Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:969

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
23-003539-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking en diefstallen d.m.v. valse sleutels. De verdachte was postbezorger en heeft tankpassen, een bankpas en een creditcard verduisterd. Veroordeeld tot gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 3 maanden vw en proeftijd 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003539-16

Datum uitspraak: 21 maart 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2016 in de strafzaak onder de parketnummers

13-701953-16 en 13-684885-14 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2018 en 7 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 is tenlastegelegd ten aanzien van een poging tot diefstal op 29 april 2016 te Aalsmeer. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:

1 primair:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2016 tot en met 29 april 2016 te Vinkeveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk

  • -

    een of meerdere tankpas(sen) en/of

  • -

    een of meerdere bankpas(sen) en/of

  • -

    een of meerdere creditcard(s),

  • -

    in elk geval enig goed,

  • -

    welke tankpas(sen) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [naam 1] en/of

  • -

    welke tankpas(sen) geheel of ten dele toebehoorde(n) [naam 2] en/of de Voedsel- en Waren Autoriteit en/of

  • -

    welke bankpas(sen) en/of creditcard(s) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [naam 3] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als postbezorger van PostNL, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl er nog geen vijf jaren zijn verlopen sinds 24 november 2015, de dag waarop het vonnis onherroepelijk is geworden, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een soortgelijk misdrijf;

1 subsidiair:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 29 april 2016 te Vinkeveen en/of Amsterdam en/of Weesp en/of Uithoorn en/of Aalsmeer, in elk geval in Nederland, een of meermalen een of meerdere tankpas(sen) en/of bankpas(sen) en/of creditcard(s) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2:
hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 4 maart 2016 tot en met 11 maart 2016 te Amsterdam en/of Duivendrecht en/of Weesp, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, alsmede met een valse sleutel (te weten met een of meerdere tankpas(sen) die niet aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)), met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen benzine, geheel of ten dele toebehorend aan Texaco en/of TinQ en/of Tango, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s);

3:
hij op of omstreeks 26 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, alsmede met een valse sleutel (te weten met een bankpas die niet aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde), met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4:
hij op of omstreeks 27 april 2016 te Uithoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, alsmede met een valse sleutel (te weten met een creditcard die niet aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde), met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, heeft/hebben getracht geld op te nemen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover inhoudelijk nog aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsverweren en bewijsoverwegingen

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten op grond van het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

(a) Er zijn geen getuigen die hebben waargenomen dat de verdachte zich de passen (tankpassen, bankpas en creditcard) heeft toegeëigend, terwijl die passen ook later niet zijn gevonden, hetgeen legio scenario’s open laat waarin een ander verantwoordelijk is voor het toe-eigenen van de passen. Zo heeft de verdachte zich herinnerd dat hij een week lang iemand anders moest inwerken en kan men bij PostNL niet met 100% zekerheid zeggen dat de verdachte zijn bestelronde alleen liep. Voorts kan degene die was belast met het sorteren van de post hebben gezorgd voor het verdwijnen van de passen. Het dossier sluit ook niet uit dat een niet bij PostNL werkzame persoon de passen heeft meegenomen, bijvoorbeeld door deze uit de brievenbus te vissen, zoals bij aangeefster [naam 2] kan zijn gebeurd. Relevant in dit verband is dat zich in het dossier een foto bevindt waarop is te zien dat een ander persoon dan de verdachte geld probeert op te nemen met de creditcard van aangever [naam 3] . Verder was de verdachte niet werkzaam als postbesteller op 28 en 29 februari 2016, terwijl de tankpas van [naam 2] naar haar adres is verzonden op 26 februari 2016 en de tankpas van aangeefster [naam 1] is verzonden op 29 februari 2016. Gelet hierop kan enkel worden vastgesteld dat de verdachte mogelijk de postbezorger was op de dag dat de passen bezorgd hadden moeten worden, maar is dat niet zeker.

