Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:103

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
200.217.594/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

De man onderbouwt zijn draagkracht niet met stukken, verzoek tot nihilstelling partneralimentatie en kinderalimentatie (tot 18e verjaardag kinderen) alsnog afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.217.594/01

zaaknummers rechtbank: C/13/609809 / FA RK 16-3967 en C/13/609811 / FA RK 16-3968

beschikking van de meervoudige kamer van 15 januari 2019 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H. Vosmeijer te Amstelveen,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [kind A] (hierna te noemen: [kind A] );

- [kind B] (hierna te noemen: [kind B] ).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 15 maart 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 15 juni 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 15 maart 2017.

2.2

De man heeft op 18 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende nadere stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de man van 18 januari 2018 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 16 maart 2018 met bijlagen, ingekomen op 19 maart 2018.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 13 april 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1993 gehuwd. Het huwelijk is op 8 maart 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 8 januari 2013 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Uit het huwelijk zijn geboren de thans meerderjarige kinderen:

- [kind A] , op [dag en maand A] 1997, en

- [kind B] , op [dag en maand B] 1998.

[kind A] en [kind B] worden hierna tezamen ook ‘de kinderen’ genoemd.

3.3

De vrouw en de kinderen zijn in 2012 van Curaçao naar Nederland verhuisd. De man is in november 2014 eveneens van Curaçao naar Nederland verhuisd.

3.4

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.5

Partijen zijn bij convenant van 19 oktober 2012 overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 2012 € 400,- per kind per maand betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderbijdrage) aan de vrouw, alsmede een bedrag van € 1.700,- per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: partnerbijdrage). Dit convenant is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking van 8 januari 2013, waarbij partijen zijn gelast daaraan uitvoering te geven.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 8 januari 2013 en het aan die beschikking gehechte echtscheidingsconvenant:

- het verzoek van de man de door hem aan de vrouw te betalen partnerbijdrage met ingang van 8 maart 2013 op nihil te stellen en de kinderbijdrage met ingang van 1 maart 2013 te bepalen op €175,- per kind per maand afgewezen voor wat betreft de periode tot 1 november 2014;

- de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, dan wel de bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud, van [kind B] en [kind A] op nihil gesteld voor de periode van 1 november 2014 tot 1 januari 2016;

- bepaald dat de man over de periode van 1 januari 2016 tot 1 januari 2017 € 271,- per maand zal betalen aan [kind A] als bijdrage in haar kosten van onderhoud en studie;

- bepaald dat de man over de periode van 1 januari 2016 tot [dag en maand B] 2017 € 271,- per maand zal betalen als kinderbijdrage voor [kind B] , aan de vrouw te voldoen en dat hij over de periode [dag en maand B] 2016 tot 1 januari 2017 € 271,- per maand zal betalen aan [kind B] als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud en studie;

- bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2017 € 344- per kind per maand zal betalen aan [kind A] en [kind B] als bijdrage in hun kosten van levensonderhoud en studie;

- de door de man te betalen partnerbijdrage voor de vrouw op nihil gesteld voor de periode van 1 november 2014 tot 1 januari 2017;

- bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2017 een partnerbijdrage voor de vrouw dient te betalen van € 496,- per maand.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de wijzigingsverzoeken van de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, met dien verstande dat de vrouw verzoekt de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderbijdrage enkel te vernietigen voor zover dat een aanspraak van de vrouw betreft.

4.3

De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid

5.1

Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij zijn stelling dat de overeenkomst in het echtscheidingsconvenant van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan niet langer handhaaft. Aan de orde is derhalve slechts nog de vraag of sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond van dit artikel kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de man zich in november 2014 permanent in Nederland heeft gevestigd en nadien in Nederland werkzaamheden als zzp-er is gestart. Naar het oordeel van het hof levert dit een wijziging van omstandigheden op als bedoeld in de hiervoor genoemde bepaling. De man is dan ook terecht door de rechtbank ontvangen in zijn inleidende verzoek. Ter beoordeling aan het hof ligt vervolgens voor of de wijziging ertoe leidt dat de bijdragen zoals in het echtscheidingsconvenant zijn vastgesteld en bij de echtscheidingsbeschikking van 8 januari 2013 zijn bepaald, niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoen. Tussen partijen is voorts de ingangsdatum van de eventuele wijziging van de kinder- en partnerbijdrage, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man in geschil.

