Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:1015

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
200.237.411/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag van gewijsde (artikel 236 Rv). Zelfde feitencomplex. Afwijzing vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.237.411/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/254681 / HA ZA 17-107

arrest van de meervoudige familiekamer van 26 maart 2019

inzake

[de man] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. S.C. de Lange te Hoofddorp,

tegen

[de vrouw] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.H. de Milliano-Machielse te Katwijk Zh.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

De man is bij dagvaarding van 11 april 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 17 januari 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De man heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vrouw zal veroordelen aan de man te betalen € 53.094,30 met rente tot en met 30 juni 2012 ad € 2.147,12, derhalve € 55.241,44, te vermeerderen met rente vanaf 1 juli 2012, dan wel zal bepalen dat de man dit mag verrekenen met de vordering van de vrouw ad € 259.546,- met rente vanaf 1 juni 2011, kosten rechtens.

De vrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vorderingen, althans ontzegging van zijn vorderingen, met veroordeling van de man in de kosten van – naar het hof begrijpt – het geding in hoger beroep.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.3 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

2.2

Partijen zijn [in] 1990 met elkaar gehuwd onder het aangaan van huwelijkse voorwaarden. Bij beschikking van 11 januari 2013 van de rechtbank Den Haag is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 25 april 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3

Bij beschikking van 30 mei 2013 heeft de rechtbank Den Haag bepaald dat de man ter zake van verrekening uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 259.546,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juni 2011. Het hof Den Haag heeft bij beschikking van 5 maart 2014 de beschikking van de rechtbank Den Haag bekrachtigd. Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan.

3 Beoordeling

3.1

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. De rechtbank heeft (samengevat) overwogen dat het hof Den Haag bij de voormelde beschikking van 5 maart 2014 de beschikking van 30 mei 2013 van de rechtbank Den Haag heeft bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders verzochte heeft afgewezen en dat in dit oordeel besloten ligt dat het subsidiair verzochte is afgewezen. Het subsidiaire verzoek hield blijkens de memorie van grieven van 27 augustus 2013 (hof: tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag) in te bepalen dat de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijks-gemeenschap na verrekening met bedragen die de man in het tijdvak van 1 juni 2010 tot en met 30 mei 2012 aan de vrouw had betaald nog slechts € 23.791,66 aan de vrouw was verschuldigd. De rechtbank heeft in het thans bestreden vonnis overwogen dat de man in de onderhavige procedure van de vrouw terugbetaling (en subsidiair verrekening) vordert van de bedragen waarmee hij in de appelprocedure (bij het hof Den Haag) had willen verrekenen. Deze vordering vloeit voort uit hetzelfde feitencomplex, zodat daarover niet opnieuw geoordeeld kan worden.

3.2

Tegen het oordeel van de rechtbank is de man in hoger beroep opgekomen met negen grieven, die alle berusten op het standpunt dat de rechtbank hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vorderingen. Dit standpunt heeft de man als volgt onderbouwd.

De man betwist dat de vrouw het verweer heeft gevoerd dat hij niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Door hiervan uit te gaan, heeft de rechtbank in strijd met artikel 24 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gehandeld. Daarnaast is ten onrechte overwogen dat het hof Den Haag al over zijn vordering heeft beslist, aangezien hij in de procedure bij het hof Den Haag geen vordering had ingesteld tot – naar het hof begrijpt – betaling van een bedrag van € 53.094,30, respectievelijk € 43.699,34, maar (subsidiair) had verzocht dat het hof Den Haag aan de vrouw slechts € 23.791,66 (vermeerderd met rente vanaf de datum van de beschikking van het hof Den Haag) toewijst. Dit subsidiaire verzoek was geen vordering, maar een verweer. Ten onrechte is dan ook overwogen dat hij heeft erkend dat hij zijn vordering (voor een lager bedrag) heeft ingediend bij het hof Den Haag. Dit verzoek is bovendien niet in behandeling genomen door het hof Den Haag: omdat het verzoek niet, althans onvoldoende was onderbouwd, behoefde het verzoek in de visie van het hof Den Haag geen bespreking. Er is geen sprake geweest van afwijzing van het subsidiaire verzoek. Het gevolg hiervan is dat een eiser of verzoeker dit geschilpunt alsnog voldoende onderbouwd aan de rechter mag voorleggen, in welk geval een rechter wel moet beslissen.