(b) De herkenningen van de verdachte op de beschikbare camerabeelden als gebruiker van de onderhavige passen zijn niet bruikbaar voor het bewijs van het ontvreemden van de passen (i) vanwege het tijdsverloop tussen het verdwijnen van de passen en het gebruik daarvan, en (ii) omdat de betrouwbaarheid van die herkenningen zeer dubieus is. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de stills op de pagina’s 39 en 40 van het politiedossier van onvoldoende kwaliteit zijn om, zoals politieambtenaar [verbalisant 1] heeft gedaan, op basis daarvan tot een volledige herkenning van de verdachte te kunnen komen. Voorts doet afbreuk aan de waarde van die herkenning dat [verbalisant 1] daarbij gebruik heeft gemaakt van een politiefoto van de verdachte uit 2014 en van een oudere foto op zijn rijbewijs, terwijl niet is gespecificeerd waaraan hij de verdachte heeft herkend, behalve aan zijn kleding en houding. Het aanvullende proces-verbaal van 3 mei 2017 van [verbalisant 1] neemt de twijfels bij de verdediging over de waarde van de herkenningen niet weg.

Ten aanzien van de door ICS aangeleverde camerabeelden van het gebruik door de verdachte van de creditcard op naam van [naam 3] is onduidelijk waar en wanneer deze beelden zijn gemaakt, zodat niet vastgesteld kan worden dat dit beelden zijn van de transactie met de creditcard van [naam 3] te Uithoorn op 27 april 2016.

(c) Voorts kan niet bewezen worden verklaard dat de passen toebehoorden aan [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , omdat dergelijke passen eigendom blijven van de bank/het bedrijf waardoor zij aan de pashouder worden verstrekt.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

(a) Het bewijs dat de verdachte dit feit heeft begaan zou moeten volgen uit de herkenningen van de verdachte op camerabeelden, terwijl aan de betrouwbaarheid daarvan ernstig moet worden getwijfeld worden, zoals al is betoogd ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Daarbij zij verwezen naar recente jurisprudentie op dit punt (vermeld in de pleitnota onder nummers 50-54). In de onderhavige zaak is geenszins voldaan aan de in die jurisprudentie genoemde criteria op basis waarvan aan een herkenning voldoende bewijskracht kan worden toegekend.

(b) Daarnaast levert het tanken van benzine (i.c. bij Texaco, TinQ en Tango) met een vermiste tankpas geen diefstal op, nu aan de desbetreffende tankstations is betaald voor de benzine en zij ook geen aangifte hebben gedaan. Ook overigens is onduidelijk wie schade heeft geleden. Zo heeft Leaseplan opgemerkt dat [naam 2] de benadeelde is, terwijl zij zelf heeft gezegd dat zij haar benzinekosten kon declareren en de Voedsel- en Warenautoriteit (het hof: de werkgever van [naam 2] ) een vast maandbedrag betaalde aan Leaseplan, waarna (achteraf) een herberekening plaatsvond. Ook in het geval van [naam 1] is onduidelijk wie de benadeelde is: zij heeft wel aangifte gedaan, maar niet van kosten gerept.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Van de transacties met de betaalpas van [naam 3] (op 26 april 2016) zijn geen camerabeelden, getuigen of andere bronnen van bewijs beschikbaar. De enige link tussen de betaalpas en de verdachte is dat de pas bezorgd had moeten worden in de wijk waar de verdachte werkzaam was als postbode, maar dat is te weinig voor een bewezenverklaring, zoals reeds ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is betoogd. De omstandigheid dat de verdachte op 27 april 2016 tevergeefs zou hebben geprobeerd geld op te nemen met de creditcard van [naam 3] – zo dat al kan worden vastgesteld – kan aan het bewijs van het onder 3 tenlastegelegde niet bijdragen.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

De camerabeelden van deze transactie maken onvoldoende duidelijk dat het de verdachte is die de transactie verricht, nu niet vaststaat waar en wanneer die beelden zijn opgenomen en zij betrekking kunnen hebben op een geheel andere transactie dan die welke onder 4 is tenlastegelegd. De enkele opmerking van ICS dat het om de beelden gaat van pogingen tot transacties met die pas is niet genoeg, nu een deel van de beelden op een ander tijdstip en vermoedelijk op een andere plaats zijn gemaakt.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van het dossier kan van de volgende feitelijke toedracht worden uitgegaan.