Ingangsdatum

5.3

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum van de wijziging van de kinder- en partnerbijdrage op 1 november 2014 heeft bepaald en voert daartoe onder meer het volgende aan. De rechtbank is buiten de rechtsstrijd getreden waar zij heeft geoordeeld dat partijen van 1 november 2014 tot 1 januari 2016 samenwoonden als waren zij gehuwd, op grond waarvan de rechtbank de onderhoudsbijdragen voor die periode op redelijkheidsgronden op nihil heeft bepaald. Nog daargelaten dat partijen daarover niets hebben aangevoerd, staat vast dat partijen gedurende die samenleving geen andersluidende afspraken hebben gemaakt en geen der partijen in die periode een wijzigingsverzoek heeft ingediend. De man heeft pas in juni 2016 een wijzigingsverzoek ingediend en de rechter dient terughoudend om te gaan met een wijziging van de alimentatie met terugwerkende kracht.

De man verweert zich hiertegen en stelt dat de rechtbank de ingangsdatum terecht heeft vastgesteld op 1 november 2014. Nu de man geen aanspraak maakt op restitutie van het door hem te veel betaalde bedrag, is terughoudendheid bij een alimentatiewijziging met terugwerkende kracht niet nodig, aldus de man.

5.4

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de rechtbank ziet het hof in de omstandigheid dat partijen van november 2014 tot januari 2016 (opnieuw) samenwoonden geen aanleiding om de ingangsdatum eerder vast te stellen dan de daarvoor gebruikelijke datum, te weten die van indiening van het verzoek in eerste aanleg. Dat partijen gedurende de periode van november 2014 tot januari 2016 samenwoonden neemt immers niet weg dat zij op 8 maart 2013 zijn gescheiden en reeds in 2013 afspraken hadden gemaakt over de kinder- en partnerbijdrage. Niet gebleken is dat er voorafgaand aan- of gedurende de samenwoning van november 2014 tot januari 2016 nadere afspraken zijn gemaakt, die aanleiding zouden kunnen geven de kinder- en partnerbijdrage te verlagen of op nihil te stellen. Bovendien heeft de vrouw aangevoerd dat de man ook gedurende die periode nog bedragen ten behoeve van kinder- en partneralimentatie aan haar heeft voldaan, hetgeen door de man niet is betwist. Het hof is van oordeel dat als ingangsdatum van een eventuele wijziging van de kinder- en partnerbijdrage derhalve dient te gelden de datum van indiening van het inleidend verzoek van de man, te weten 7 juni 2016. Vanaf dat moment kon de vrouw er immers rekening mee houden dat de door de man verschuldigde kinder- en partnerbijdrage kon worden gewijzigd.

Behoefte

5.5

Ten aanzien van de behoefte van de kinderen en de behoefte van de vrouw heeft de rechtbank aangesloten bij de hoogte van de onderhoudsbijdrage zoals door partijen is overeengekomen in het echtscheidingsconvenant van 19 oktober 2012. De behoefte van de kinderen is in hoger beroep niet betwist en staat derhalve vast. Het hof stelt de behoefte van de kinderen derhalve, evenals de rechtbank, vast op een bedrag van € 400,- per kind per maand, hetgeen geïndexeerd naar 2016 neerkomt op een bedrag van € 420,- per kind per maand en naar 2017 op een bedrag van € 428,- per kind per maand.

5.6

Ten aanzien van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de vrouw aan een partnerbijdrage, betoogt de vrouw dat het feit dat partijen dit bedrag in 2012 in het echtscheidingsconvenant als partnerbijdrage zijn overeengekomen niet betekent dat daarmee haar behoefte ook op dat bedrag te bepalen is, doch slechts dat haar behoefte minimaal € 1.700,- per maand bedroeg in 2012.

Het hof is van oordeel dat deze grief van de vrouw, voor zover in dit hoger beroep relevant, niet kan slagen, nu de vrouw haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd en niet duidelijk heeft gemaakt waartoe deze dient te leiden. Voor de behoefte van de vrouw dient dan ook te worden uitgegaan van een bedrag van € 1.700,- per maand, hetgeen geïndexeerd naar 2016 neerkomt op € 1.781,- per maand, voor 2017 op € 1.819,- per maand en voor 2018 op € 1.846,- per maand.

Draagkracht man

5.7

De vrouw stelt dat de man nauwelijks financiële stukken heeft overgelegd en derhalve geen, althans onvoldoende, inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. De stukken die de man wel heeft ingediend, zijn bovendien niet te verifiëren en daarmee in deze procedure onbruikbaar. De man heeft ook na zijn verhuizing naar Nederland in november 2014 geregeld periodes in Curaçao gewerkt, welke inkomsten hij niet in Nederland heeft aangegeven. De rechtbank heeft haar oordeel over de draagkracht van de man dan ook ten onrechte gebaseerd op de door de man overgelegde onjuiste en onvolledige stukken, aldus de vrouw.

