Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:989

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
23-001080-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor voorhanden hebben van Italiaanse identiteitskaart (art. 231 Sr). Veroordeling voor verschillende andere feiten, waaronder het voorhanden hebben van een handwapen (taser).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001080-17

Datum uitspraak: 23 maart 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-800424-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 08 oktober 2016 te Monnickendam, gemeente Waterland, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of - een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende Amfetamine en/of - een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of - een of meer grote (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende LSD,

zijnde MDMA en/of Amfetamine en/of cocaïne en/of LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij op of omstreeks 08 oktober 2016 te Monnickendam, gemeente Waterland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA en/of LSD, elk een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een grote hoeveelheid vellen/papertrips voor LSD en/of - twee vacumeerapparaten en/of - geld en/of - een pot caffeïne en/of - diverse sealbags en/of gripzakjes en/of - diverse gasmaskers en/of zuurstofmaskers en/of - huishoudhandschoenen en/of stofbrillen en/of - diverse (nog niet geactiveerde) simkaarten van diverse telefoonmaatschappijen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat/die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3:
hij op of omstreeks 08 oktober 2016 te Monnickendam, gemeente Waterland, opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ongeveer 854,4 gram en/of 5 stuks hashish, althans een (of meer) grote (handels)hoeveelhe(i)den hashish en/of

- ongeveer 1009 gram hennep, althans een (of meer) grote (handels)hoeveelhe(i)den hennep,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep, zijnde hashish en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4:
hij op of omstreeks 08 oktober 2016 te Monnickendam, gemeente Waterland, (een) wapen van categorie II onder 5°, te weten een handwapen (een taser) waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad;

5:
hij op of omstreeks 08 oktober 2016 te Monnickendam, gemeente Waterland een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang voorhanden heeft gehad, te weten een nationale identiteitskaart van Italië (met nummer [nummer], op naam van [naam]), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument of de Nederlandse identiteitskaart of andere identiteitsbewijs afgegeven door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang vals of vervalst was;

6:
(parketnummer 15-071097-15)

hij op of omstreeks 02 januari 2015 te Monnickendam, gemeente Waterland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

* 4 xtc-pillen (Packman), (totaal)gewicht ongeveer 1,03 gram, bevattende MDMA en/of

* 1 xtc-pil (ruit), gewicht ongeveer 0,25 gram, bevattende MDMA en/of

* 26 xtc-pillen (Superman), (totaal)gewicht ongeveer 9,10 gram, bevattende MDMA en/of

* 1 wikkel cocaine, gewicht ongeveer 1,02 gram en/of

* een xtc-pil (met onleesbaar logo), gewicht ongeveer 0,30 gram, bevattende MDMA en/of

* een plastic zak met witte pasta, gewicht ongeveer 28,46 gram, bevattende amfetamine en/of

* een wikkel cocaine, gewicht ongeveer 1,01 gram en/of

* 1 xtc-pil (hartvorm), bevattende MDMA,

in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaine en/of MDMA en/of amfetamine, zijnde cocaine en/of MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten dele tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit 5

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 5 ten laste is gelegd en overweegt daartoe het volgende.

Het openbaar ministerie verwijt de verdachte het op 8 oktober 2016 voorhanden hebben van een vervalste nationale identiteitskaart van Italië (met nummer [nummer], op naam van [naam]) en heeft dit aan de verdachte ten laste gelegd op de wijze zoals hiervoor is weergegeven.

Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in de betreffende tenlastelegging zich heeft gebaseerd op de wettekst van artikel 231, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht zoals dit luidde vóór 1 mei 2014 en ná 1 mei 2014.