De verdachte is in de periode van 23 februari 2016 tot en met 17 mei 2016 bij PostNL werkzaam geweest als postbezorger. Hij had de “bestelloop” 41 (B41) in Vinkeveen toegewezen gekregen, hetgeen betekende dat hij in die gemeente post bezorgde op adressen op (onder andere) de Winkeldijk, de Molenkade, de Vinkenkade en de Groenlandsekade. Het dossier behelst geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de verdachte zijn postronde in gezelschap van een collega liep en de verdachte heeft op een vraag daarover van het hof geen antwoord willen geven, zodat het hof als vaststaand aanneemt dat alleen de verdachte de poststukken ter bezorging in het gebied van B41 kreeg toevertrouwd. De andersluidende, maar niet nader onderbouwde suggesties van de raadsman worden dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven. Voorts gaat het hof er – met de raadsman – van uit dat de verdachte niet op 28 en 29 februari 2016 heeft gewerkt, om de simpele reden dat het gaat om een zondag en een maandag, op welke dagen PostNL geen reguliere post pleegt te bezorgen. Laatstgenoemde omstandigheid sluit naar het oordeel van het hof ook uit dat een andere PostNL-medewerker op die dagen post heeft bezorgd (of van die bezorging heeft afgezien door in plaats daarvan zich die post toe te eigenen).

[bedrijf] (ICS) heeft op een gegeven moment melding gemaakt van het feit dat in bovengenoemde periode, waarin de verdachte als postbezorger werkte, bankpassen/creditcards waren verdwenen die hadden moeten zijn bezorgd op adressen in straten die deel uitmaakten van de bestelronde van de verdachte. Daartoe behoorde het adres van aangever [naam 3] , woonachtig aan de Winkeldijk te Vinkeveen, wiens bankpas en creditcard – volgens de daarvan gedane aangifte – waren gestolen tussen 20 en 27 april 2016. Met die bankpas is geld gepind en is een betaling gedaan, beide op 26 april 2016 te Amsterdam. Op 27 april 2016 is geprobeerd met de creditcard geld te pinnen bij een pinautomaat van ABN-Amro in Uithoorn, maar dat mislukte.

[naam 2] , eveneens woonachtig aan de Winkeldijk te Vinkeveen, heeft aangifte gedaan van diefstal van een door haar werkgever verstrekte – maar niet bij haar bezorgde – tankpas, gepleegd tussen 26 februari 2016 en 15 maart 2016. Deze tankpas was gekoppeld aan (haar auto met) kenteken [kenteken] . Op 11 maart 2016 heeft de verdachte met die tankpas benzine getankt (in een jerrycan) bij een pompstation van Texaco aan de Kollenbergweg te Amsterdam. Vlak bij dat pompstation stond een Toyota die was gehuurd door de moeder van de verdachte en die ook bij de verdachte in gebruik was, waarin spullen van de verdachte en posttassen van PostNL zijn aangetroffen. In één posttas bevonden zich poststukken die waren gericht aan personen die woonachtig waren op adressen aan de Groenlandsekade, de Molenkade en de Winkeldijk te Vinkeveen. Ook eerder, op 7 maart 2016, is bij dat Texaco-pompstation getankt met genoemde tankpas, evenals bij pompstations van TinQ in Duivendrecht en Tango in Amsterdam op 3, 4, 7, 8 en 11 maart 2016.

[naam 1] , woonachtig aan de Vinkenkade te Vinkeveen, heeft aangifte gedaan van diefstal van een haar verstrekte – maar niet bij haar bezorgde – tankpas en bijbehorende pincode, gepleegd op enig moment na 28 februari 2016 (de tankpas zou door Q8 naar haar zijn verzonden op 29 februari 2016). Met haar tankpas is in de periode van 6 tot en met 11 maart 2016 getankt bij pompstations van Tango in Amsterdam en Weesp (in totaal 6 keer).

Van een aantal van voormelde transacties met passen die aan de pashouders per post waren toegezonden in de periode waarin de verdachte voor de bezorging op de betreffende adressen verantwoordelijk was, zijn camerabeelden achterhaald.

Opsporingsambtenaar [verbalisant 1] heeft processen-verbaal opgemaakt van het door hem bekijken van camerabeelden van de transacties die zijn verricht met de tankpas van [naam 2]

  • -

    bij het Texaco-pompstation aan de Kollenbergweg te Amsterdam op 7 maart 2016 omstreeks 18:22 uur, op 11 maart 2016 omstreeks 13:09 uur en op 11 maart 2016 omstreeks 00:07 uur;

  • -

    bij het TinQ-pompstation aan de Industrieweg te Duivendrecht op 3 maart 2016 omstreeks 21:23 uur en omstreeks 21:36 uur, op 4 maart 2016 omstreeks 10:17 uur, op 4 maart 2016 omstreeks 20:15 uur en op 7 maart 2016 omstreeks 18:04 uur.