5.8

De man betwist de stellingen van de vrouw en stelt dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat zijn draagkracht onvoldoende is om de onderhoudsbijdragen zoals overeengekomen in het echtscheidingsconvenant te voldoen. De man heeft ter onderbouwing van zijn stellingen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat de inkomsten uit zijn bedrijf in Curaçao aanzienlijk achteruit zijn gegaan en waaruit zijn inkomsten over de eerste jaren na zijn vestiging in Nederland blijken.

5.9

Het hof is van oordeel dat deze grief van de vrouw slaagt en overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man werkzaam in de bouw is. Tot 2010 was hij werkzaam in loondienst, tot 2014 had hij een bouwbedrijf op Curaçao en na zijn verhuizing naar Nederland is hij als zzp-er werkzaamheden gaan verrichten. In eerste aanleg zijn bij de inspectie der belastingen Curaçao ingediende aangiftebiljetten inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met 2014 overgelegd. Hieruit valt echter niet af te leiden welke resultaten de onderneming van de man behaalde. De stelling van de man dat hij in 2013 en 2014 nauwelijks inkomsten uit zijn onderneming op Curaçao heeft gehad, is hiermee niet, althans onvoldoende onderbouwd. Jaarstukken van de onderneming op Curaçao ontbreken en evenmin zijn verdere verifieerbare financiële gegevens overgelegd over het inkomen dat de man met zijn onderneming genereerde.

De man heeft in hoger beroep de jaarstukken en belastingaanslag over 2015 overgelegd, alsmede de jaarstukken en belastingaangifte over 2016. De vrouw heeft de juistheid van deze stukken gemotiveerd betwist en daartoe aangevoerd dat de man in 2016 onverklaarbaar hoge kosten opvoert en niet al zijn inkomsten opgeeft. Zo heeft hij van juni 2016 tot december 2016 op Curaçao verbleven in verband met een bouwproject, hetgeen door de man ter zitting in hoger beroep is erkend. Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid of en, zo ja hoe, de omzet uit dit project in de jaarstukken is verwerkt. Voor de hoge kosten heeft de man geen verklaring kunnen geven.

Over 2017 en 2018 heeft de man nagelaten relevante financiële gegevens over te leggen. De man heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat de jaarstukken en de belastingaangifte van 2017 nog niet gereed waren, maar het had om zijn weg gelegen het hof inzicht te verschaffen in (het verloop van) zijn inkomsten en lasten, bijvoorbeeld door een overzicht van maandelijkse opdrachten, facturen en/of betalingen over te leggen. Al met al heeft de man alleen over het jaar 2015 enigszins betrouwbare informatie verstrekt, terwijl voor een deugdelijke bepaling van de draagkracht van een zelfstandig ondernemer het inkomen over meerdere jaren in aanmerking genomen moet worden. Gelet op dit alles, acht het hof zich onvoldoende en onvolledig voorgelicht om de draagkracht van de man op een juiste wijze te kunnen vaststellen of schatten. Naar het oordeel van het hof heeft de man derhalve niet voldaan aan de verplichting van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot een juiste en volledige voorlichting van de rechter en de wederpartij. De omstandigheid dat de man zijn gestelde gebrek aan draagkracht niet, dan wel onvoldoende heeft onderbouwd, dient naar het oordeel van het hof dan ook voor rekening en risico van de man te komen.

5.10

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de wijziging van omstandigheden van dien aard is dat de bijdragen zoals in het echtscheidingsconvenant zijn vastgesteld en bij de echtscheidingsbeschikking van 8 januari 2013 zijn bepaald, niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen en het inleidende verzoek van de man, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, afwijzen. Gelet op het verzoek van de vrouw is de bijdrage voor de kinderen vanaf hun meerderjarigheid (te weten [dag en maand A] 2015 ten aanzien van [kind A] en [dag en maand B] 2016 ten aanzien van [kind B] ) geen onderwerp van dit geschil.

5.11

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af de inleidende verzoeken van de man met betrekking tot de wijziging van de partneralimentatie en met betrekking tot de wijziging van de bijdrage voor [kind A] voor zover deze ziet op de periode tot [dag en maand A] 2015 en voor [kind B] voor zover deze ziet op de periode tot [dag en maand B] 2016;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. C.E. Buitendijk en mr. J. Kok, in tegenwoordigheid van mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier, en is op 15 januari 2019 uitgesproken in het openbaar.