Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1079

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
07-06-2019
Zaaknummer
23-004741-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

openlijke geweldpleging, opleggen geheel voorwaardelijke taakstraf waarbij gelet is op: onderliggende conflict is opgelost, anderen hebben zich niet onbetuigd gelaten maar enkel verdachten zijn gestraft en verdachte lijkt lesje geleerd te hebben

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004741-16

datum uitspraak: 27 maart 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-122442-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Azerbeidzjan) op [geboortedag] 1979,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 11 juni 2016 te Beverwijk met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de Beverwijkse Bazaar, gelegen aan de [adres 2], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of tegen (winkel)goederen, welk geweld bestond uit

- het (met kracht) duwen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het (met kracht) in de nek en/of het gezicht, althans het lichaam (vast)pakken, van die [slachtoffer 1] en/of

- het een of meermalen slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen op/in/tegen de rug en/of het hoofd en/of schouders, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het (met kracht) trappen tegen dozen, althans goederen, toebehorende aan [slachtoffer 2].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 juni 2016 te Beverwijk met anderen op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten de Beverwijkse Bazaar, gelegen aan de [adres 2], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit

- het duwen van die [slachtoffer 1] en

- het met kracht in de nek vastpakken van die [slachtoffer 1] en

- het meermalen slaan of stompen tegen de rug en het hoofd en de schouders van die [slachtoffer 1].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren (subsidiair 50 dagen hechtenis), waarvan 40 uren (subsidiair 20 dagen hechtenis) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het aan hem tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren (subsidiair 40 dagen hechtenis), waarvan 40 uren (subsidiair 20 dagen) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op de Beverwijkse Bazaar. De verdachte is samen met zijn mededaders, toen hij in de veronderstelling verkeerde dat aan hem een beschadigd product was verkocht, naar verkoper/aangever [slachtoffer 1] gegaan om ‘verhaal te halen’. Hij heeft op agressieve wijze bewust de confrontatie opgezocht en samen met anderen in het bijzonder jegens [slachtoffer 1] geweld uitgeoefend. Feiten als het onderhavige maken ernstig inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en dragen bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, met name bij diegenen die hiervan direct getuige zijn geweest.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 februari 2019 is hij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

In beginsel is voor feiten als het onderhavige oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren alleszins passend. Het hof ziet echter aanleiding hiervan af te wijken gelet op het volgende. De vechtpartij was het gevolg van een onderliggend conflict, dat kort na de vechtpartij is opgelost; daarna hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan. Alhoewel ook anderen zich niet onbetuigd hebben gelaten in de vechtpartij, zijn alleen de verdachte en de medeverdachten vervolgd en zijn zij (financieel) “gestraft” doordat de Bazaar hen een maand heeft geschorst, met omzetverlies als gevolg. Ten slotte heeft het hof acht geslagen op het tijdsverloop sinds het feit en het gegeven dat de verdachte zijn lesje lijkt te hebben geleerd. Het hof acht, als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen, een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit geen plaats is voor schuldigverklaring van de verdachte zonder oplegging van straf of maatregel, zoals door de raadsman bepleit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. A.M. van Woensel en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 maart 2019.

=========================================================================

[…]