Op een deel van deze beelden heeft [verbalisant 1] de verdachte, die hij kende van een politiefoto uit 2014, herkend aan zijn gezicht, op een deel van de beelden aan de combinatie van gezicht en houding en/of kleding en/of de auto waarvan de verdachte gebruik maakte; en ten aanzien van een deel van de beelden heeft hij geconstateerd dat het signalement van de persoon die in beeld is sprekend lijkt op het signalement van de verdachte en dat zijn manier van bewegen overeenkomt met die van de verdachte, een en ander zoals nader toegelicht in het proces-verbaal van [verbalisant 1] van 3 april 2017. Op veel van de beelden is de verdachte met jerrycans in de weer en is hij degene die bij de betaalautomaat handelingen verricht en dus verondersteld mag worden in het bezit te zijn van een daarvoor bruikbare pas.

Voorts heeft [verbalisant 1] een proces-verbaal opgemaakt van het bekijken van de beelden van de poging tot een pintransactie met de creditcard van [naam 3] bij een pinautomaat van ABN-Amro te Uithoorn op 27 april 2016 met de creditcard van [naam 3] . Op die beelden heeft [verbalisant 1] de verdachte aan zijn gezicht herkend.

Opsporingsambtenaar [verbalisant 2] heeft een proces-verbaal opgemaakt van het bekijken van camerabeelden van de transacties die zijn verricht met de pas van [naam 1] bij het Tango-pompstation te Weesp op 7 maart 2016 omstreeks 13:11 en 13:16 uur, op 9 maart 2016 omstreeks 21:50 uur en op 10 maart 2016 omstreeks 20:50 uur. Op de beelden van 7 maart 2016 te 13:11 uur is te zien dat wordt getankt door iemand die gekleed is in een donkerblauwe broek met gele strepen van het merk Adidas, witte gympen en een sweater met capuchon van het merk Puma. In diezelfde kleding is de verdachte door [verbalisant 1] herkend op voormelde beelden van 7 maart 2016 bij Texaco te Amsterdam. Op de beelden van 9 maart 2016 is iemand te zien met twee jerrycans in een blauwe camouflagejas, gelijkend op de jas die de verdachte droeg tijdens een gesprek met een medewerker van PostNL security op 18 mei 2016. Op de beelden van 10 maart 2016 is ook een persoon met een dergelijke jas te zien.

Het hof heeft, mede gelet op de door [verbalisant 1] gegeven nadere toelichting omtrent de (goede) kwaliteit van de door hem bekeken bewegende camerabeelden, geen reden te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van [verbalisant 1] wat betreft de kwaliteit van de (bewegende) beelden en de mogelijkheid daarop de verdachte te herkennen. De omstandigheid dat niet is beschreven aan welke meer specifieke gezichtskenmerken hij de verdachte heeft herkend, doet daaraan niet af, mede omdat [verbalisant 1] bij zijn herkenningen gebruik heeft gemaakt van een vrij recente politiefoto van de verdachte. In zijn gerelateerde herkenning van het gezicht van de verdachte ligt besloten dat het gezicht van degene op de camerabeelden overeenkomt met het gezicht van de verdachte op deze politiefoto. Voorts acht het hof de kenmerken waaraan [verbalisant 1] de verdachte heeft herkend op de beelden waarop zijn gezicht niet te zien is – in onderlinge samenhang beschouwd – voldoende onderscheidend. De omstandigheid dat [verbalisant 1] bij zijn herkenningen gebruik heeft gemaakt van een politiefoto van de verdachte uit 2014 en een oudere foto op zijn rijbewijs, doet naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de waarde van deze herkenningen.

Anders dan waarvan de raadsman kennelijk uitgaat, leest het hof het proces-verbaal van [verbalisant 1] op doorgenummerde pagina 41 aldus dat hij de verdachte op verscheidene beelden behalve aan zijn gezicht, óók heeft herkend aan zijn kleding en houding van eerdere camerabeelden, zoals [verbalisant 1] ook heeft toegelicht in zijn proces-verbaal van 3 april 2017. Ook die gemotiveerde herkenning door [verbalisant 1] acht het hof bruikbaar voor het bewijs.

