kunnen doen van die niet aan hem/haar ten dienste staande vernietigingsbevoegdheid en, in het verlengde daarvan, evenmin van de in artikel 1:89 lid 5 BW aan de niet-handelende echtgenoot toegekende bevoegdheid alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen in te stellen. Een andere uitleg valt niet te rijmen met de strekking van artikel 1:88 BW de andere echtgenoot te beschermen tegen het zonder zijn/haar toestemming aangaan van de daarin bedoelde rechtshandelingen (zie onder meer ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2932). Volgens Leaseproces moet in de onderhavige situatie worden aangesloten bij deze rechtspraak.

3.11

In dit verband doet zich voorts de vraag voor of hier sprake is van een gemeenschappelijke vordering waarvoor geldt dat alle deelgenoten in de gemeenschap als partij in de zin van artikel 67 Rv (oud) (thans: artikel 236 Rv) moeten worden beschouwd (vgl. ECLI:NL:HR:1992:ZC0586). In het geval van een gemeenschap is op grond van artikel 3:171 BW iedere deelgenoot in de gemeenschap in beginsel bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Indien een of meer deelgenoten met gebruikmaking van deze bevoegdheid een rechtsvordering ten behoeve van de gezamenlijke deelgenoten instellen, heeft het daarop gewezen en in kracht van gewijsde gegane vonnis bindende kracht voor alle deelgenoten, dus ook voor diegenen die niet als formele procespartijen aan het geding hebben deelgenomen. Dexia heeft zich op het - door Leaseproces weersproken - standpunt gesteld dat dit een mogelijke duiding van artikel 1:89 lid 5 Rv zou kunnen zijn.

Opmerking verdient dat deze uitspraak betrekking had op vorderingen die voortvloeien uit een erfrechtelijke gemeenschap. De Dexia-zaken verschillen in zoverre daarvan dat lid 5 van artikel 1:89 BW bepaalt dat de niet-handelende echtgenoot alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen kan instellen. Dit heeft tot gevolg dat het niet uitmaakt welk huwelijksgoederenregime van toepassing is. De niet-handelende echtgenoot kan de uit de nietigheid voortvloeiende vordering tot restitutie instellen, ook als de leaseovereenkomst niet valt in een gemeenschap van goederen. De vraag is dan ook of hetgeen door de Hoge Raad in de erfrechtelijke kwestie is beslist van overeenkomstige toepassing is als de leaseovereenkomst niet in een gemeenschap valt en daarnaast of de beschermingsgedachte van artikel 1:88 BW daaraan in de weg staat.

3.12

Het hof constateert dat de in deze procedure aan de orde zijnde vraag of [Y] als partij in de zin van artikel 236 Rv moet worden beschouwd, zich niet eenduidig laat beantwoorden en daarom voornemens is op dit punt prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Het antwoord op de genoemde vraag is nodig in de zin van artikel 392 lid 1 Rv om te kunnen vaststellen of [Y] gebonden is aan hetgeen is beslist in het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 27 februari 2013. Bij een negatief antwoord kan [Y] in dit geding procederen alsof de bevoegdheid tot vernietiging van de leaseovereenkomst op grond van artikel 1:88 jo. 1:89 BW niet is verjaard en daarbij alsnog (onder meer) een beroep doen op de stuitende werking van de collectieve procedure. In meer algemene zin betekent een negatief antwoord dat in procedures waarin de handelende echtgenoot als formele procespartij is opgetreden en de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid is aangenomen, de andere echtgenoot de mogelijkheid behoudt om in een nieuwe procedure aan te voeren dat de vernietigingsbevoegdheid niet is verjaard, door (onder meer) een beroep te doen op de stuitende werking van de collectieve procedure. Een positief antwoord betekent dat de beslissing dat de vernietigingsbevoegdheid is verjaard niet in een volgende procedure opnieuw ter discussie kan worden gesteld. Over de vernietiging op grond van artikel 1:88 jo. 1:89 BW van leaseovereenkomsten die zijn gesloten met Dexia zijn reeds grote aantallen procedures gevoerd. In een deel daarvan is beslist dat de rechtsvordering tot vernietiging is verjaard. Om die reden is het antwoord op de hiervoor genoemde vraag ook van rechtstreeks belang voor a) een hoeveelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen; en/of b) de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.

3.13

Samengevat weergeven komt het voorgaande op het volgende neer. De leaseovereenkomst is door de niet-handelende echtgenoot buitengerechtelijk vernietigd op grond van artikel 1:88 in verbinding met 1:89 BW. Beide echtgenoten zijn in beginsel bevoegd tot het instellen van vorderingen (i) tot een verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd en (ii) tot restitutie van hetgeen ter uitvoering van de leaseovereenkomst is voldaan. Op haar beurt kan Dexia een verklaring voor recht vorderen dat de rechtsvordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst is verjaard. Elk van de echtgenoten kan in de genoemde vorderingen worden ontvangen, ook als de andere echtgenoot geen procespartij is in het geding. Tegen deze vorderingen die waren ingesteld door de handelende echtgenoot is met succes verweer gevoerd en is bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis beslist dat de rechtsvordering van de niet-handelende echtgenoot tot vernietiging van de leaseovereenkomst is verjaard. Daarvan uitgaande heeft het hof het voornemen tot het stellen van de volgende prejudiciële vragen:

1. Dienen de genoemde vorderingen te worden beschouwd als vorderingen die zijn ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke echtgenoten, zodat de daarop gegeven beslissingen die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis bindende kracht hebben voor beide echtgenoten, dus ook voor de echtgenoot die niet als formele procespartij is opgetreden, zodat zij beiden als partij in de zin van artikel 236 Rv moeten worden beschouwd, of verzet de beschermingsgedachte van artikel 1:88 BW zich daartegen?

2. Heeft de beslissing op het verweer tegen de genoemde vorderingen, dan wel op de vordering van Dexia tot een verklaring voor recht dat de rechtsvordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst is verjaard bindende kracht in de zin van artikel 236 Rv niet alleen jegens de echtgenoot die in het geding als procespartij is opgetreden, maar ook tegen de andere echtgenoot die geen formele procespartij was in dat geding?

3. Maakt het bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 uit welk huwelijksgoederen- regime in het concrete geval van toepassing is?

4. Maakt het bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 uit of de handelende of niet-handelende echtgenoot als formele procespartij is opgetreden in de procedure die heeft geleid tot het in kracht van gewijsde gegane vonnis?

3.14

De zaak zal naar de hierna te noemen roldatum worden verwezen om beide partijen tegelijkertijd in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen en de inhoud daarvan.

3.15

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 30 april 2019 voor het nemen van een akte aan beide zijden met het in rov. 3.14 vermelde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, M.P. van Achterberg en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 april 2019.