Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:106

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
200.233.357/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap van goederen. Niet komen vast te staan dat sieraden niet meer aanwezig zijn. Studieschuld niet verknocht, ook geen reden om af te wijken van verdeling bij helfte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VFP 2019/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.233.357/01

zaaknummer rechtbank: C/13/628241 / FA RK 17/2830

beschikking van de meervoudige kamer van 15 januari 2019 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N.D. 't Zand te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. G. Öntas te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 13 februari 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 15 november 2017.

2.2

De man heeft op 18 april 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 25 oktober 2018 met bijlage, ingekomen per post op 26 oktober 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 2 november 2018 met bijlage.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 7 november 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2014 met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 16 april 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 15 november 2017 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen hebben de Nederlandse en de Turkse nationaliteit.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, als volgt beschikt ten aanzien van de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap:

  • -

    bepaalt dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de sieraden en munten zoals die volgen uit de door de man als productie 6 van 18 september 2017 overgelegde lijst en dat partijen deze zullen verdelen op de wijze als hiervoor onder 4.15 (hof: van de bestreden beschikking) is bepaald;

  • -

    bepaalt dat beide partijen draagplichtig zijn voor de studieschuld van de man.

4.2

De vrouw verzoekt (naar het hof begrijpt met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre) te bepalen dat partijen elk recht hebben op de helft van de resterende sieraden, dat wil zeggen zonder de lijfsieraden, de collierset en de zeven geschonken munten, alsmede dat de man alleen draagplichtig is voor de studieschuld.

4.3

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Sieraden

5.1

De vrouw voert aan dat de rechtbank bij de verdeling van de sieraden ten onrechte is uitgegaan van de lijst met sieraden die door de man als productie 4 is overgelegd. Na het huwelijk hebben partijen alle sieraden laten taxeren. Deze staan op de door de man overgelegde lijst vermeld. Sindsdien zijn zeven munten weggegeven als bruidsgeschenk aan vrienden en familie en is de collierset verdwenen. Wat betreft de collierset heeft er geen verzekeringsuitkering plaatsgevonden, omdat er geen sporen van braak of diefstal waren. Verder vermeldt de lijst lijfsieraden van de vrouw die niet verdeeld moeten worden, te weten zes slavenarmbanden, een ketting en een Ottomaanse munt van 22 karaat.

De man betwist dat de door hem overgelegde lijst incorrect is. De vrouw heeft pas tijdens de echtscheidingsprocedure het standpunt ingenomen dat de collierset kwijt is geraakt. Als de set in december 2015 is verdwenen, had de vrouw toen reeds de vermissing of diefstal bij de verzekering kunnen melden. Dat zij dit heeft gedaan, of dat de verzekering heeft geweigerd uit te keren omdat er geen sporen van braak of diefstal zijn, heeft de vrouw niet onderbouwd. Het is de man verder niet bekend dat munten aan anderen zijn geschonken. Dit is in ieder geval niet met zijn instemming gebeurd. Tenslotte betwist de man dat de door hem overgelegde lijst sieraden vermeldt die al voor het huwelijk aan de vrouw zouden zijn geschonken en lijfsieraden zouden zijn.

5.2

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de sieraden die zij ter gelegenheid van hun huwelijk hebben gekregen, bij helfte moeten worden verdeeld. Ter zitting in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat zij, om tot een gelijke verdeling te komen, de sieraden opnieuw zullen laten waarderen.

De man heeft als productie 6 bij de herziene versie van het verweerschrift van 15 september 2017 een nieuwe lijst overgelegd. Ter onderbouwing van haar verweer dat ook deze lijst niet juist is, heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep drie namen genoemd van personen aan wie zij ter gelegenheid van hun huwelijk een munt heeft gegeven. De man heeft verklaard dat hij van twee van deze huwelijken op de hoogte is en dat het mogelijk is dat de vrouw een munt cadeau heeft gegeven. Gelet op deze verklaring van de man, is het hof van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat tijdens het huwelijk twee munten cadeau zijn gegeven. Dat de man daarvoor geen uitdrukkelijke toestemming zou hebben verleend, is van ondergeschikt belang. Wat betreft de overige vijf munten ontbreekt een onderbouwing aan wie en wanneer deze zouden zijn weggegeven.

Aangezien de man heeft betwist dat de collierset kwijt is, had het op de weg van de vrouw gelegen haar stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Bij gebreke hiervan is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de collierset niet meer aanwezig is.

Het voorgaande brengt mee dat de vijf munten en de collierset in de verdeling moeten worden betrokken.

Ten aanzien van de sieraden waarvan de vrouw heeft gesteld dat zij deze vóór het huwelijk van haar ouders heeft gehad, de “lijfsieraden”, zijn partijen ter zitting in hoger beroep overeengekomen dat deze aan de vrouw worden toebedeeld. De waarde van deze sieraden dient te worden verrekend. Deze verrekening kan aldus plaatsvinden dat de man sieraden kan uitkiezen met een gelijke waarde als de aan de vrouw toegedeelde lijfsieraden. Voor het overige zal het hof de beslissing van de rechtbank over de manier waarop de verdeling van de munten en sieraden moet plaatsvinden, in stand laten.

Gelet op het voorgaande slaagt grief 1 gedeeltelijk.