Voorts acht het hof het proces-verbaal van Uiterwaal betreffende de gelijkenis tussen de kleding van degene die gebruik maakte van de pas van [naam 1] en de kleding die de verdachte die dag droeg, bruikbaar voor het bewijs. In onderlinge samenhang beschouwd met de overige aanwijzingen dat het de verdachte is geweest die deze pas heeft verduisterd – zoals hij ook met andere door hem te bezorgen passen heeft gedaan – draagt de waargenomen gelijkenis bij aan het bewijs dat het de verdachte is geweest die op 7 maart 2016 in het bezit was van de tankpas van [naam 1] en daarmee een transactie heeft verricht.

Ten aanzien van de door ICS aangeleverde camerabeelden van het gebruik door de verdachte van de creditcard op naam van [naam 3] , deelt het hof niet de twijfel van de raadsman omtrent de plaats waar en en het tijdstip waarop deze beelden zijn gemaakt, zodat niet vastgesteld zou kunnen worden dat dit beelden zijn van de transactie met de creditcard van [naam 3] te Uithoorn op 27 april 2016. He hof neemt hierbij in aanmerking dat deze beelden door ICS als bijlagen bij de eerdergenoemde aangifte zijn overgelegd. Uit die aangifte, gelezen in samenhang met de bijlagen, kan worden opgemaakt dat een creditcard met nummer [nummer] is verzonden naar [naam 3] , Winkeldijk 19 te Vinkeveen, en dat met die creditcard op 27 april 2016 omstreeks 2:32 uur te Uithoorn is geprobeerd te pinnen bij de terminal met nummer 1E262 van ABN Amro en dat van dié poging camerabeelden zijn opgevraagd bij ABN Amro. Op de beelden is een persoon te zien en zijn de kenmerken “1.E262” en “2016-04-27 02:46:37” vermeld. De omstandigheid dat het geregistreerde transactietijdstip niet exact overeenkomt met het door de camera geregistreerde tijdstip, brengt het hof niet tot de conclusie dat het hier niet zou gaan om beelden van de onderhavige poging te pinnen met de creditcard van [naam 3] .

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die zich de passen heeft toegeëigend (als onder 1 tenlastegelegd) en die passen heeft gebruikt om benzine te tanken (als onder 2 tenlastegelegd) en geld (proberen) te pinnen (als onder 3 en 4 tenlastegelegd).

Het hof gaat dan ook voorbij aan de geschetste alternatieve scenario’s – die overigens slechts als suggesties aan de hand zijn gedaan – waarin iemand anders dan de verdachte zich de passen zou hebben toegeëigend. Voorts vermag het hof niet in te zien wat het belang is van de data van verzending van de passen van [naam 2] en [naam 1] – anders dan als aanvangsmoment van de diefstal of verduistering daarvan – in relatie tot het niet werken van de verdachte op 28 en 29 februari 2016.

De passen kunnen worden geacht toe te behoren (als bedoeld in artikel 321 en 322 Sr) aan onderscheidenlijk [naam 3] , [naam 2] en [naam 1] . De passen stonden immers op hun naam en waren bedoeld (alleen) door hen te worden gebruikt. De enkele omstandigheid dat die passen civielrechtelijk eigendom bleven van de uitgevende instanties/bedrijven (onderscheidenlijk ICS, de Voedsel- en Warenautoriteit en Q8) doet daar niet aan af.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde merkt het hof nog op dat de verdachte door het gebruik van tankpassen de beschikking kreeg over benzine, waarvan zonneklaar is dat die niet aan hem toebehoorde, zodat sprake is van diefstal. De omstandigheid dat het niet de benzinestations zijn, die daarvan financieel de dupe werden, maakt dit niet anders, evenmin als het feit dat hij wegnemen van die benzine mogelijk maakte door (onbevoegd) een geldtransactie uit te voeren ten laste van de rekening van een ander.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde brengt het feit dat geen camerabeelden van de transacties met de bankpas op naam van [naam 3] voorhanden zijn, naar het oordeel van het hof niet mee dat niet bewezen kan worden dat de verdachte deze pas in zijn bezit heeft gehad. Daarbij acht het hof van betekenis dat uit het vorenstaande volgt dat [naam 3] woonachtig was in het bezorggebied van de verdachte, dat de verdachte in het bezit is geweest van de aan [naam 3] per post toegezonden creditcard en dat [naam 3] blijkens zijn aangifte in dezelfde periode een nieuwe bankpas heeft aangevraagd die hem per post is toegezonden.