Verder is geen sprake van hetzelfde feitencomplex: de rechtbank en het hof Den Haag hebben zich beperkt tot de periode van 2 maart 1990 tot en met 31 mei 2010, terwijl de vordering van de man niet de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden betreft, maar ziet op hetgeen hij heeft betaald in de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 juli 2012. In de situatie dat sprake is van artikel 263 Rv moet bovendien geen niet-ontvankelijkheid worden uitgesproken, maar zou de vordering afgewezen moeten worden.

3.3

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.4

Het hof overweegt als volgt. In zijn memorie van grieven miskent de man dat de vrouw in haar conclusie van antwoord wel degelijk heeft aangevoerd dat de man niet ontvankelijk is in zijn vorderingen. De vrouw heeft immers (op de eerste pagina van de conclusie van antwoord in de derde alinea) gesteld: “Voor alles merkt gedaagde (hof: de vrouw) op, dat zij van oordeel is, dat eiser (hof: de man) in zijn vorderingen niet ontvankelijk verklaard dient te worden, dan wel dat die hem dienen te worden ontzegd. Immers in deze procedure wordt de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden waarover reeds in de echtscheidingsbeschikking door de rechtbank is beslist en in hoger beroep door het gerechtshof bekrachtigd, nog eens zoetjes overgedaan.” Een onjuiste toepassing van artikel 24 Rv is dus alleen al om die reden niet aan de orde. Evenmin is sprake van een ambtshalve toepassing van artikel 236 lid 3 Rv: de toelichting van de vrouw kan niet anders worden gelezen dan dat zij een beroep doet op het gezag van gewijsde van de beschikking van het hof Den Haag.

3.5

De vrouw heeft indertijd in haar verzoekschrift tot echtscheiding de rechtbank Den Haag verzocht te bepalen dat de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aldus geschiedt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 259.546,- dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2011. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 30 mei 2013 toegewezen, met dien verstande dat als ingangsdatum voor de wettelijke rente is bepaald 1 juni 2011. De man is bij appelschrift van 27 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van deze beschikking. Hij heeft daarbij het hof Den Haag verzocht de beschikking van de rechtbank Den Haag gedeeltelijk te vernietigen en vervolgens, primair, te bepalen dat hij ter zake van verrekening uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden niets aan de vrouw hoeft te betalen en, subsidiair, dat hij een bedrag van € 23.791,66 moet betalen. Onder 1.5 van voormeld appelschrift heeft de man onder meer geschreven dat hij inmiddels een bedrag van € 43.699,34 heeft betaald aan de vrouw en dat dit bedrag in ieder geval in mindering dient te worden gebracht op hetgeen hij mogelijk nog aan de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden moet betalen. Het bedrag van € 43.699,34 is in delen door de man aan de vrouw betaalbaar gesteld in het tijdvak van 1 juni 2010 tot en met 2 juli 2012, aldus de man. Ter onderbouwing van zijn subsidiaire verzoek heeft de man opgemerkt dat de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een aanspraak kan doen gelden op een bedrag van € 67.491,-. Omdat de man reeds een bedrag van € 43.699,34 heeft betaald, is hij van mening dat hij nog slechts € 23.791,66 aan de vrouw verschuldigd is. Het hof Den Haag heeft ten aanzien van het subsidiaire verzoek overwogen dat het aan een behandeling van dit verzoek niet toekomt, omdat de man zijn verzoek naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft vervolgens de beschikking van de rechtbank Den Haag bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.6

In de memorie van grieven in de onderhavige procedure heeft de man gesteld dat hij in de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 juli 2012 in totaal een bedrag van € 53.094,30 aan de vrouw heeft betaald/beschikbaar heeft gesteld, welk bedrag verrekend zou moeten worden met het bedrag dat hij uiteindelijk aan de vrouw zou moeten betalen. Ook heeft hij gesteld dat in het appelschrift van 27 augustus 2013 (hof: tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag) is gesteld onder 1.5 dat € 43.699,34 is betaald en dat dit onjuist is omdat het € 53.094,30 moest zijn.