Studieschuld

5.3

In haar tweede grief komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank dat beide partijen draagplichtig zijn voor de studieschuld van de man. De vrouw is tijdens het huwelijk, in 2015, erachter gekomen dat de man een studieschuld had. De man heeft haar toen beloofd dat hij deze schuld zou dragen. De man mag niet eenzijdig op deze afspraak terugkomen. Bovendien heeft de man het aan zichzelf te wijten omdat hij in de problemen is gekomen, waardoor hij de studie niet heeft afgerond. De vrouw heeft daarnaast gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2012 (hof: ECLI:NL:HR:2012:BV1749). Volgens de vrouw voldoet zij aan de in dit arrest genoemde uitzonderingsgevallen. Partijen zijn kort gehuwd geweest, hebben kort samengewoond, hadden geen gezamenlijke bankrekeningen en de schuld is voor het huwelijk gemaakt zonder dat de vrouw daarvan voor het huwelijk op de hoogte is gesteld. Ook speelt mee dat de man nu een gevangenisstraf uitzit, waardoor het vertrouwen van de vrouw is beschaamd en zij de echtscheiding heeft aangevraagd, aldus de vrouw.

De man betwist dat de vrouw pas tijdens het huwelijk met de studieschuld bekend is geworden. Zij studeerde zelf ook, wist van de studie van de man en van de voorwaarden waaronder de lening is verstrekt. De vrouw deed tijdens het huwelijk de administratie waaronder de aangiftes. Tijdens het huwelijk studeerden beide partijen nog en stond nog niet vast dat de man een bedrag zou moeten terugbetalen. Ook betwist de man dat een afspraak is gemaakt dat hij de studieschuld zou dragen. De man heeft in de procedure een voorstel gedaan om de aflossing op zich te nemen om de vrouw te bewegen aan de overdracht van de woning mee te werken, maar omdat hiervan geen sprake was, heeft hij zijn standpunt over de studieschuld herzien. Hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, is geen reden om van de regel af te wijken dat beide partijen draagplichtig zijn, omdat zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, aldus de man.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Het beroep van de vrouw op het bestaan van een afspraak tussen partijen faalt vanwege het feit dat de man het bestaan van deze afspraak betwist, de juistheid van de stellingen van de vrouw niet reeds uit de stukken blijkt en de vrouw geen bewijsaanbod heeft gedaan. De gestelde afspraak is in rechte dus niet komen vast te staan.

Voor zover de vrouw heeft willen betogen dat de schuld aan de man is verknocht omdat het aan hemzelf te wijten is dat hij zijn studie niet heeft afgemaakt, faalt dit betoog eveneens. De beantwoording van de vraag of een schuld, wegens het hoogstpersoonlijk karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW aan een van de echtgenoten is verknocht en dus op de voet van artikel 1:94 lid 3 BW niet in de gemeenschap valt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vgl. HR 15 februari 2008, LJN BC0377, NJ 2008/275). Daarvan zal slechts in bijzondere omstandigheden sprake zijn. De enkele stelling dat het aan de man zelf te wijten is dat hij zijn studie niet heeft afgemaakt, wat daarvan ook zij, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de studieschuld als verknocht aan te merken.

De vrouw verzoekt ten slotte, zo begrijpt het hof, af te wijken van de regel met betrekking tot de draagplicht van schulden. Ingevolge artikel 1:100 BW hebben echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, zodat de ontbonden gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749 en HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748).

Naar het oordeel van het hof is in deze zaak geen sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. Dat partijen een periode niet hebben samengewoond, berust, zo begrijpt het hof, niet op een afspraak tussen partijen, maar is het gevolg van het ongeval dat de man is overkomen en de langdurige verzorging die hij daarna nodig had. De duur van het huwelijk en het niet hebben van een gemeenschappelijke bankrekening zijn niet zulke uitzonderlijke omstandigheden dat deze een afwijking van artikel 1: 100 BW rechtvaardigen. De gevangenisstraf die de man aan het eind van het huwelijk opgelegd heeft gekregen, heeft niets te maken met de studieschuld. Het hof neemt bij dit alles ook in aanmerking dat de vrouw niet heeft betwist dat de man, net zoals zij zelf, studeerde. Evenmin heeft zij een grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat gezien het regime waaronder de man valt ten aanzien van zijn van DUO ontvangen studiegelden, deze van meet af aan een lening betreffen die pas op het moment van afstuderen in een gift worden omgezet en dat zij bekend was met dit systeem van studiefinanciering.

De tweede grief van de vrouw faalt.

5.5

Dit leidt tot de volgende beschikking.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij is bepaald dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de sieraden en munten zoals die volgen uit de door de man als productie 6 op 18 september 2017 overgelegde lijst en dat partijen deze zullen verdelen op de wijze als in de bestreden beschikking onder 4.15 is bepaald en

in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de sieraden en munten zoals die volgen uit de door de man als productie 6 van 18 september 2017 overgelegde lijst met dien verstande dat het aantal te verdelen Turkse munten (kwart) 22 krt goud 13 (dertien) bedraagt;

bepaalt dat de door de vrouw als “lijfsieraden” aangemerkte sieraden worden toegedeeld aan de vrouw en dat aan de man sieraden en/of munten worden toegedeeld met een gelijke waarde ter keuze van de man, waarna partijen voor zover nodig de overige sieraden en munten zullen verdelen door om en om één stuk uit te zoeken, op die wijze dat zij in waarde per saldo gelijk uitkomen;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. C.M.J. Peters en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 15 januari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.