De bewijsverweren worden op grond van het voorgaande in alle onderdelen verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:
hij de periode van 23 februari 2016 tot en met 27 april 2016 in Nederland opzettelijk

  • -

    twee tankpassen, die toebehoorden aan [naam 1] respectievelijk [naam 2] , en

  • -

    een bankpas en een creditcard, die toebehoorden aan [naam 3]

welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als postbezorger van PostNL onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl nog geen vijf jaren waren verlopen sinds 24 november 2015, de dag waarop het vonnis waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een soortgelijk misdrijf onherroepelijk was geworden;

2:
hij op tijdstippen in de periode van 4 maart 2016 tot en met 11 maart 2016 in Nederland met een valse sleutel (te weten met tankpassen die niet aan verdachte toebehoorden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen benzine, toebehorend aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte;

3:
hij op 26 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland met een valse sleutel (te weten met een bankpas die niet aan verdachte toebehoorde), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, toebehorende aan [naam 3] ;

4:
hij op 27 april 2016 te Uithoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf met een valse sleutel (te weten met een creditcard die niet aan verdachte toebehoorde), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, toebehorende aan [naam 3] , heeft getracht geld op te nemen.

Hetgeen onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking door betaalpassen (twee tankpassen, een bankpas en een creditcard) die hij als postbezorger van PostNL onder zich had, niet bij de geadresseerden in de brievenbus te doen, maar deze zich toe te eigenen. Vervolgens heeft hij met die betaalpassen meermalen benzine getankt, geld opgenomen en geprobeerd geld op te nemen, hetgeen (poging tot) diefstal oplevert.

Het hoeft geen betoog dat hij aldus, met gebrek aan respect voor de eigendommen van anderen, schade heeft berokkend aan de gedupeerden, nog afgezien van de administratieve rompslomp die verdachtes handelen voor hen tot gevolg heeft gehad. Tevens heeft hij het vertrouwen dat werkgevers in hun personeel moeten kunnen stellen, beschaamd, evenals het vertrouwen dat burgers moet kunnen hebben in (adequate) bezorging van aan hen geadresseerde post. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich hieraan weinig gelegen heeft laten liggen en zich kennelijk louter heeft laten leiden door financieel gewin. Bovendien blijkt uit een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 februari 2018 dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens vermogensdelicten.

Bij deze stand van zaken en gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf in beginsel zonder meer gerechtvaardigd.

De verdediging heeft het hof verzocht de persoonlijke omstandigheden van de verdachte sterk mee te wegen bij de keuze voor de strafmaat en -modaliteit: de verdachte vormt samen met zijn vriendin en hun 3-jarige dochter een gezin en is, vanwege de fulltime stage van zijn vriendin, grotendeels verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van die dochter. Voorts heeft de verdachte thans een arbeidscontract en staat hij onder toezicht van de reclassering dat (blijkens een e-mailbericht van de reclassering van 14 februari 2018) goed verloopt. Tot slot heeft de verdachte betoogd dat hij erg betrokken is bij zijn vader die lijdt aan COPD en dat hij voornemens is definitief zijn criminele carrière achter zich te laten.

Het hof wil wel aannemen dat de verdachte na zijn schorsing in de onderhavige zaak afspraken bij de reclassering is nagekomen en werk heeft gevonden, al moet bij dit laatste worden opgemerkt dat het blijkens de overgelegde arbeidsovereenkomst slechts een contract van 8 januari 2018 tot 1 april 2018 betreft. Voorts is het hof zeker niet onwelwillend in de voorkomende gevallen een verdachte bij de strafoplegging in meerdere of mindere mate tegemoet te komen indien aannemelijk is dat deze serieus werk maakt van een toekomst zonder nog strafbare feiten te plegen. In het geval van de verdachte is dat echter veel minder voor de hand liggend, waarbij het hof acht slaat op de volgende omstandigheden.

Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2015 is de verdachte veroordeeld ter zake van onder andere deelneming aan een criminele organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, diefstallen (onder andere met valse sleutels) en diverse gevallen van poging tot oplichting. Het betreft hier dus feiten die (deels) soortgelijk zijn aan de onderhavige misdrijven. De rechtbank heeft in haar vonnis kennelijk aanleiding gezien de passend geachte 12 maanden gevangenisstraf niet geheel onvoorwaardelijk op te leggen, maar een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk (waarvan, zoals hierna te bespreken, thans de tenuitvoerlegging wordt gevorderd), met als bijzondere voorwaarden, kort gezegd, reclasseringstoezicht en gedragsinterventies. Al na een paar maanden na het onherroepelijk worden van dat vonnis heeft de verdachte de onderhavige misdrijven gepleegd, waarmee hij bepaald niet de indruk heeft gewekt eerdergenoemde veroordeling serieus te nemen. De relatie met zijn vriendin en zijn vaderschap hebben hem er kennelijk niet van weerhouden af te zien van het plegen van deze misdrijven, hetgeen afbreuk doet aan de overtuigingskracht van zijn beroep op zijn (gewenste) functioneren in gezinsverband.