Het voorhanden hebben van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs is strafbaar gesteld in voornoemde wetsbepaling. In artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde op 8 oktober 2016, worden drie categorieën documenten genoemd: een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, en andere identiteitsbewijzen die zijn afgegeven door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het dossier en hetgeen ter terechtzitting is gebleken, de Italiaanse identiteitskaart van de verdachte niet worden aangemerkt als één van de categorieën documenten genoemd in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht. Tijdens de behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep zijn door het openbaar ministerie geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan bewezen kan worden verklaard dat een Italiaanse identiteitskaart een reisdocument betreft. Dit blijkt ook niet uit het dossier, meer in het bijzonder het proces-verbaal van onderzoek van het betreffende document. Voorts kan niet worden vastgesteld dat de Italiaanse identiteitskaart van de verdachte een Nederlandse identiteitskaart betreft, zoals door het openbaar ministerie is tenlastegelegd. Tot slot betreft, mede gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, een Italiaanse identiteitskaart geen ander identiteitsbewijs dat is afgegeven door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van dit tenlastegelegde feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 8 oktober 2016 te Monnickendam, gemeente Waterland, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD.

2:
hij op 8 oktober 2016 te Monnickendam, gemeente Waterland, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het bereiden en verwerken van amfetamine en MDMA en LSD, voor te bereiden en/of te bevorderen, een grote hoeveelheid vellen/papertrips voor LSD en twee vacumeer apparaten voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten.

3:
hij op 8 oktober 2016 te Monnickendam, gemeente Waterland, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid hashish en een grote hoeveelheid hennep.


4:
hij op 8 oktober 2016 te Monnickendam, gemeente Waterland, een wapen van categorie II onder 5°, te weten een handwapen (een taser) waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad.

6:
hij op 2 januari 2015 in de gemeente Waterland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 4 xtc-pillen (Packman) bevattende MDMA.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, onder bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als de rechtbank in eerste aanleg heeft opgelegd.

De raadsman heeft verzocht, indien het hof de advocaat-generaal wenst te volgen in de strafeis, naast een onvoorwaardelijk deel aan gevangenisstraf overeenkomstig het voorarrest, tot oplegging van een taakstraf over te gaan in plaats van een zodanig onvoorwaardelijk deel aan gevangenisstraf op te leggen dat daarmee de omvang van het voorarrest wordt overstegen. De verdachte heeft reeds lange tijd in voorarrest doorgebracht. Hij is daar erg van geschrokken en wil graag zo nodig een taakstraf uitvoeren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in ogenschouw genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende druggerelateerde feiten. Niet alleen heeft hij hard en soft drugs voorhanden gehad, maar ook heeft hij voorwerpen voorhanden gehad waarmee het bereiden en verwerken van hard drugs kon worden voorbereid of bevorderd. Dit rekent het hof de verdachte aan. Hard en soft drugs brengen schadelijke gevolgen teweeg voor de maatschappij en de gezondheid van gebruikers. Het bezit van kleine hoeveelheden soft drugs wordt weliswaar gedoogd in Nederland, maar dit geldt niet voor de grote hoeveelheden die de verdachte aanwezig had.

Tevens heeft de verdachte een verboden wapen, te weten een taser voorhanden gehad.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 maart 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor handelen in strijd met de Opiumwet. Ook hier houdt het hof bij de strafoplegging rekening mee.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is met betrekking tot het onder 6 bewezen verklaarde op 3 januari 2015 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 23 maart 2017. Daarmee is de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg in beperkte mate overschreden, te weten met ruim twee maanden. Vanwege deze geringe overschrijding en de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur passend en geboden is. De strafbare feiten die door het hof zijn bewezen verklaard en door de verdachte zijn bekend, zijn naar het oordeel van het hof dusdanig ernstig dat het hof geen taakstraf, maar een vrijheidsbenemende straf aan de verdachte zal opleggen. Gelet op de vrijspraak voor het onder 5 tenlastegelegde zal het hof een kortere gevangenisstraf aan de verdachte opleggen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof zal tevens bepalen dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Het hof zal voorts het (tot heden geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

Beslag

Het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag ad € 325,00 zal aan verdachte worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het (tot op heden geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Geldbedrag van EUR 325 (6 x EUR 50, 2 x EUR 10, 1 x EUR 5).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. M. Senden en mr. M.E. Hinskens-van Neck, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Togt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

23 maart 2018.

[…]