3.7

Ingevolge artikel 236 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Artikel 236 lid 1 Rv is geschreven voor vonnissen, maar leent zich voor analogische toepassing op beschikkingen, waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen (vgl. Hoge Raad 30 oktober 1998, NJ 1999/83). Voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde van de eerdere beslissingen is niet vereist dat in de beide procedures hetzelfde wordt gevorderd; voldoende is dat de procedures dezelfde rechtsbetrekking tot onderwerp hebben, ongeacht welke vorderingen uit hoofde van die rechtsbetrekking geldend worden gemaakt (vgl. HR 18 september 1992, NJ 1992/747). Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan in het algemeen hetzelfde feitencomplex niet in een tweede procedure op een andere juridische grondslag ter discussie worden gesteld.

3.8

Gelet op de stellingen van de man, zoals weergegeven onder 3.5 en 3.6, is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak dezelfde rechtsbetrekking in geschil is als in de procedure bij het hof Den Haag, te weten of het door de man aan de vrouw in de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 juli 2012 betaalde bedrag in aanmerking komt voor verrekening met het bedrag van € 259.546,- dat de man aan de vrouw moet betalen. Dat de man zich in de procedure bij het hof Den Haag in zijn subsidiaire verzoek – bij wijze van verweer - met zoveel woorden op verrekening heeft beroepen, terwijl hij in de onderhavige zaak (primair) betaling van het bedrag van € 53.095,30 wegens onverschuldigde betaling vordert, maakt dit niet anders. Immers, zoals de man in de memorie van grieven heeft gesteld, het gaat in beide procedures om het bedrag dat de man in de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 juli 2012 aan de vrouw heeft betaald. Er is dan ook sprake van hetzelfde feitencomplex. De andere juridische grondslag die in de onderhavige procedure wordt aangevoerd, leidt om die reden niet tot een inhoudelijke behandeling van de vordering. Of de man in eerste aanleg heeft erkend dat hij zijn vordering eerder had ingediend bij het hof Den Haag, kan hierbij in het midden blijven.

De omstandigheid dat het hof Den Haag van oordeel was dat de man zijn subsidiaire verzoek onvoldoende had onderbouwd, brengt niet mee dat de man dit geschil opnieuw, met een voldoende onderbouwing, aan de rechter mag voorleggen. Het hof Den Haag heeft daarmee immers het subsidiaire verzoek van de man beoordeeld en geconcludeerd dat de man te weinig gesteld had om de juistheid/gegrondheid van zijn verzoek te beoordelen, waarna het hof Den Haag de beschikking van de rechtbank Den Haag heeft bekrachtigd en “het meer of anders verzochte” afgewezen. Hiertoe behoort ook het subsidiaire verzoek van de man tot verrekening.

Gelet op het voorgaande komt aan de beschikking van het hof Den Haag gezag van gewijsde toe. Op dit gezag van gewijsde stuiten alle door de man in dit geding aangevoerde argumenten af. Dit leidt tot de conclusie dat de grieven van de man falen, met dien verstande dat de rechtbank de vorderingen van de man had moeten afwijzen in plaats van hem in deze vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren (vgl. HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7594). Het hof zal het bestreden vonnis dan ook vernietigen en alsnog de vorderingen afwijzen.

3.9

De man zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van de man af;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de vrouw begroot op € 726,- aan verschotten en € 1.959,- voor salaris;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, J. Jonkers en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019.