Voorts moet worden geconstateerd dat de verdachte geenszins opening van zaken heeft gegeven in de onderhavige zaak. Hij heeft zich, daarentegen, grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen. Dat is weliswaar zijn goed recht, maar daarmee heeft hij zich niet laten zien als een persoon die schoon schip wil maken om op die manier zijn verleden, voor zover dat strafbaar gedrag behelsde, achter zich te laten.

Het hof zal daarom een straf opleggen die meebrengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt; de ernst van thans bewezen feiten en de geschetste omstandigheden van dit geval laten een andere uitkomst niet toe. Desalniettemin zal het hof nog een beperkt deel van de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm gieten. Dit moet door de verdachte worden beschouwd als een – wat het hof betreft – voorlopig laatste handreiking om hem (nadat hij weer op vrije voeten is gekomen) door de dreiging van tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafdeel te bewegen om zijn leven ten langen leste ten goede te keren. Voorts biedt een voorwaardelijk strafdeel het hof de mogelijkheid daaraan de bijzondere voorwaarde van een meldplicht bij de reclassering te verbinden, zodat op die manier enige controle kan plaatsvinden op de toekomstige handel en wandel van de verdachte (in de vrije samenleving).

Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf passend en geboden is.

Inbeslaggenomen voorwerp

Het hof is van oordeel dat het onder de verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een zaktelefoon, dient te worden terug gegeven aan de verdachte, aangezien hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 3.200, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Voor zover de vordering betrekking heeft op andere feiten dan aan de verdachte zijn tenlastegelegd, moet worden geconcludeerd dat de schade niet door het (tenlastegelegde en bewezenverklaarde) handelen van de verdachte is veroorzaakt (geldopnamen van de rekeningen van [naam 4] en [naam 5]).

Voor zover de vordering betrekking heeft op het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde (pogingen tot geldopname van de rekening van [naam 3] ) heeft te gelden dat de verdachte van het feit op 29 april 2016 te Aalsmeer is vrijgesproken (en daartegen geen hoger beroep voor hem openstaat) en dat het feit op 27 april 2016 te Uithoorn niet de gestelde schade aan de benadeelde partij kan hebben toegebracht, nu dat feit niet tot uitgifte van geld uit de pinautomaat heeft geleid.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de schade als opgevoerd niet is aan te merken als rechtstreeks geleden door één van de bewezenverklaarde feiten. Daarom dient de benadeelde partij niet- ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57, 311 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2015 (parketnummer 13-684885-14) opgelegde gevangenisstraf, voor zover in voorwaardelijke vorm opgelegd voor de duur van 4 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd de algemene voorwaarde dat hij zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, heeft overtreden. Het is voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, van essentieel belang dat aan overtreding van deze voorwaarden gevolgen worden verbonden. Dat dient ook in deze zaak te geschieden en daarom zal de tenuitvoerlegging van dat in voorwaardelijke vorm opgelegde strafdeel worden gelast. Hetgeen omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte naar voren is gebracht, is van volstrekt onvoldoende gewicht om tot een andere uitkomst te komen, omdat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet slechts één keer, maar veelvuldig en aan zeer kwalijke strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

Voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte is bij beslissing van dit hof van 1 maart 2017 geschorst tot het tijdstip waarop einduitspraak in deze zaak wordt gedaan. Dat betekent dat de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden weer dient te worden gecontinueerd. Het hof zal de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijkt wordt aan de duur van de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van de onder 4 tenlastegelegde poging tot diefstal op 29 april 2016 te Aalsmeer.

Vernietigt het vonnis voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht, en zich houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens zijn toezichthouder.

Verstrekt aan Reclassering Nederland opdracht om de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 1 zwarte LG zaktelefoon (5152509).

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf] [naam 6]

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2015, parketnummer 13-684885-14, te weten gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. J.J.I. [naam 1] en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van

mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 maart 2018.

[…]

.